Waarheidslievensheid is op zichzelf reeds een beproeving en wordt veelal totaal verkeerd uitgelegd en totaal zinloos beoefend.

Niemand is waarheidslievend wanneer zijn eigen belang, zijn ego, zijn eigenliefde of zijn positie in het gedrang komen.

Waarheidslievend is een mens gaarne tegenover anderen en de maatschappij in situaties waar hij geen schade lijden kan.

Het is begrijpelijk dat waarheidslievendheid een strijd kan doen ontbranden, gezien dat het gaat om de 'liefde tot de waarheid' en juist deze 'waarheid' is de oorzaak geworden van alle chaotische toestanden in religie, maatschappij, humanisme en zelfhandhaving. In de onderlinge verhouding der mensen bestaat er geen andere waarheid dan de eigen waarheid. Men kan nooit verlangen dat een mens verder ziet, dan zijn eigen begrensdheid, waarbinnen zijn waarheid gevangen ligt.

Al die persoonlijke waarheidsuitdrukkingen hebben hun specifieke kleur. Vrijwel elk goed willend en strevend mens leeft uit zijn waarheidskleur. Als hij dat niet zou doen, zou hij het leven van een ander moeten leiden of stupide andermans normen moeten opvolgen. Hetgeen altijd in felle tegenstelling is met de autonome vrijheid en de spirituele ontwikkeling, die de opdracht zijn voor de ziel. Hieruit volgt dat ieder mens zijn eigen waarheid liefheeft. Vooral principiële mensen vergalopperen zich dikwijls in zulk een fanatieke liefde voor hun eigen waarheid, dat zij niet bemerken hoe wondend egocentrisch hun liefde en hun waarheid zijn.

De waarheidslievendheid uit de zestien punten stijgt hier echter bovenuit en betekent niets anders dan liefde bezitten tot de oorspronkelijke wijsheid. De mens die, al is het slechts vaag, zulk een waarheidsliefde gevoelt, zal onvermoeibaar op zoek zijn naar de wortels van die oorspronkelijke waarheid en zichzelf voeden met het sap van die wortels. Deze waarheidsliefde maakt de mens dus evenmin fatalistisch en laks, als de egocentrische waarheidsliefde, die de mens kan opzwepen tot fanatisme.

Waarheidslievende mensen zijn rusteloos; in de hoogste betekenis zijn zij heilbegerig en universeel denkend. Niemand kan zeggen wat de waarheid is en waar deze zich bevindt, zolang men niet de bron van alle Zijn en van alle Niet-Zijn heeft gepeild.

Juist omdat men deze onbegrensde, onnoembare waarheid liefheeft, aarzelt men haar te omschrijven, omdat elk woord, elke aanduiding haar verminken en verlagen tot een persoonlijke waarheid.

Hij, die de Waarheid liefheeft, hij kent noch vrees, noch aarzeling, noch hoogmoed; hij kent wel de zegenende twijfel, die hem steeds weer verzekert dat hetgeen hij gevonden heeft bij lange na nog niet de waarheid is! Vandaar de innerlijke onrust van deze mens, die niettemin gebed ligt in rust. Hier ontmoeten de tegenstellingen elkander en heffen elkander op.

Iemand, die de Waarheid volgt tot aan haar oorsprong, kan zichzelf niet veroorloven te kristalliseren, onverschillig waarin.

Het is niet voldoende om te veronderstellen dat men waarheidslievend is (geen enkele oprechte spiritualist zal de leugen volgen), maar tussen waarheid en leugen liggen ontelbare schakeringen en de oorspronkelijke Waarheid bevindt zich in de samensmelting van de tegengestelden. Zodra innerlijk een gewetensvolle eenheid van de twee tegengestelden wordt gevonden, bevindt de mens zich dicht bij de oorspronkelijke waarheid. Zolang hij nog heen en weer snelt tussen beide, is hij doende van waarheid leugen en van leugen waarheid te maken.

Het schone is dat, ook hier, in de innerlijke stilte de scherpe omlijningen van de tegengestelden wegvallen en het de mens soms lukt een innerlijke eenheid te scheppen, waardoor hij een bovenzinnelijke Waarheidsliefde ervaart. Een soort liefde voor datgene dat zich in hem bevindt of zich in hem voltrekt.

Men kan dat, hoewel natuurlijk een onvolmaakte, liefde tot de waarheid noemen, de waarheid omtrent de grootsheid die men ervaart. Deze ervaring neemt direct daarna de kleur, de vorm of de klank aan van de bewuste mens en zo zal ook deze ontastbare Waarheid in een begrenzing gedwongen worden.

De mens kan niet leven met de abstractie, hij heeft kleuren, klanken en vormen nodig, omdat deze behoren bij zijn levensvoorwaarden en natuurlijke omstandigheden. Elk mens vertaalt zijn ervaring in zijn eigen kleuren, klanken en vormen.

Totdat, na verloop van tijd, ook deze beelden wegvallen, wanneer de mens op de top van zijn levensberg aangekomen is en keuze doet tussen het springen over de afgrond naar het andere Land of terugkeren en opnieuw heen en weer gaan tussen dalen en bergtoppen.

Een spirituele Waarheidslievendheid wordt de mens tot steun en bezieling, wanneer hij onpersoonlijk, onbevooroordeeld, door liefde gedreven zijn intuïtie volgt. Waarheidslievendheid kan hem dan een kennis verstrekken, die ver uitgaat boven alle aangeleerde kennis en hem inzicht schenken die niet gebonden is aan geschreven wetten. Elk gnostiek mens behoort Waarheidslievend te zijn en gedreven te worden door die liefde; stilstand, de grote vijand van iedere spiritualist, zal hem dan vreemd zijn.

Het wonderbaarlijke is dat elke gave de mens dichter brengt bij de alomvattendheid van het waarachtige mens-zijn.

Waarheidslievendheid staat de mens nooit toe beneden zijn spirituele waardigheid te leven en deze waardigheid wordt altijd gecompleteerd door de zwijgzaamheid, een begrip dat ook dikwijls verkeerd wordt uitgelegd.

Zwijgzaamheid heeft altijd betrekking op de dingen, die niet gezegd mogen worden.

Van wie mag dat niet?  Van de spirituele mens zelf.

Zwijgzaamheid groeit met de spiritualiteit mede. Iemand, die door een verbod het zwijgen moet worden opgelegd, bewijst daarmede zijn eigen onkunde en tevens de onkunde van zijn verbieder.

Zwijgzaamheid is iets anders dan innerlijke stilte, het staat gelijk met het 'geen paarlen voor de zwijnen gooien'.

Als zodanig wordt zwijgzaamheid dikwijls een bedreiging in de handen van de betweters en een bron van misvatting in het denken van de zoekers. Zwijgzaamheid heeft niets te maken met geheimzinnigheid. Het geheim beschermt zichzelf. De geest beschermt de geest. 

Zwijgen is slechts een eerbetoon aan die geest.

Iemand, die zichzelf moet dwingen te zwijgen over bepaalde dingen, bewijst geen innerlijke eerbied te bezitten voor de betreffende dingen. Eerbied en zwijgen zijn één. 

Men kan iemand of iets huldigen door een eerbiedig zwijgen.

Achter de woorden van sommigen proeft men de eerbied van de zwijgzaamheid over de aanrakingen van de geest.

Deze zwijgzaamheid vervult de mens van een diepte en geeft zijn woorden juist die vibratie, die hen waarachtig maakt. Vanuit deze zwijgzaamheid bereiken de gelijken elkander. De gelijken in dit zwijgen herkennen deze zwijgzaamheid in de ander en zo staan zij beiden in eerbied voor de geest.

Iemand, die zegt: « Ik had mijn tong wel willen afbijten, maar ik heb het toch gezegd ….. » doet niets anders dan zijn instinctieve menselijkheid volgen. Een spiritueel bezield mens zal nooit zondigen tegen de geestelijke wet van het zwijgen. Wat hij ook zeggen moge, alle betogen, alle woorden, alle verhalen rangschikken zich om de drager van alles: het zwijgen.

Heel vaak wordt deze mens zelfs tegen zijn onvolkomenheid beschermd, doordat de geest niet door zijn woorden is te omheinen. Al zou hij in een impulsieve menselijke drang, deze geest aan anderen willen overreiken, het gelukt hem niet, slechts het zwijgen vergezelt zijn woorden en toont de toehoorder de diepte van het ongrijpbare.

Een waarachtig spiritueel mens kan de geest niet beschadigen, omdat zijn bedoelen oprecht en waarheidslievend is.

De zwijgzaamheid is evenzeer een edele gave, als alle andere punten, en hij, die weet te zwijgen en toch spreekt tegen zijn naasten, hij is, evenzeer als bij het vorige punt, in staat het wonder van de eenheid der tegengestellingen te bewerkstelligen.

Hoe men het ook bekijkt, vanuit welke gezichtshoek men de zestien punten ook benadert, zij brengen alle een wonderbaarlijke ervaring in de mens, die hem boven zichzelf uittilt en die hem totaal losrukt van alle horizontale streven. Hoewel hij nooit onverschillig wordt voor de bewogenheden binnen de natuur.

Doch deze gaven raken hem aan vanuit een ander Levensveld en doen hem daarom beseffen, dat hij op weg is naar een totaal ander Land, dat niettemin eens zijn Vaderland was.

Gezegend zij die de Waarheid omtrent hun oorspronkelijke afkomst liefhebben, want zij zullen hier op deze wereld 'geen rust' vinden en zo de woorden van de oude alchemisten aan den lijve ondervinden.

In het Grote Zwijgen waarbinnen de Geest zijn vleugelen kan uitslaan, betoont de ziel haar eerbied aan de Geest.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene