30 - Geen eerzucht — gelijkmatigheid — onbevooroordeeld

Wie zijn hart voor eerzucht opent, sluit het voor de rust.


Zelfkennis is een eerste vereiste op weg naar de geestelijke hoogten, zoals alle wijzen en boodschappers vertellen.

Het instrument moet door en door gekend zijn, om te weten wat men ermede kan aanvangen. Het is vanzelfsprekend dat het geen zin heeft zichzelf zijn tekortkomingen te verwijten, maar het heeft wel zin reparaties te verrichten, zodat het innerlijke geluid schoner naar buiten zal komen.

Men bereikt de innerlijke mens door de uiterlijke mens heen, hij is het kleed dat afgeworpen moet worden. Hoe kan men een kleed afwerpen als men niet weet waar de sluiting zit?

Het leven wordt veelal gericht op een maatschappelijk doel, het kind wordt opgevoed met een maatschappelijke positie voor ogen. Heel het organisme, het karakter, de deugden en de ondeugden, worden gekneed om dit doel te bereiken.

Eerzucht is een emotie, die latent in ieder mens verborgen ligt. Het ene type wekt het gemakkelijker op dan het andere, maar de mens die zonder een sprankje eerzucht zijn levensweg bewandelt is zeldzaam. Eerzucht ligt in het gekend worden, in de zelfbevrediging, in de voldoening en de egostreling.

Alles wat bovenmatig ontwikkeld wordt, neemt een ziekelijke vorm aan. Bovenmatige eerzucht sleept de mens in de golven van een overweldigende emotionele zee.

Doodt eerzucht, zegt de oosterse wijsheid. Maar eerzucht is niet te doden door een methode, zij is slechts te ontleden en kan wegsterven, omdat men haar niet meer voedt. De existentie-angst voedt de eerzucht, omdat eerzucht garant staat voor een zelfhandhaving. De wortels van het natuurlijke zijn liggen mede in de eerzucht.

Een geestelijke weg loopt in het begin gelijk op met een natuurlijke ontwikkelingsweg. Het kind krijgt de gelegenheid om zichzelf te ontplooien, waarbij de emotionele zelfhandhavingsdrift meer dan wel minder wordt opgewekt. 

Niemand kan zeggen: « Ik ben niet eerzuchtig », hoogstens: «  Mijn eerzucht drijft mij niet ».

In de spiritualiteit leidt eerzucht tot een fanatiek streven naar geestelijke voldoening. Het is niet de honger van de ziel, die zulk een mens tot welslagen aanzet, maar het zelfhandhavende ik, dat in de maatschappij te kort kwam, stort zich dan op de spiritualiteit.

De wijze streeft niet meer, noch is hij op een zelfbevrediging uit, hetgeen op velen altijd de indruk maakt, dat een spiritueel mens lauw en passief is. Activiteit brengt het risico mede dat de eerzucht mee gaat spreken, passiviteit roept niets op, maar daardoor wordt de mens evenmin een levend individu, de voorwaarde voor spirituele ontwikkeling.

Het spirituele pad loopt altijd haarscherp langs de risico's van het falen en de zelfvernietiging. De wijzen waarschuwen niet voor niets tegen alle begoochelingen en passies, tegen zelfbedrog en schijnmethoden. De passieve mens ontmoet niets, hij slaapt, zoals de onzelfstandige mens sluimert in de wachtkamer van zijn autoritaire leider.

Men ontmoet Maya in al zijn facetten, zodra men actief is, dan worden het niet-strijden, het niet-doen, het niet-reageren, waarbij eerzuchtloosheid belangrijk wordt, plotseling actueel.

Passieve mensen en actieve mensen begrijpen elkander niet, omdat zij in verschillende werelden leven en de passieve mens meent dat hij geestelijk is, omdat hij geen van de bekende misleidingen ontmoet, terwijl de actieve mens alle fantomen van het verzet tegen zich ziet optreden. Elke actie ontmoet reactie; dat is geen reden om niets te beginnen. Het zoeken en binnengaan van de innerlijke stilte voltrekt zich na het overwinnen van alle vormen van strijd.  Nooit eerder!

Een natuurlijk, gezond ego kent eerzucht. 

Het zichzelf herkennen en daardoor zijn tegenstanders onderkennen is het begin van eerzuchtloosheid.

Niemand slaagt zonder een zekere mate van eerzucht, zegt de mens, d.w.z., niemand bereikt het beoogde resultaat zonder zeer geconcentreerd, met heel zijn wezen, gericht te zijn op een doel.

In de spiritualiteit is dat ook zo, niets geschiedt zonder inspanning en concentratie. De oorsprong verschilt echter. 

Het Goede Begin is maatstaf voor het onderscheid tussen egostreven en zielewens. Zodra het ego gemengd wordt in het spirituele streven, gaat eerzucht medespreken

Men kan natuurlijk nooit beginnen van buitenaf de zestien deugden te verwerkelijken, men kan hen niet in de mens brengen, zij zijn latent aanwezig. 

Het gaat er slechts om: worden zij opgewekt?

De innerlijke mens of ziel laat de ondeugden verklinken, langzaam wegebben, maar allereerst moet ieder zichzelf realiseren in hoeverre de innerlijke mens levend is of kan worden.

Het ego kan dit niet oproepen. Voor die aanwezigheid is een wisselwerking noodzakelijk tussen ego en oerherinnering, innerlijke gevoeligheid en redelijkheid van het ik.

Passieve overgave aan iets maakt de mens levenloos, niet deugdzaam. Men roeit geen ego-karakteristieken uit door hen te ontkennen of op te zouten. Innerlijke schoonmaak is zelf-herkenning en daarna actieve arbeid.

De mens wordt altijd in een dwangpositie gebracht, wanneer hij meent dat hij reeds iets bereikt heeft in spiritueel opzicht.

Er wordt hem een spiegel voorgehouden en juist in zulk een situatie kan men bemerken wat er nog in de pelgrim aan emotionele zelfhandhaving aanwezig is. Een passief mens ontmoet nooit zulk een situatie, elkeen zendt zijn eigen signaal uit in de ruimte en als reactie snellen de situaties op hem toe.

Het leven van een spiritueel actief mens is nooit eentonig: wanneer de geest bemoeienis met de mens houdt, komt de tegenkracht in verzet. Wanneer de dertiende, de geest, de zodiakale twaalfvoudigheid binnenbreekt, komt deze in opstand.

Rust en evenwicht is geheel wat anders dan eentonigheid. Rust moet verworven worden, evenwicht temidden van een strijdperk is bepalend voor het verloop van de strijd.

Daarom is gelijkmatigheid, als één van de andere zestien punten, niet hetzelfde als ongeïnteresseerdheid en onverschilligheid.

Uit gelijkmatigheid groeit een evenwichtig ego, het is een evenwicht tussen emotie en denken, wat moeilijk te verkrijgen is, want de mens heeft dit niet in de hand, omdat gelijkmatigheid is een gevolg van een innerlijke standvastigheid.

Het onderkennen van geestelijke waarden en daarmede intensief verbonden zijn, maakt de mens gelijkmatig, onverschillig de omstandigheden.

Zoals altijd heeft het ene type meer feeling met een punt dan het andere type, maar in werkelijkheid is nog altijd de opgave: evenwicht tussen de vier elementen, vuur, water, lucht en aarde, juist wanneer de ether, het vijfde element onrust tracht te brengen.  Zij vervult de opdracht van de dertiende en beproeft de mens.

Zoekende mensen, als spiritueel gerichten, komen dagelijks in contact met de ether en dat heeft op ieder type een andere uitwerking. Zulk een aanraking rukt de mens uit zijn passiviteit en ook uit zijn gelijkmatigheid; het dwingt hem stelling te nemen en dat is dan het begin van alle beroering.

Ketterij is het begin van bewogenheid, waarna een reeks van innerlijke activiteiten volgt, tot tenslotte de mens beseft terug te moeten keren tot de gelijkmatigheid. Overal vindt men analogieën tussen het natuurlijke leven en het geestelijke leven. De ziel moest vallen om te beseffen, dat haar oorspronkelijke veld haar werkelijke tehuis was. De mens moet allereerst uitbreken, alvorens te ontdekken dat hij zijn innerlijke vrede en gelijkmatigheid moet terug verkrijgen. Daarom ontmoeten  onzelfstandige mensen en ketterse individuen elkander nooit in spiritueel opzicht, de eerste mist de ziele-ervaring van de andere.

De tevreden exotericus kent noch de onrust, noch de diepte van de gelijkmatigheid van de gevorderde esotericus. Men wordt in de woelige baren van de innerlijke beroering gestort en moet dan proberen opnieuw grond onder de voeten te krijgen, terwijl men de eens verlaten kust afwijst.

Het is toch logisch dat daardoor een innerlijke strijd, met gebeden, met wanhoopskreten en bittere ervaringen ontstaat?

Hij, die dit ontkent, kent de innerlijke bewogenheid van de ketter niet! De intensieve bezieling, dat innerlijke weten, die hem positief de oude zekerheden deden verlaten. Dan pas begint het Pad, dan komt men terecht in de werkelijkheid van de etherische bemoeienis, die onvoorziene omstandigheden en aanzichten medebrengt. Alles wordt deze mens uit handen geslagen, totdat hij zichzelf durft te verlaten op zijn innerlijke schat, zijn enige reddingsboei.

Wordt hem niet alles uit handen geslagen, dan is dat een bewijs dat de innerlijke boei nog niet voldoende aanwezig is. Hij, die volkomen alleen komt te staan, bezit innerlijke kracht en hij wordt daarmede in kennis gebracht, zodat hem een nieuwe, onvergankelijke zekerheid wordt getoond. Uit deze zekerheid, bevochten en beleden, komt dan de gelijkmatigheid voort: Het is goed zoals het gaat. Een regel, die de beginnende ketter haat, die de eerzuchtige emotionele mens verafschuwt, maar die slechts de tot in zijn ziel beproefde pelgrim begrijpt.

Hij kan de onderstromen aan zich voorbij laten gaan en herkent de wispelturigheid van de chaos, waarin hij terechtkwam.

Het gaat dus weer om die overgave, die vrijwel altijd verkeerd wordt begrepen. Zich overgeven kan men pas na alles te kennen, alles te hebben doorstaan, alles te hebben beproefd, hetzij nu, hetzij in vorige levens.

« Wijsheid komt na diepe ervaringen », zegt de alchemist.

Elk type gaat zijn eigen weg en vindt zijn eigen oplossing om de gelijkmatigheid, het evenwicht tussen de vier pijlers te bewerken, ondanks de onrust die de ether of de geest daarin teweegbrengt.

Iedereen ontdekt zijn eigen formule, omdat geen mens gelijk is.

Eerzucht is een passie van de lucht of het water, van het vuur of de aarde en uit zich daarom verschillend:

emotioneel — intellectueel — driftig — fanatiek — of stug doorzettend, zekerheid bouwend.

Daarom is het onderkennen daarvan een zeer individuele zaak en het komen tot evenwicht eveneens. Juist het specifieke eigen element, afhankelijk van het type van de mens, is zo moeilijk te beheersen.

Niemand kan daarom zijn naaste beoordelen of veroordelen, men kent zijn materiaal niet, noch zijn spelsituatie.

Het volgende punt: onbevooroordeeld zijn, is daarom veelal een vlucht voor het eigen zelf.

Zich bezig houden met anderen wil altijd zeggen, zijn eigen situatie verlaten, negeren of soms volmaakt achten. Iedereen weet dat elke gedachte op de mens terugslaat, evenals elke emotie. Iemand, die snel, instinctief oordeelt, uitsluitend op een impressie, sluit zichzelf op in een standpunt, stelt zich op in de eigen mening. Gelijkmatigheid betekent eveneens: wees bereid de eigen mening te verlaten. Wees bereid onjuiste conclusies te erkennen, meer nog, deze te herstellen. Bevooroordeeld zijn is een deur dichtwerpen en door een minimaal klein venstertje de omgeving onderzoeken en beoordelen.

Wees open, maar bescherm het hart; wees bereid alles te ontmoeten, maar blijf jezelf.  Zichzelf zijn wil zeggen: de innerlijke mens aanwezig houden om hem te laten beoordelen, te laten strijden, te laten vergeven.

De mens is in zijn leven beladen met ontelbare vooroordelen, die men stuk voor stuk opnieuw moet aftasten en veelal wegwerpen.

Een vooroordeel berust altijd op een gebrekkige kennis of op een weerstand: het niet willen aanvaarden van het mogelijk juiste, uit vrees voor aantasting van het zelf.

Zichzelf worden is tevens: uit zijn opgelegde vooroordelen te voorschijn komen om alles wat men meent te weten aan de werkelijkheid te toetsen. Dat geeft vaak verrassingen.

Dan wordt de mens meer en meer zichzelf, degene die hij wezenlijk zijn wil. Men kan niet over het vervaardigen van een schilderij oordelen, als men het eerst niet zelf heeft beproefd.

Dat is tevens de activiteit die bedoeld werd in het begin van dit hoofdstuk: iedereen moet zich ervan overtuigen dat het juist is wat men aangeleerd heeft; alles wat men verzameld heeft moet in de praktijk worden getoetst. De praktijk van het leven is de leerschool voor de spirituele mens en die praktijk moet men zelf ondergaan. De spirituele weg is geen scholing, geen aangeleerde kunst, hij is de praktijk, die men binnengaat op basis van innerlijke voorbereiding en hoe beter die voorbereiding, des te intensiever de praktijk wordt.

Hoe meer men innerlijk ontdekt of vrijmaakt, des te zwaarder de levensopgaven worden. Dat is in werkelijkheid progressie, inwijding, bevordering.

Men geeft zelf het signaal wanneer men verder kan gaan.

In alle opzichten is de mens autonoom. Levenslessen gaan voort totdat men ze begrepen heeft. Elke doorleefde lering is een stuk levenspraktijk geworden, waaruit wijsheid groeit.

Eerzuchtloosheid — gelijkmatigheid — onbevooroordeeldheid — drie gaven die voortkomen uit harde, intensieve innerlijke ervaringen van de autonome mens. Zijn zij eenmaal verworven, dan kan geen enkele omstandigheid deze verworvenheden uitwissen.

Niemand kan zeggen: « Ik ben dit of dat ….. » of: « Ik heb dit of dat ….. ». De omstandigheid bewijst wie men is en wat men bezit. Daaruit moet men zijn conclusies trekken, daaruit wordt men milder tegenover zijn naasten en bemerkt men dikwijls dat de geest, die men zoekt, zich binnen het directe bereik bevindt, want men beschermt en bewaart hem, juist wanneer de zwaarste beproevingen komen.

Zoek daarom niet veraf hetgeen zich binnen het bereik bevindt.

Hij, die klopt en roept, krijgt antwoord. Deze relatie is de voorwaarde voor en het bewijs van een autonome levensweg.

De tegen de algemeen aanvaarde spirituele normen in opstand komende mens, wordt een ketter en zulk één vraagt om weerstand, totdat hij bemerkt binnen te komen in een ander levensgebied, een ander landschap. Zodra hij dat ontdekt heeft, wil hij opnieuw uitbreken, de waarheid achter de volgende bergen zoeken.

Er is geen einde, er is slechts een Goed Begin, dat het Goede Einde reeds in zich sluit.

Begin en Einde vormen één geheel, een eeuwigheid, een voortdurende wisselwerking tussen individuele geestziel en universele geest. 

Er is geen doel, er is slechts het ZIJN.

In deze overtuiging kunnen al het fanatieke streven, alle gezucht en gesteun, alle twijfels vervallen. Het geeft die wijdse innerlijke rust, waarin de ziel zich koestert in de bescherming van het Meer der Heerlijkheid, wiens golven haar Thuis voeren.


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene