29 - Eenvoud en verdraagzaamheid

Diep door het waaien van alle veranderingen rustig Gods oog zien.


De eenvoud des harten is een gave der wijzen; iedereen verstaat het begrip eenvoud anders. Maar niet voor niets zegt het woord: slechts de waarachtige wijze durft eenvoudig te zijn.

Eenvoud is geen simpliciteit of domheid, het is hetzelfde als de waarachtigheid der geestelijke adeldom.

Slechts de aangeleerde kennis verdraagt geen eenvoud, omdat zij dikwijls de innerlijke onwetendheid van de mens bedekt.

Daarom: hij, die eerstehands kennis bezit, durft eenvoudig te zijn, omdat hij geen sier van node heeft om adeldom of kennis te suggereren. Eenvoud komt nooit van buitenaf, maar altijd van binnenuit. Het ontsluiten van de geestelijke diepten in zichzelf verandert de mens, maar dan moet hij natuurlijk wel innerlijke waarde bezitten.

Als de Katharen zeiden: « De Diepe Vrede kome over u », dan was dat een bede voor innerlijke harmonie. Uit innerlijke harmonie komen natuurlijk alle edele gaven te voorschijn, maar deze harmonie is juist het moeilijkste te bereiken.

Iedere alchemist werd allereerst bepaald bij de harmonie van het ego, daarna tussen ego en ziel en tenslotte tussen ziel en geest.

Alle alchemisten waarschuwen ervoor, dat zonder inspanning niets te bereiken is. De adeldom van de eenvoud komt natuurlijk uit een harmonie tussen ego en ziel. Maar de eenvoud wordt verdiept door de aanraking tussen ziel en geest.

De geest benadert de eenvoudige van hart en dat heeft niets te maken met ontwikkeling, uiterlijke positie of type. Een, voor het oog eenvoudig mens, kan zeer gecompliceerd zijn als wezen.

Weerstand tegen de geest, innerlijke tegenstrijdigheid weer-houden het hart van de eenvoud. Men kan zelf nagaan dat deze eenvoud en zelfs de innerlijke harmonie het ene type gemakkelijker bereiken dan het andere.

Intellectuele kennis is vaak ballast, hoewel er mensen zijn die zelfs deze ballast kunnen afwerpen en tot eenvoud komen, terwijl niet-intellectuele typen dikwijls geremd worden door hun slaafse afhankelijkheid.

Het denken maakt de mens vrij, in het denken huizen God en de duivel, in het geestelijke denken ligt de Geest of God, dit zijn uitspraken van wijzen.

Zichzelf geestelijk ontwikkelen, een innerlijke diepte en het blootleggen van de kern der spiritualiteit zijn een ieder gegeven, die bereid is zich daarvoor moeite te getroosten. De disharmonie tussen goed en kwaad, negatief en positief, maakt de mens tot een gecompliceerd wezen. Men is dan niet slechts verwardt door de gedragingen van anderen, maar tevens door die van zichzelf.

Het bezig zijn met de spirituele dingen kan op velerlei manieren worden opgevat. Vele manieren veranderen het hart niet, zij vullen slechts het hoofd. De richting des harten veranderen is slechts mogelijk wanneer het hart zich overgeeft aan ziel en geest, in alle eenvoud, zonder bedenkingen, eenvoudig omdat het een hartewens is.

Het heilige begeren van het hart verandert ieder mens. Iemand verandert nooit door aangeleerde lessen, maar altijd door de wens van zijn hart. Alle andere levenshoudingen, die van buitenaf komen, zijn tijdelijk en opgelegd. Er zijn typen, die zich gaarne een houding aanmeten, dat is hun aard, maar er zijn anderen, die zich nooit een houding kunnen aanmeten, omdat dit tegen hun aard ingaat. De laatsten zijn in wezen reeds eenvoudig, d.w.z. levende vanuit hun hart en dit kan zowel in slechte zin, als in goede zin zijn, afhankelijk van de staat des harten.

De edele eenvoud blijft bestaan door alle beproevingen en omstandigheden heen. Zij is nooit weg te wissen door uiterlijke weelde of uiterlijke gewichtigheid, integendeel, zij verandert weelde in rijkdom, terwille van de anderen en gewichtigheid in dienstbaarheid aan anderen.

Zo is het ook met de verdraagzaamheid: zij komt voort uit een innerlijke harmonie en tevens uit een begrip voor anderen.

Hij, die zichzelf niet kent, begrijpt tevens zijn medemensen niet.

Hoe meer directe kennis, Gnosis, de mens verkrijgt, des te verdraagzamer wordt hij, niet afhankelijk en slaafs, maar begrijpend. De kern ligt altijd bij de individuele innerlijke spirituele adeldom; iedereen bewijst zich vanuit zijn innerlijke staat. Datgene waarover hij praat, datgene wat hem boeit, is het resultaat van zijn innerlijke staat.

Men kan elkaar nooit veranderen in betere mensen, de mens is een vrij wezen en iedereen is vrij om zich geestelijk te ontplooien of niet. Degenen, die innerlijk doende zijn met geestelijke dingen veranderen als mens, dat is bewijsbaar.

Maar ook zij, die uiterlijk schone woorden spreken, maar innerlijk met onwaardige dingen bezig zijn, veranderen zichzelf.

Juist de vrije spirituele ontwikkeling voert de mens tot aan zijn ware zelf. Men kan dat om zich heen zien, in een groep, in de naasten; dogmatische bewegingen remmen de ontwikkeling.

Men kan de geest nooit dwingen om tot de mens te komen, maar men moet zichzelf wel waardig maken om die geest te kunnen ontvangen Als hij komt. Men maakt het huis in orde voordat de gast komt, zo maakt men ook zichzelf harmonisch en rein of eenvoudig om de geest te kunnen ontvangen.

Innerlijke rust maakt verdraagzaam, maar innerlijke rust is het gevolg van een inspanning, nooit van een zich mede laten drijven op de golven van de levenszee. Het is een bekend feit, dat degenen die innerlijk waarlijk met het geestelijke doende zijn, beproefd worden. Dan trekken de kwade krachten tegen hen op.

Men kan dat in alle literatuur der wijzen lezen.

Kwade krachten zijn direct aanwezig, zodra ergens het Licht gaat stralen. Zodra het de pelgrim gelukt iets van de innerlijke Vrede te verkrijgen, komen de kwade krachten om hem te tarten en men bewijst zich nooit tijdens rustige omstandigheden, maar altijd tijdens kwade omstandigheden. Dan moet de mens bewijzen of zijn innerlijke Meer der Heerlijkheid niet te verstoren is, dan wordt zijn verdraagzaamheid beproefd.

Kan hij de kwade krachten dragen en hen afvoeren via zijn eigen rustige innerlijke meer? Zoals in de symboliek het hert water drinkt en daarna de draak verslaat, door middel van zijn innerlijke kracht uit de reinheid der wateren, zo kan de mens zich verheffen boven het kwade en het laten wegdrijven. Elke beroering maakt zijn innerlijke meer troebel.

Niemand, die enigszins spiritueel arbeidt, mag echter veronderstellen, hoezeer hij dat ook hoopt, dat hij met rust gelaten zal worden, dat de kwade krachten hem voorbijgaan!

Integendeel!

Het gaat er slechts om hoe hij uit hun aanval te voorschijn komt, dat is het moeilijkste: innerlijk ledig blijven, niettegenstaande het gif van de kwade krachten het innerlijke meer tracht te bezoedelen. Dan moet men werkelijk innerlijk intensief bezig zijn, hard arbeiden, zich inspannen om rein en rustig te blijven, zodat de geest in kan blijven dalen.

De ware Zoekers vormen een groep die verondersteld wordt geestelijk actief te zijn. En dat houdt in: door innerlijke bezinning en inkeer ledig worden van de strijd der tegengestelden, zich vullen met het geestelijke en daarna dit bewijzen, door als een veranderd, dus geestelijk edel mens, de kwade krachten af te voeren. Niet te vluchten voor deze machten, maar hen te neutraliseren in de eigen innerlijke Vrede.

Is er ooit één wijze, of één legendarische held op de vlucht gegaan?  Integendeel!  Zij blijven allen sterk staan in de aanval of tegenover de draak.

Vlucht is zwakte, een teken van onrijpheid en onbegrip.

De eenvoud en de verdraagzaamheid tonen daarbij nooit hun schittering.

Zodra men slaagt of bezig is te slagen met zijn spirituele inspanningen, staat de kwade kracht naast hem. Hij behoeft  niet in de mens te zijn, noch behoeft deze hem te vrezen, maar men moet zich ervan bewust zijn dat hij naast de pelgrim gaat en hem bespringt op het moment dat hij het het minste verwacht.

Hoe zou men Judas kunnen loochenen, hij is aanwezig, zodra men een Jezus aan het worden is.

De Vrede van Bethlehem komt niet van buiten, hij komt van binnenuit, maar hij gaat een beschermende mantel om de pelgrim uitbreiden, zodra hij dag en nacht bezig is zichzelf innerlijk voor te bereiden op de ontvangst van de geest.

Zoals de alchemist zegt: reiniging van het ego, reiniging van de ziel en de reiniging van het denken, de graal ledig maken.

Dit proces kan tegelijkertijd plaatsvinden, mits ego en ziel bereid zijn mede te werken. En deze beide zijn gebonden aan het hart, aan de hunkering des harten, die de plaats in het leven bepaalt.

De ware Zoeker moet zich daarom dagelijks van iedere onreinheid ontdoen, zodat de reinheid stabiel zal blijven, zodat de Vrede van Bethlehem in kan dalen en de Ster zijn adeldom zal verkondigen.

Met deze tekenen van de Geest kan Herodes, die hem zoekt te doden, hem geen kwaad berokkenen, omdat hij de innerlijke Schat veilig zal stellen in de aarde, zoals de alchemist zegt, waar geen profaan oog haar kan ontheiligen.

Moge hij, als edele aarde, deze Schat veilig doen groeien tot aan het moment, waarop de Steen der Wijzen vrijgegeven kan worden.


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene