Redelijk geloof

Het geloof is de grond waarop iedere spiritualist zal moeten staan en ieder mens bezit een eigen geloofsvorm, die hem levensmoed schenkt. Zodra het geloof wegvalt is de mens ziek dan wel psychisch losgeslagen. Indien bij de mens het geloof zou ontbreken, zou men totaal geen aanleiding hebben zich op de één of andere manier spiritueel te oriënteren.

Er wordt echter van de spiritualist meer gevraagd: een redelijk geloof en uit een redelijk geloof wordt de hoge magie geboren.

Redelijk geloof wil zeggen: het geloof omvat de rede en de rede kan zich met het geloof mede bewegen.

Uit de vorige gave, de zwijgzaamheid, zou, indien deze goed begrepen is, het redelijke geloof moeten ontstaan. Elke stilte, spiritueel bezien, is noodzakelijk om rede en geloof aaneen te sluiten. Een mens, die zijn redelijk geloof veredeld heeft in de geest, is altijd een magiër. En een magiër reageert nooit vanuit een innerlijke onzekerheid, noch laat hij zich medeslepen door de één of andere invloed, noch laat hij zich misleiden door de hoogmoed.

Het redelijk geloof verandert de mens van binnenuit, omdat intuïtie en kennis hem een bepaalde levensweg op voeren en hem tevens tot een voorbeeld of een leider van zijn medemensen maken. Het leiderschap is niet datgene wat de massa ervan veronderstelt, maar het gaat altijd samen met het 'voorgaan in iets'.

Vertrouwenwekkend is de arts, die zijn eigen medicamenten inneemt en evenzo vertrouwenwekkend is de spirituele mens, die zijn eigen leringen praktisch opvolgt. Bij beiden is het resultaat doorslaggevend. Als de dertiende gave ontbreekt, vinden de overige gaven geen verbindingspunt, geen centrale motor.

De spirituele bodem is het redelijke geloof, dat door de mens zelf verworven moet worden en dat hem beslist niet komt aanwaaien.

Noch kan hij het aanleren, het is in essentie als geloof in hem aanwezig en dit geloof is de klei, waarmede de mens zijn graal moet gaan modelleren.

Elk geloof is als een bezieling: het geloof in zichzelf maakt de pelgrim zelfbewust, het geloof in een autoriteit maakt hem tot een dienstwillige dienaar; het geloof in een God maakt hem tot zoeker en aanbidder van God.

Zodra dit geloof door de rede en de harde levenservaringen gemodelleerd wordt, gaat het zijn eigen geloofsdoel kiezen.

De geloofskwaliteit typeert een mens, zoals een inborst, het hart, de mens kwalificeert. Geen hart hebben voor iets of iemand is hetzelfde als er niet in geloven. Het geloof tekent de levensweg en alle interessen van de mens uit. Hetgeen niet door het geloof gedragen wordt blijft vluchtig. Datgene waar men niet in gelooft, kan men vrijwel nooit realiseren.

Als Rede en Geloof elkander vinden kan deze twee-eenheid de mens tot aan de top van zijn innerlijke mogelijkheden brengen en dat houdt  tevens in, dat hij zijn naasten iets te vertellen of iets voor te leven heeft.

Het is vanzelfsprekend dat dit redelijke geloof vergezeld wordt van de hoop.

Een Hoopvol mens beschikt over het water des levens.

De kwaliteit van de hoop wordt natuurlijk mede gevormd door de kwaliteit van het redelijke geloof. Een gelovig mens is altijd een hoopvol mens. Een redelijk gelovig mens is altijd een blijmoedig mens.

Dit zijn eigenlijk enormiteiten om uit te spreken, want wie is altijd blijmoedig?  Niettemin hangt het ene met het andere samen.

Hoopvol zijn is niet hetzelfde als redeloos optimist zijn of opgewekt de kop in het zand steken.

Redelijk geloof schenkt de mens een innerlijke blijheid, die altijd te voorschijn komt in momenten, dat hij het niet meer zo ziet zitten. De hoop brengt hem altijd over de gevaarlijke afgrond tussen schijn en werkelijkheid, tussen mislukken en teleurstelling heen. Hoop doet de mens steeds opnieuw beginnen met een poging om zijn spirituele ideaal te verwezenlijken.

Het is eigenlijk onbelangrijk wat voor zodiakaal type men is, als men aankomt bij het redelijke geloof en de hoop.  Redelijk geloof kan zowel door het vuur- als het aardetype, het water- als het luchttype gerealiseert worden. 

De duurzaamheid ervan ligt in de kwantiteit van de innerlijke individuele geest; redelijk geloof is in wezen duurzaam. Zonder rede is het geloof aan op- en neergang onderhevig, maar juist de samenvoeging van rede en geloof schenkt die universele alchemische basis, waarop elke beoefenaar van de hermetische kunst zich baseert.

De hoop bestendigt de duurzaamheid ervan. En duurzaamheid is weer de energie die achter de Goede Moed drijft.

Redelijk Geloof - Hoop - Goede Moed verjagen alle belemmeringen en alle theoretische angsten om aan een spirituele verwerkelijking te beginnen. De Goede Moed is niet zomaar, in een oogwenk, in de mens aanwezig. Er is aan de Goede Moed, niettegenstaande hij behoort tot het Goede Begin in de spiritualiteit, veel vooraf gegaan.

Het Goede Begin is voor de toebereide mens. Al het andere, alle experimenten, alle proeven en onderzoekingen gaan daaraan vooraf. Als men zegt: « Ik heb geen moed daartoe », wil dat altijd zeggen, dat de voorbereiding nog niet voltrokken is.

Voorbereiden is leven en leven is leren, ontdekken, begrijpen.

Als men nog geen redelijk geloof en geen lichtende hoop bezit, staat men nog steeds in de voorbereiding voor een spirituele ontwikkeling, niettegenstaande de wellicht indrukwekkende theoretische kennis.

De kwaliteit van de hoop bepaalt of de moed van de pelgrim de betiteling Goede Moed kan dragen. Goede Moed is als een hernieuwde energie, die doorlopend bijgeladen wordt vanuit de innerlijke zekerheid van het redelijke geloof en het licht van de hoop.

Vanzelfsprekend laten we hier alle mindere vormen van geloof, hoop en moed buiten beschouwing.

Om tot spirituele realisatie te komen heeft de mens een vruchtbare bodem nodig: het Redelijke Geloof, een levend onderwerp tot planten: de Hoop en een levenskracht: de Goede Moed.

Het is merkwaardig dat bij deze opsomming van de zestien gaven de Liefde ontbreekt. Heel juist overigens.

In de zeven Oerdeugden neemt zij eveneens een unieke plaats in.

In de drie-eenheid Geloof, Hoop en Liefde, is de Liefde de laatste en tevens de realisatie, het Goede Einde, dat een volkomen Nieuw Begin insluit.

Geloof, Hoop en Moed zijn eigenlijk dezelfde driehoek.

Goede Moed en Liefde vloeien in elkander over.

Iemand, die de Goede Moed bezit heeft tevens een aspect van de Liefde, zoals hij ook een aspect van het heilbegeren bezit.

In elk van de Oerdeugden beweegt zich de Liefde.

De Goede Moed is een bezielde energie, die slechts blijvend kan bestaan, als er tussen ziel en geest een liefdesvorm is geboren.

Het blaken van enthousiasme voor een nieuw doel zegt niets omtrent de Goede Moed. Strovuren zijn opwellingen uit het ego, doch de gloed van de edele Liefde vindt zijn warmte in de ziel, evenals de Goede Moed zijn duurzame energie put uit de bron van de ziel.

In de zestien punten is een opgang te bemerken in de kwaliteiten van de gaven: zij worden steeds spiritueler en dus ongebruikelijker voor de egomens.

Daarom is het begrijpelijk dat de laatste gave eigenlijk de bekroning vormt: Eert God te allen Tijde.

Deze opgave is voor velerlei uitleg vatbaar en ieder legt hem natuurlijk naar zijn eigen inzicht uit. Slechts de verwerkelijker van de zestien punten verstaat hem zoals hij bedoeld is: houdt de individuele innerlijke God te allen tijde in ere.

Zodra de mens terugvalt in een populaire praktijk van de zestien gaven, eert hij God niet.

God eren is eveneens het knelpunt van diverse alchemisten, volgens hun getuigenis. God eren is zoiets als zelfverloren, belangeloos, puur geestelijk leven en dienen.

  • Eert God om hetgeen je bezit; 
  • eert God om hetgeen je kent en onderkent; 
  • eert God om degene die je bent; 
  • eert God zowel in tegenslag als in vreugde. 
  • Alle eer komt Hem toe.

Een twijfelachtige praktijk voor de hoogmoedige intellectuele mens, een twijfelachtige praktijk ook voor de eenzijdig humaan ingestelde mens en zeker twijfelachtig voor de ongelovige mens.

De klassiek gelovige mens legt deze gave uit als het dogmatische vereren van een Hoger Wezen.

Eigenlijk is dit punt niet zozeer een gave, als wel het bereiken van een mijlpaal. Je kunt hem ook vergelijken met de zelfinkeer, maar dan op de meest hoogstaande en effectieve manier.

Vanuit deze inkeer of het knielen voor het innerlijke godsaltaar, komt de mens terug als een met God verbonden wezen.

God verlaat hem niet, zoals hij God nooit verlaat.

Hij en de innerlijke God zijn één.  Houdt dit niet alles in?!

Men kan ook van achteren met de punten beginnen en zeggen: Als we met God één zijn, verkrijgen we de zestien punten vanzelf. Maar zijn Begin en Einde niet hetzelfde? Is er ooit een Begin en een Einde? Velen geven de voorkeur aan het 'God eren en daarna merkt men wel wat er gebeurt.'

Maar 'God eren' is altijd een gevolg van Redelijk Geloof, Hoop en Goede Moed. Men kan het ene punt niet los denken van het andere. En men moet wel degelijk een volkomen eenheid met God bezitten om tot de realisatie van de zestien punten te geraken.

Natuurlijk kan men niet zeggen: « Morgen ben ik verdraagzaam of vriendelijk », of iets dergelijks, maar men kan tevens niet zeggen:  « Vanaf nu eer ik God! »

Het begin bevindt zich voor iedereen in een ander stadium, in een andere ervaring. Maar als men in zulk een begin staat, is er een eenheid gesmeed tussen de zestien punten en tevens tussen de praktiseerders. Zodra de mens zich van zijn naaste verwijderd gevoelt, mist er een gemeenschappelijke noemer.

De mens, die God eert, moet in staat zijn tussen zichzelf en zijn naaste een noemer te vormen. Juist omdat zijn 'Ere aan God' hem bevoorrecht en hij kan tappen uit een universele kennis en een universele eenheid.

Het geduld is de basis voor een realisatie van alle punten, maar de Ere Gods is eveneens een basis. Het Geduld kan het Goede Einde zijn, maar de Ere Gods eveneens.

Ongeduld eert God niet, maar de onbegrensdheid van het geduld is als het opgaan in een doorlopende Ere Gods. Door alle gaven eert men God, maar in elk van de gaven is die eer slechts ten dele.

Als men maar inkeer zoekt, stilte betracht, komt alles vanzelf!

Ja! Maar dan zou de wereld, met al die mediterenden, reeds veranderd moeten zijn. Het God eren kent evenzo zijn verscheidene interpretaties, die afbreuk doen aan zijn veelomvattendheid.

Het Eert God te allen tijde zegt tevens dat 10 minuten per dag niet voldoende zijn! De mens, het gehele wezen en zijn, moet een eerbetoon Gods zijn, zodat men op geen enkel moment daaruit valt. Eigenlijk is het hetzelfde als: Gode gelijk zijn.

Zijn, zoals de innerlijke God het de mens voorhoudt.

De mens kan God eren door zijn leven, zijn werk, zijn woord, zijn gedachten, kortom op alle menselijke manieren.

Deze mens verraadt nooit zijn innerlijke God en dat betekent, dat hij, voor zijn gehele leven, een geestvol mens blijft, werkende aan de zestien punten, strevende naar Redelijk Geloof.

Als men de verbintenis met de innerlijke God verliest, wordt men een aards mens en vergeet men de hemel waaruit men neergedaald is. Aarde en hemel horen tezamen, mens en God behoren bijeen. Ziel en Geest vormen een eenheid en om deze eenheid te herstellen, moet men, of beginnen met het Geduld, om inzicht te verwerven, om zichzelf vrij te maken van alle invloeden, enz., of men moet beginnen de innerlijke God te eren gedurende elke seconde van de dag en de nacht.

Ook daarvoor is echter het Geduld nodig, zoals het geduld gesteund moet worden door een innerlijk Godsbegrip.

Hoe men het ook beziet, de zestien punten zijn één geheel en het is totaal niet van belang of men nu bij het eerste dan wel bij het laatste punt begint.  Als men maar begint!

Als men maar bezig is, in beweging blijft, werkt aan de universele noemer, die mens en mens, mens en God, ziel en geest verbindt.

Moge de mens, ieder voor zich, actief blijven in de Hof der Hoven, onverschillig op welke wijze, onverschillig waar, maar vooral elkander erkennende en herkennende als hoveniers, die eenzelfde arbeid verrichten.

Het Geduld kweekt de schoonste vruchten, die God Eren, de mens voeden en ter aarde vallen, wanneer het groeiproces zich voltrokken heeft.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene