31 - Gerechtigheid — Waarheidslievend — Zwijgzaamheid

De dwaas doet wat hij niet laten kan, de wijze laat wat hij niet doen kan.


De zestien punten van de ware Zoeker komen veelal over als overbodige vermaningen tot de spirituele mens.

Helaas zijn elk van de punten echter dermate ontwricht door misvattingen en suggestieve meningen, dat de werkelijke betekenis van de zestien gaven op de achtergrond zijn gedrongen.

Niemand kan zichzelf tot een beter mens promoveren door zichzelf uur na uur te forceren anders te zijn dan zijn bewustzijn en hart hem ingeven. En als dit gebeurt maakt iedereen een karikatuur van zichzelf en de school des levens wordt niets anders dan een toneelschool.

Vrijwel alle methodieken, die heden ten dage zo veelvuldig over de hoofden van de mens worden uitgestort, gaan van de gedachte uit, dat de mens, met of zonder hulp van een hogere macht, in staat is meer van zichzelf te maken dan hij vermoedt.

De idee dat de mens in spiritueel opzicht onderontwikkeld is, is dus niet zo'n vreemde veronderstelling. Iedereen, die serieus getracht heeft, of nog tracht, met behulp van bezinning tot dieper inzicht en zelfkennis te komen, zal kunnen beamen dat hij onontgonnen gebieden in zijn innerlijk blootlegt en daardoor tot de meest verrassende ontdekkingen komt.

Indien deze inkeer algemeen werd gepractiseerd, zouden er heel wat takken van wetenschap overbodig en diverse wetenschaps-beoefenaars werkeloos worden.

De astrosofie raakt aan het gebied van de psychosofie en de cosmosofie; men kan de mens niet losdenken van zijn omgeving, noch kan men de ziel losmaken van het lichaam of het organisme losdenken van de psyche van de mens. 

Spirituele ontplooiing loopt altijd samen met organische, astrosofische- en zieleontwikkeling. Lichaam en ziel zijn nauw met elkaar verbonden. Geluk, gezondheid en innerlijke vrede zijn het gevolg van een lichaams- en zieleharmonie. Uit deze harmonische samenwerking komen als vanzelfsprekend de zestien punten voor de ware Zoeker voort, want een ware Zoeker is niemand anders dan een universeel, autonoom denkend en handelend gnostiek mens. 

De oprecht levende, waarachtig chresto-centrische mens zal deze gaven eveneens bezitten.

De naam Zoeker is slechts een aanduiding voor de eenheid: lichaam, ziel en geest, waaruit de universele harmonie voortkomt. De zestien punten zijn daarom niet specifiek het bezit van de Ware Zoeker, maar wel van de autonome, spirituele, universeel denkende mens.

Deze mens belijdt de Gerechtigheid, in tegenstelling tot de wetenschapsmens, die zich oriënteert in de gerechtigheid of het vaardig zijn met het recht.

Gerechtigheid is een eigenschap, die vooral door vuurtypen wordt nagestreefd, omdat gerechtigheid een uiting is van warmte.

Het is echter zeer moeilijk voor de nog niet tot innerlijke harmonie gekomen mens, om deze gerechtigheid in zijn volle diepte te herkennen, want gerechtigheid is het evenwicht tussen liefde en onbevooroordeeldheid. Daarom is het eerste punt het geduld zulk een beslissende stap in de geestelijke ontplooiing; niet voor niets verwijzen alle alchemisten naar de waarde van het geduld.

Om tot de volgende gaven te kunnen komen, moet men het geduld bezitten om inzicht te verkrijgen en inzicht leidt de mens naar de achtergrond van de uiterlijke leringen, dus ook van de aanduiding en het woord.

Interpretaties verdeelden de oorspronkelijke eenheid in denken in velerlei opvattingen en gedachtenbrokstukken; vanuit die interpretaties is het moeilijk om tot die eenheid terug te keren.

De stilte, die de schoot van het geduld is, kan de mens voeren tot de verborgen werking en de geestelijke kracht achter leringen en vormen. Om tot de verborgen kracht van de zestien punten te komen, zal men eerst de stilte moeten betrachten, de inkeer praktiseren en vooral de lichtende denkkracht beoefenen.

Zodra het denken licht (in de zin van inspiratie) bemerkt men dat de zestien punten bladeren zijn van een volmaakte harmonische bloem.

De gerechtigheid gebiedt de mens al deze bladeren samen te voegen, opdat de oorspronkelijke schoonheid van deze bloem in ere hersteld zal worden. De gerechtigheid dwingt de mens te handelen naar zijn geweten en het geweten is gerechtig tegenover zijn naasten en alle uitdrukkingsvormen die het ontmoet.

Een gewetensvol mens is altijd gerechtig. Zelfs als hijzelf daaronder schijnbaar schade zou lijden, zal hij toch de stem van zijn geweten volgen om de gerechtigheid te voltrekken, zijnde een gave van de oorspronkelijke ziel. Gerechtigheid houdt geen rekening met voor- of nadelen, maar is nimmer wondend, zoals velen veronderstellen van de waarheid. Geen van deze gaven verwonden een ziel, hoogstens attaqueren zij onwillekeurig het ego, maar dat gaat buiten de wens van de mens om.

Niemand heeft het recht zijn naasten aan te vallen op basis van een hoogmoedige betweterij. Gerechtigheid kan pas uitgedragen worden, wanneer de mens de edele kunst van de onbevooroordeeldheid meester geworden is.

In de maatschappij bestaat geen gerechtigheid, zelden is een mens gerechtig tegenover zijn naasten, er spelen altijd wel flarden van hoofdzonden mede, die een edele gave deformeren.

De mensen, die zich het meeste aan de ongerechtigheid ergeren zijn vooral de vuurtypen. Zij, die zich zo moeilijk terug kunnen trekken uit een bewogenheid en die zichzelf moeten beheersen om niet partij te worden in een strijd of op te komen voor een underdog. De emotionele mens is echter zelden of nooit gerechtig. De intellectuele mens kan rechtvaardig zijn en wondt daardoor dikwijls.

« God is gerechtig » staat er geschreven. Gerechtigheid houdt geen rekening met de tijd, noch met de wensen der mensen, noch met de logica. De gerechtigheid Gods voorzag de mens van een ziel, van een ingeboren geweten en intuïtie en stelde hem in staat op te klimmen tot de gerechtigheid der goden.

Dat de mens zijn mogelijkheden vergooide, heeft niets te maken met de gerechtigheid Gods. Zelfs de, voor menselijke begrippen onvoorstelbare, autonome vrijheid, die de mens oorspronkelijk medekreeg, is een bewijs van de gerechtigheid Gods.

Er werd geen rekening gehouden met de eventuele gevolgen.

De mens leert te denken over de gevolgen en leert mogelijke misslagen in te calculeren. De gerechtigheid is als de ervaringsweg, men ontkomt er niet aan als men praktische lessen gaat volgen, maar ook de onrechtvaardigheid zal dan minder worden, omdat de praktijk inzicht verleent in de relativiteit van de rechtvaardigheid.

Het resultaat is dat de mens geen loze leuzen meer schreeuwt, noch emotioneel geraakt wordt door onrechtvaardigheid.

Onrecht en recht spelen met elkaar als de schalen van een weegschaal, die door een kind bewogen worden. Men kan op hen niet bouwen. Slechts de gerechtigheid volgt zijn eigen weg en bewijst zich aan hen, die inzicht verkregen hebben in de geestelijke wetten. 

Liefde is hun motor, gerechtigheid is hun uitvoerder. Gerechtigheid is zulk een wijze levenservaring, dat de serieuze mens er altijd door tot nadenken komt.

Hij is tevens zulk een milde leraar, dat zijn pijnlijke berispingen gaarne aanvaard worden, omdat de gerechtigheid altijd vergezeld gaat van een — helaas niet altijd herkende — goedheid.

De gerechtigheid kan de mens behoeden voor misstappen en kwellingen en hem dwingen, ondanks zichzelf, zijn ziele-inspiratie te volgen. Een zich verongelijkt gevoelend mens is altijd een kortzichtig mens.

Wanneer men tot zelfkennis komt, zal men ontdekken hoe gerechtig het leven wordt, wanneer men de aanwijzingen van de intuÔtie en geweten volgt en zo dus altijd op een zieleweg belandt.

Geen enkele onthouding maakt de mens gerechtig of brengt hem in het bezit van één van de andere gaven, integendeel, zolang een onthouding gevoeld wordt als een gemis of een plicht, belet hij de ziel tot ontplooiing te komen en maakt de mens disharmonisch.

« Ik onthoud mij van commentaar ….. » zeggen sommigen te pas en te onpas. Hetgeen niets anders beduidt dan dat zij zich niet in het strijdperk willen wagen, hoewel zij beslist een bepaald standpunt huldigen. Onthouding is dikwijls verkapte angst.

De gerechtigheid dwingt de mens zichzelf te bewijzen en zichzelf te beproeven in hoeverre zijn onthoudingen op ware interesseloosheid berusten. Vanzelfsprekend brengt de gerechtigheid de mens zo tot aan de waarheidslievendheid.

Waarheidslievensheid is op zichzelf reeds een beproeving en wordt veelal totaal verkeerd uitgelegd en totaal zinloos beoefend.

Niemand is waarheidslievend wanneer zijn eigen belang, zijn ego, zijn eigenliefde of zijn positie in het gedrang komen.

Waarheidslievend is een mens gaarne tegenover anderen en de maatschappij in situaties waar hij geen schade lijden kan.

Het is begrijpelijk dat waarheidslievendheid een strijd kan doen ontbranden, gezien dat het gaat om de 'liefde tot de waarheid' en juist deze 'waarheid' is de oorzaak geworden van alle chaotische toestanden in religie, maatschappij, humanisme en zelfhandhaving. In de onderlinge verhouding der mensen bestaat er geen andere waarheid dan de eigen waarheid. Men kan nooit verlangen dat een mens verder ziet, dan zijn eigen begrensdheid, waarbinnen zijn waarheid gevangen ligt.

Al die persoonlijke waarheidsuitdrukkingen hebben hun specifieke kleur. Vrijwel elk goed willend en strevend mens leeft uit zijn waarheidskleur. Als hij dat niet zou doen, zou hij het leven van een ander moeten leiden of stupide andermans normen moeten opvolgen. Hetgeen altijd in felle tegenstelling is met de autonome vrijheid en de spirituele ontwikkeling, die de opdracht zijn voor de ziel. Hieruit volgt dat ieder mens zijn eigen waarheid liefheeft. Vooral principiële mensen vergalopperen zich dikwijls in zulk een fanatieke liefde voor hun eigen waarheid, dat zij niet bemerken hoe wondend egocentrisch hun liefde en hun waarheid zijn.

De waarheidslievendheid uit de zestien punten stijgt hier echter bovenuit en betekent niets anders dan liefde bezitten tot de oorspronkelijke wijsheid. De mens die, al is het slechts vaag, zulk een waarheidsliefde gevoelt, zal onvermoeibaar op zoek zijn naar de wortels van die oorspronkelijke waarheid en zichzelf voeden met het sap van die wortels. Deze waarheidsliefde maakt de mens dus evenmin fatalistisch en laks, als de egocentrische waarheidsliefde, die de mens kan opzwepen tot fanatisme.

Waarheidslievende mensen zijn rusteloos; in de hoogste betekenis zijn zij heilbegerig en universeel denkend. Niemand kan zeggen wat de waarheid is en waar deze zich bevindt, zolang men niet de bron van alle Zijn en van alle Niet-Zijn heeft gepeild.

Juist omdat men deze onbegrensde, onnoembare waarheid liefheeft, aarzelt men haar te omschrijven, omdat elk woord, elke aanduiding haar verminken en verlagen tot een persoonlijke waarheid.

Hij, die de Waarheid liefheeft, hij kent noch vrees, noch aarzeling, noch hoogmoed; hij kent wel de zegenende twijfel, die hem steeds weer verzekert dat hetgeen hij gevonden heeft bij lange na nog niet de waarheid is! Vandaar de innerlijke onrust van deze mens, die niettemin gebed ligt in rust. Hier ontmoeten de tegenstellingen elkander en heffen elkander op.

Iemand, die de Waarheid volgt tot aan haar oorsprong, kan zichzelf niet veroorloven te kristalliseren, onverschillig waarin.

Het is niet voldoende om te veronderstellen dat men waarheidslievend is (geen enkele oprechte spiritualist zal de leugen volgen), maar tussen waarheid en leugen liggen ontelbare schakeringen en de oorspronkelijke Waarheid bevindt zich in de samensmelting van de tegengestelden. Zodra innerlijk een gewetensvolle eenheid van de twee tegengestelden wordt gevonden, bevindt de mens zich dicht bij de oorspronkelijke waarheid. Zolang hij nog heen en weer snelt tussen beide, is hij doende van waarheid leugen en van leugen waarheid te maken.

Het schone is dat, ook hier, in de innerlijke stilte de scherpe omlijningen van de tegengestelden wegvallen en het de mens soms lukt een innerlijke eenheid te scheppen, waardoor hij een bovenzinnelijke Waarheidsliefde ervaart. Een soort liefde voor datgene dat zich in hem bevindt of zich in hem voltrekt.

Men kan dat, hoewel natuurlijk een onvolmaakte, liefde tot de waarheid noemen, de waarheid omtrent de grootsheid die men ervaart. Deze ervaring neemt direct daarna de kleur, de vorm of de klank aan van de bewuste mens en zo zal ook deze ontastbare Waarheid in een begrenzing gedwongen worden.

De mens kan niet leven met de abstractie, hij heeft kleuren, klanken en vormen nodig, omdat deze behoren bij zijn levensvoorwaarden en natuurlijke omstandigheden. Elk mens vertaalt zijn ervaring in zijn eigen kleuren, klanken en vormen.

Totdat, na verloop van tijd, ook deze beelden wegvallen, wanneer de mens op de top van zijn levensberg aangekomen is en keuze doet tussen het springen over de afgrond naar het andere Land of terugkeren en opnieuw heen en weer gaan tussen dalen en bergtoppen.

Een spirituele Waarheidslievendheid wordt de mens tot steun en bezieling, wanneer hij onpersoonlijk, onbevooroordeeld, door liefde gedreven zijn intuïtie volgt. Waarheidslievendheid kan hem dan een kennis verstrekken, die ver uitgaat boven alle aangeleerde kennis en hem inzicht schenken die niet gebonden is aan geschreven wetten. Elk gnostiek mens behoort Waarheidslievend te zijn en gedreven te worden door die liefde; stilstand, de grote vijand van iedere spiritualist, zal hem dan vreemd zijn.

Het wonderbaarlijke is dat elke gave de mens dichter brengt bij de alomvattendheid van het waarachtige mens-zijn.

Waarheidslievendheid staat de mens nooit toe beneden zijn spirituele waardigheid te leven en deze waardigheid wordt altijd gecompleteerd door de zwijgzaamheid, een begrip dat ook dikwijls verkeerd wordt uitgelegd.

Zwijgzaamheid heeft altijd betrekking op de dingen, die niet gezegd mogen worden.

Van wie mag dat niet?  Van de spirituele mens zelf.

Zwijgzaamheid groeit met de spiritualiteit mede. Iemand, die door een verbod het zwijgen moet worden opgelegd, bewijst daarmede zijn eigen onkunde en tevens de onkunde van zijn verbieder.

Zwijgzaamheid is iets anders dan innerlijke stilte, het staat gelijk met het 'geen paarlen voor de zwijnen gooien'.

Als zodanig wordt zwijgzaamheid dikwijls een bedreiging in de handen van de betweters en een bron van misvatting in het denken van de zoekers. Zwijgzaamheid heeft niets te maken met geheimzinnigheid. Het geheim beschermt zichzelf. De geest beschermt de geest. 

Zwijgen is slechts een eerbetoon aan die geest.

Iemand, die zichzelf moet dwingen te zwijgen over bepaalde dingen, bewijst geen innerlijke eerbied te bezitten voor de betreffende dingen. Eerbied en zwijgen zijn één. 

Men kan iemand of iets huldigen door een eerbiedig zwijgen.

Achter de woorden van sommigen proeft men de eerbied van de zwijgzaamheid over de aanrakingen van de geest.

Deze zwijgzaamheid vervult de mens van een diepte en geeft zijn woorden juist die vibratie, die hen waarachtig maakt. Vanuit deze zwijgzaamheid bereiken de gelijken elkander. De gelijken in dit zwijgen herkennen deze zwijgzaamheid in de ander en zo staan zij beiden in eerbied voor de geest.

Iemand, die zegt: « Ik had mijn tong wel willen afbijten, maar ik heb het toch gezegd ….. » doet niets anders dan zijn instinctieve menselijkheid volgen. Een spiritueel bezield mens zal nooit zondigen tegen de geestelijke wet van het zwijgen. Wat hij ook zeggen moge, alle betogen, alle woorden, alle verhalen rangschikken zich om de drager van alles: het zwijgen.

Heel vaak wordt deze mens zelfs tegen zijn onvolkomenheid beschermd, doordat de geest niet door zijn woorden is te omheinen. Al zou hij in een impulsieve menselijke drang, deze geest aan anderen willen overreiken, het gelukt hem niet, slechts het zwijgen vergezelt zijn woorden en toont de toehoorder de diepte van het ongrijpbare.

Een waarachtig spiritueel mens kan de geest niet beschadigen, omdat zijn bedoelen oprecht en waarheidslievend is.

De zwijgzaamheid is evenzeer een edele gave, als alle andere punten, en hij, die weet te zwijgen en toch spreekt tegen zijn naasten, hij is, evenzeer als bij het vorige punt, in staat het wonder van de eenheid der tegengestellingen te bewerkstelligen.

Hoe men het ook bekijkt, vanuit welke gezichtshoek men de zestien punten ook benadert, zij brengen alle een wonderbaarlijke ervaring in de mens, die hem boven zichzelf uittilt en die hem totaal losrukt van alle horizontale streven. Hoewel hij nooit onverschillig wordt voor de bewogenheden binnen de natuur.

Doch deze gaven raken hem aan vanuit een ander Levensveld en doen hem daarom beseffen, dat hij op weg is naar een totaal ander Land, dat niettemin eens zijn Vaderland was.

Gezegend zij die de Waarheid omtrent hun oorspronkelijke afkomst liefhebben, want zij zullen hier op deze wereld 'geen rust' vinden en zo de woorden van de oude alchemisten aan den lijve ondervinden.

In het Grote Zwijgen waarbinnen de Geest zijn vleugelen kan uitslaan, betoont de ziel haar eerbied aan de Geest.



1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene