De vierde eigenschap van de ware zoeker is eigenlijk een universele gave, die geen spiritueel mens zal ontberen.

Een bescheiden mens bereikt zelden iets in de maatschappij, omdat men van het standpunt uitgaat: « Bescheidenheid ist eine Zier, aber weiter kommt man ohne Ihr! »

Men moet natuurlijk alle vormen van schijnheilige nederigheid en onderdanigheid buiten beschouwing laten, want velen kunnen zich tijdelijk bescheiden voordoen, maar verbergen daarachter hun onophoudelijke eerzucht en existentiedrang.

Bescheidenheid, als een innerlijke gave, is zeldzaam. Er wordt met de bescheidenheid nogal eens een loopje genomen, omdat een bescheiden mens altijd een sympathieke indruk maakt en wie wil dat niet?

In precaire situaties, in plotseling veranderde omstandigheden bewijst de mens echter altijd de waarde van zijn bescheidenheid.

Schijn-bescheidenheid houdt nooit stand zodra de mens omringd wordt door vleierij, successen, eerbetoon en belangrijkheid.

De waarachtige mens komt pas naar buiten als de omstandigheden hem aan de tand voelen. Een bescheiden mens ziet geen verleiding in eer, roem, gewichtigheid en vleierij.

Het woord: « Het moeten sterke benen zijn die de weelde kunnen dragen » is niet van toepassing op de bescheiden mens, hij kent in dit opzicht geen verleidingen.

Zoals men altijd in de spirituele boeken kan lezen: « de bescheidenheid siert de wijze. » De materialistische ingestelde mens is bang voor bescheidenheid, omdat hij angst heeft in een hoekje gedrukt te worden, te worden vertrapt, beledigd, aangetast in zijn eigenwaarde.

Er zijn natuurlijk astrologische typen, die gemakkelijker bij de bescheidenheid aanknopen, omdat zij niet lijden aan een overmaat van individualiteit. Verlegen mensen zijn bescheiden uit een onontwikkelde zelfstandigheid; gefrustreerde mensen hebben een ziekelijke bescheidenheid, hoewel zij liever toonaangevender zouden willen zijn en dan lijden zij aan een verborgen ijverzucht.  De kleine, onopvallende mens kent de macht en de waarde der bescheidenheid niet, omdat hij de weelde van de belangrijkheid ook niet kent. Men moet allereerst een individu zijn, een edele zelfstandigheid, voordat men beseft dat de bescheidenheid een gave is van een edele inborst, een ziele-impuls.

De leider, de wijze die van zijn bescheidenheid blijk geeft, beschikt onloochenbaar over een innerlijke adeldom.

Juist indien men zelfkennis bezit en weet dat de mens nietig is vergeleken bij de geestelijke adeldom en grootsheid, komt men tot een innerlijke bescheidenheid. Het is niet moeilijk om bescheiden te zijn, zo men door de omstandigheden in een nietig hoekje is terecht gekomen, doch juist de weelde, hetzij van uiterlijke situatie, hetzij van innerlijke kwaliteiten, beproeft de mens in zijn bescheidenheid.

Uiterlijke soberheid behoeft geen gevolg te zijn van innerlijke bescheidenheid; zelfkennis schenkt bescheidenheid; geestelijk inzicht, geestelijke ervaringen schenken bescheidenheid.

Bescheidenheid is het tegendeel van aanmatiging.

De innerlijk arme mens matigt zich zo dikwijls vermeende kwaliteiten aan; de theoretische spiritualist matigt zich zo dikwijls vermeende spiritualiteit aan; hij behangt zich met graden om zijn afwezige innerlijke adeldom te verhullen. De naar een spirituele graad of naar een fel begeerde maatschappelijke positie strevende mens is nooit bescheiden. 

« ………. denn weiter kommt man ohne Ihr », meent hij.

Slechts de waarachtige spiritualist weet dat men zonder bescheidenheid in de spiritualiteit niet verder komt. 

Bescheidenheid maakt niet spiritueel, het is geen voorwaarde tot welslagen, maar spiritualiteit maakt bescheiden.

Zodra de geest de mens aanraakt, wordt hij zo overweldigd door de intensiteit en kracht, dat hij zichzelf plotseling in zijn ware gedaante ziet: een stuntelige experimenteerder. De mens, die met zijn bescheidenheid pronkt, is innerlijk slechts een arm mens.

Daarom zijn de woorden: « Ik ben een kandidaat » of: « Ik ben een Meester » of iets dergelijks, het bewijs van schijn-spiritualiteit.

De wijze, bescheiden mens is altijd op weg; hij is nooit aangekomen bij zijn doel, want het doel verandert, vergroot en beweegt zich met zijn voortgang. De waarheid is beweeglijk, niet statisch. Er bestaat geen statica, alles is beweging.

Juist de bescheiden mens beseft heel goed dat hij voortdurend in beweging moet blijven om niet verloren te gaan in een valse nederigheid, die altijd ontaardt in laksheid, gemakzucht en de naamloosheid van de menigte. De menigte is nooit bescheiden: de massa-mens is naamloos, maar zeker niet bescheiden, slechts onbekwaam, gemakzuchtig en ongeïnteresseerd.

Om de bescheidenheid te gewinnen moet men allereerst loskomen uit de menigten; de spirituele mens is de eenling, niet de massa-mens. Al de gaven die de spiritualiteit vergezellen, passen bij de eenling, niet bij de massa.

De wereldreligies leerden de mens onder te gaan in de menigten; zij leerde hem zich ondergeschikt te maken en te vernederen voor de betreffende godheid, maar de gnostiek leert de mens het tegendeel: hij bepaalt hem bij zichzelf, zijn eigenwaarde en dwingt hem zich te ontplooien, zodat al zijn goede zowel als zijn slechte kwaliteiten naar buiten komen. Daarna begint pas de groei naar de geest, eerder heeft dit totaal geen zin. 

Bescheidenheid is een gevolg van innerlijke groei, nooit van iets aanleren. Het kind wordt in de vroegste jeugd reeds geleerd niet brutaal, niet opdringerig, maar bescheiden te zijn; dat is een houding omwille van het welslagen in de maatschappij, maar dat wil niet zeggen dat het kind werkelijk bescheiden is.

De waardevolle mens wordt altijd is omstandigheden gemanoeuvreerd, waarin hij zijn waarde kan bewijzen; het leven gaat nooit rustig langs hem heen, hij wordt getoetst.

Een zich tot zelfstandig individu opwerkende mens wordt altijd opgemerkt en gehouden de examens van het leven af te leggen.

In die examens worden zowel zijn persoonlijkheid als zijn innerlijke gaven getoetst en dit behoeft niets te maken te hebben met de een of andere aangeboren nuttige eigenschap.

Kundige politici kunnen zwelgen in aanmatiging; geweldige kunstenaars kunnen onuitstaanbare mensen zijn door zelfoverschatting; grote zakenmensen kunnen onverdraaglijke medemensen zijn door hun gewetenloze huichelarij; de meest vooraanstaande theologen en religieuzen kunnen stompzinnig zijn door hun starheid. En bescheidenheid haat starheid, zelfoverschatting, zelfgenoegzaamheid en zelfingenomenheid.

Een dogmatisch religieus instituut is zelfingenomen; de religieuze etiketten-show houdt zichzelf in stand met de menselijke zelfingenomenheid en zijn afgunst op zijn medemensen.

De bescheiden mens weet dat hij de wijsheid niet in pacht heeft en nooit in pacht zal hebben en daarom blijft hij ontvankelijk voor raad, voor groei, voor de geest. Zijn innerlijke adeldom behoedt hem echter voor slaafse nederigheid, voor adoratie van schijn-heiligheid en gradaties.

Hij weet zelf wat hij waard is en al kent hij zijn prachtige gaven, hij weet toch dat deze, in vergelijking met de goddelijkheid of de geest, niets zijn. Naar buiten is hij een mens, die zijn mogelijke gaven gebruikt, zijn licht beslist niet onder een korenmaat zet, maar nooit zijn eigen begaafdheid ergens aanbeveelt.

De spirituele mens moet een evenwicht vinden tussen valse nederigheid en grove aanmatiging. De oprechtheid, het zichzelf durven zijn, plaatst hem direct in de werkelijkheid. Velen durven zichzelf niet te zijn, omdat zij menen dan tegen een spirituele levenshouding te zondigen.

Bescheidenheid is niet aangeboren, maar wordt voortgebracht; het is een ontdekking na een innerlijke ervaring.

De aangeboren bescheidenheid heeft slechts iets te maken met de astrologische predispositie en dan kan men zeggen: vuurtypen kunnen moeilijk bescheidenheid fingeren; aardetypen kunnen lang bescheidenheid simuleren; luchttypen ergeren zich aan de bescheidenheid; en watertypen schijnen bescheiden, maar zijn veelal beangst voor zichzelf.

De dominerende planeten zijn natuurlijk beslissend.

Saturnus spreidt een schijn van bescheidenheid om zijn typen heen, maar meestal lijden zij aan een minderwaardigheids-complex, een verdrongen individualiteit.

Jupiter maakt niet bescheiden, integendeel.

Mars probeert bescheiden te zijn, maar houdt dit niet lang vol.

Venus pronkt met alle eigenschappen, die haar voordeel brengen, ook met de schijn-bescheidenheid.

Mercurius kan bescheidenheid voorspiegelen wanneer het hem uitkomt.

De Maan activeert vaak de nederigheid en de onderworpenheid, maar kent niet de edele bescheidenheid.

De Zon kent het begrip bescheidenheid helemaal niet, maar kan het verkrijgen door geestelijke adeldom.

Hiermede is gezegd dat aangeboren bescheidenheid, in zijn spirituele adeldom en wijsheid niet bestaat. Alles wat erop lijkt is een onbewuste verdrongenheid van het ego.

Gefingeerde bescheidenheid valt direct weg zodra de betreffende mens de kans van zijn leven krijgt; dan toont hij zich plotseling onbescheiden, zet alles op alles en lacht om bescheidenheid.

De onbescheidenheid wordt veroordeeld, toch is hij niets anders dan een oprechte uiting van het ego.

Welk ego is bescheiden?  Kan het ego bestaan in bescheidenheid?

De ziel moet het ego leren, dat het kan existeren in ootmoed tegenover de geest. Voor deze les kent het ego geen bescheidenheid, hoogstens ziekelijke minderwaardigheid of een aanverwante frustratie. Geen enkele begaafdheid van het ego bewijst de spiritualiteit van de betreffende mens.

Ego-begaafdheid is aangeboren, maar nooit doorslaggevend voor spiritualiteit. De spirituele mens vindt men zowel onder de opvallend begaafde ego's, als onder de middenmoot.

Wijsheid is een gunst, die de mens des Geestes wordt betoond en daarvoor moet hij een harmonisch ego bezitten, geen begaafd ego.

Daarom kan men zich niet afvragen: Hoe word ik bescheiden?

Maar: Hoe word ik mijzelf?

En mens kan voldoende zelfkennis bezitten om te beseffen dat zijn zg. bescheidenheid eigenlijk een aangeleerde houding is en dat hij in werkelijkheid droomt van iets anders.

De kleurloze mens, d.w.z. de mens die zich laat manipuleren, laat dirigeren, zoals de overheersende autoriteiten en machten het willen, is beslist geen bescheiden mens, misschien een wanhopig of een moedeloos mens, maar hij heeft nooit moeite voldoende gedaan om zichzelf te leren kennen.

Het is geen schande om zichzelf te bekennen: « Ik ben niet bescheiden! »  Niemand is bescheiden dan de wijze, die op weg is naar de geest. Men kan de gaven der spirituele mensen niet aanleren, maar men kan zichzelf wel dwingen wakker te blijven, in beweging te zijn, niet te bevriezen in de uitzichtloosheid.

Over de bescheidenheid zijn zoveel valse opvattingen in omloop en zij is zo zeldzaam op aarde. Maar haar schoonheid is kostbaarder dan iets anders, omdat zij groeit in de aarde van een geestelijke adeldom, onverschillig waar deze mens zich bevindt en wat hij doet. Geestelijke adeldom is ook niet afhankelijk van een etiket, zij groeit in vrijheid.

Men hoort wel eens zeggen: « Hij is te bescheiden om het te vragen! » Mogelijk was hij te beangst, of te welopgevoed, maar wie kent de richting van zijn gedachten?

Een kind mag nooit het grootste snoepje pakken, maar welk kind prefereert het kleinste boven het grootste, als het eerlijk is?

Iemand, die liever een plekje heeft in de schaduw, meent dat hij de kwaliteiten voor het helle licht niet bezit of is beangst, verlegen, nerveus. Maar zou ieder weldenkend, oprecht in dienst van zijn naaste levende mens, niet liever een plekje willen van waaruit hij zijn naasten beter kan helpen?

Verlangen naar een betere plaats behoeft geenszins uit begeerte of aanmatiging voort te komen. Het kan heel goed een verlangen zijn naar dienstbetoon en zo deze mens niettegenstaande dit verlangen zich toch narrig schikt in zijn schaduw, mist hij individuele levensdrang of is gefrustreerd. Bescheidenheid zal hem sieren, indien hij van de juiste motivatie is uitgegaan.

Vele pioniers der mensheid, in humanisme, in spiritualiteit, in kunst kenden de bescheidenheid. Hun werken glinsteren van de adeldom. Bewonderenswaardig is hun moed om zichzelf te zijn en hun innerlijke bewogenheid door te zetten, zichzelf niet te verbergen achter valse bescheidenheid, die hen van een rustig leven verzekert.

Alle innerlijke adeldom begint bij eerlijkheid, waarachtigheid. 

Om waarachtig te zijn, moet de mens zijn frustraties en zijn tekortkomingen overwinnen. Ook moet hij over de neiging tot schijn-gedragingen heenstappen. Oprechtheid behoeft geenszins onbescheidenheid te zijn. Onbescheidenheid is dikwijls synoniem met inhaligheid. Alles wat te veel is, is onbescheiden, dus altijd een vorm van disharmonie.

Een evenwichtig mens komt, als hij spiritueel is, sneller tot de oerdeugden en dus tot wijsheid. Bescheidenheid wordt dan een normale levenshouding, hij kent niets anders.

Eer, inhaligheid, vleierij, succes knopen aan bij een ziekte der begeerte. De begeerte is een noodzakelijke inhalering om te zijn, meer niet. Te sterke begeerte geeft een overtollige uiting aan het zijn, dus altijd een pronkerig op de voorgrond treden, een opvallend zijn.

De bescheiden, wijze mens pronkt nooit met zijn gave, hij stelt hem slechts in dienst. Alles wat men als ego bezit, heeft men tijdelijk in pacht en de zielekwaliteiten kennen geen pronkzucht, omdat het ego hen niet bezit. Een zielloos of geestelijk arm mens is niet bescheiden, maar innerlijk ziek. Hij is verheugd over een herwaardering of een blijk van belangstelling. Aan de andere kant kan hij verblind aanmatigend zijn en is dan verheugd over een emotionele aanraking, die zijn harde bast doorbreekt. 

Noch de ene, noch de andere mens is zichzelf. Hij speelt een rol, omwille van de een of andere gekrenktheid, frustratie, disharmonie. Hij lacht om de « Bescheidenheit die eine Zier ist, aber er ist weitergekommen ohne Ihr »; hij is op wraak uit.

Allereerst moet de mens weten over welk instrumentarium hij beschikt en bemerken dat dit instrumentarium veel beletselen zijn opgedrongen. Foutieve denkbeelden, conventie, dogmatisme overwoekeren de mens met hun taaie wortels en zijn leven is dikwijls één worsteling met hun tegenstand of een lange, mistroostige gevangenistijd, zonder dat hij ooit oog in oog met zichzelf heeft gestaan.

Oog in oog met die mens, die eigenlijk de geest zou willen schouwen in al zijn pracht en die eigenlijk dat vervelende duistere hoekje zou willen verlaten, om dienstbaar te zijn met al zijn gaven.

Maar hij durft niet, hij heeft geleerd nooit te vragen en altijd bescheiden te zijn of hij heeft geleerd alles om zich heen te vertrappen, omwille van zijn eigen welzijn. Maar de waarachtigheid kent hij niet, het waarachtige begeren naar heil en het waarachtige zijn, dat vol beweging, kleur en vreugden en smarten is. Daarvoor moet hij eerst zichzelf zijn, om daarna te ontdekken, dat de bescheidenheid de tere bloem is, die ontluikt aan de machtige stam van de geest. En nooit eerder, want haar ijle schoonheid heeft een machtige levenskracht en een sterke stam nodig om zijn pracht te doen uitkomen.

De sterken van geest kennen de schoonheid der bescheidenheid en slechts de onbescheidenen en de disharmonische ego's verwonderen zich daarover en twisten erover. Maar de gelijken glimlachen elkander toe, omdat hun heilbegeren uitgaat naar het Land des Geestes, waar de gaven van de ziel de hof der adeldom sieren.

Hij, die wijs is, hult zich in de geur van de bloem der bescheidenheid en leeft in het land van zijn zieledromen.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene