Het leven wordt veelal gericht op een maatschappelijk doel, het kind wordt opgevoed met een maatschappelijke positie voor ogen. Heel het organisme, het karakter, de deugden en de ondeugden, worden gekneed om dit doel te bereiken.

Eerzucht is een emotie, die latent in ieder mens verborgen ligt. Het ene type wekt het gemakkelijker op dan het andere, maar de mens die zonder een sprankje eerzucht zijn levensweg bewandelt is zeldzaam. Eerzucht ligt in het gekend worden, in de zelfbevrediging, in de voldoening en de egostreling.

Alles wat bovenmatig ontwikkeld wordt, neemt een ziekelijke vorm aan. Bovenmatige eerzucht sleept de mens in de golven van een overweldigende emotionele zee.

Doodt eerzucht, zegt de oosterse wijsheid. Maar eerzucht is niet te doden door een methode, zij is slechts te ontleden en kan wegsterven, omdat men haar niet meer voedt. De existentie-angst voedt de eerzucht, omdat eerzucht garant staat voor een zelfhandhaving. De wortels van het natuurlijke zijn liggen mede in de eerzucht.

Een geestelijke weg loopt in het begin gelijk op met een natuurlijke ontwikkelingsweg. Het kind krijgt de gelegenheid om zichzelf te ontplooien, waarbij de emotionele zelfhandhavingsdrift meer dan wel minder wordt opgewekt. 

Niemand kan zeggen: « Ik ben niet eerzuchtig », hoogstens: «  Mijn eerzucht drijft mij niet ».

In de spiritualiteit leidt eerzucht tot een fanatiek streven naar geestelijke voldoening. Het is niet de honger van de ziel, die zulk een mens tot welslagen aanzet, maar het zelfhandhavende ik, dat in de maatschappij te kort kwam, stort zich dan op de spiritualiteit.

De wijze streeft niet meer, noch is hij op een zelfbevrediging uit, hetgeen op velen altijd de indruk maakt, dat een spiritueel mens lauw en passief is. Activiteit brengt het risico mede dat de eerzucht mee gaat spreken, passiviteit roept niets op, maar daardoor wordt de mens evenmin een levend individu, de voorwaarde voor spirituele ontwikkeling.

Het spirituele pad loopt altijd haarscherp langs de risico's van het falen en de zelfvernietiging. De wijzen waarschuwen niet voor niets tegen alle begoochelingen en passies, tegen zelfbedrog en schijnmethoden. De passieve mens ontmoet niets, hij slaapt, zoals de onzelfstandige mens sluimert in de wachtkamer van zijn autoritaire leider.

Men ontmoet Maya in al zijn facetten, zodra men actief is, dan worden het niet-strijden, het niet-doen, het niet-reageren, waarbij eerzuchtloosheid belangrijk wordt, plotseling actueel.

Passieve mensen en actieve mensen begrijpen elkander niet, omdat zij in verschillende werelden leven en de passieve mens meent dat hij geestelijk is, omdat hij geen van de bekende misleidingen ontmoet, terwijl de actieve mens alle fantomen van het verzet tegen zich ziet optreden. Elke actie ontmoet reactie; dat is geen reden om niets te beginnen. Het zoeken en binnengaan van de innerlijke stilte voltrekt zich na het overwinnen van alle vormen van strijd.  Nooit eerder!

Een natuurlijk, gezond ego kent eerzucht. 

Het zichzelf herkennen en daardoor zijn tegenstanders onderkennen is het begin van eerzuchtloosheid.

Niemand slaagt zonder een zekere mate van eerzucht, zegt de mens, d.w.z., niemand bereikt het beoogde resultaat zonder zeer geconcentreerd, met heel zijn wezen, gericht te zijn op een doel.

In de spiritualiteit is dat ook zo, niets geschiedt zonder inspanning en concentratie. De oorsprong verschilt echter. 

Het Goede Begin is maatstaf voor het onderscheid tussen egostreven en zielewens. Zodra het ego gemengd wordt in het spirituele streven, gaat eerzucht medespreken

Men kan natuurlijk nooit beginnen van buitenaf de zestien deugden te verwerkelijken, men kan hen niet in de mens brengen, zij zijn latent aanwezig. 

Het gaat er slechts om: worden zij opgewekt?

De innerlijke mens of ziel laat de ondeugden verklinken, langzaam wegebben, maar allereerst moet ieder zichzelf realiseren in hoeverre de innerlijke mens levend is of kan worden.

Het ego kan dit niet oproepen. Voor die aanwezigheid is een wisselwerking noodzakelijk tussen ego en oerherinnering, innerlijke gevoeligheid en redelijkheid van het ik.

Passieve overgave aan iets maakt de mens levenloos, niet deugdzaam. Men roeit geen ego-karakteristieken uit door hen te ontkennen of op te zouten. Innerlijke schoonmaak is zelf-herkenning en daarna actieve arbeid.

De mens wordt altijd in een dwangpositie gebracht, wanneer hij meent dat hij reeds iets bereikt heeft in spiritueel opzicht.

Er wordt hem een spiegel voorgehouden en juist in zulk een situatie kan men bemerken wat er nog in de pelgrim aan emotionele zelfhandhaving aanwezig is. Een passief mens ontmoet nooit zulk een situatie, elkeen zendt zijn eigen signaal uit in de ruimte en als reactie snellen de situaties op hem toe.

Het leven van een spiritueel actief mens is nooit eentonig: wanneer de geest bemoeienis met de mens houdt, komt de tegenkracht in verzet. Wanneer de dertiende, de geest, de zodiakale twaalfvoudigheid binnenbreekt, komt deze in opstand.

Rust en evenwicht is geheel wat anders dan eentonigheid. Rust moet verworven worden, evenwicht temidden van een strijdperk is bepalend voor het verloop van de strijd.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene