In de opsomming van de zeven oerzonden komt men de afgunst of de jaloezie tegen als één der meest vernietigende tegenstanders.

Hoewel sommigen veronderstellen, dat zij geen afgunst bezitten, is deze toch onbewust in hun denken en handelen aanwezig.

Elk mens, die eigenliefde kent, bezit jaloezie, omdat deze een uiting is van eigenliefde. En wie is zonder eigenliefde!

Gekrenkte eigenliefde leidt tot afgunst. Afgunst in materieel, zowel als in spiritueel opzicht een vrucht van egoïsme. Zij is vooral een verschijnsel dat door de positief gerichte mens gekend wordt.

Een hongerende eigenliefde voedt zichzelf met de afgunst en daar waar een ego existeert, vindt men eigenliefde.

Het kind, zowel als de volwassene, kennen de afgunst, slechts het zeer jonge, nog niet egobewuste kind draagt de afgunst nog niet kenbaar uit.

Uiterlijke omstandigheden dragen er dikwijls toe bij, dat de afgunst zijn kop opsteekt, omdat de mens zichzelf onrechtvaardig behandeld vindt. Afgunst is één van de emoties die men kan bedwingen, zonder dat zich daardoor frustraties voordoen. Afgunst is nl. een ziekelijke aandoening, een chemisch gif, dat het gemoed ontreddert. Men noemt afgunst wel eens de geelzucht van de liefde, omdat zij dikwijls de menselijke liefde, die altijd uit egobelang geboren wordt vergezelt.

De oerzonden zijn satanische aandoeningen, die door een bewuste ziel genezen kunnen worden; afgunst wordt genezen door zelfontdekking. Zoals geduld en vriendelijkheid niet van elkander te scheiden zijn, maar tevens gehuicheld kunnen worden, zo is de afgunst een op zichzelf staande kwaal, die zich bedient van het schijn-geduld en de schijn-vriendelijkheid, zowel als van alle andere uitingen van het ego.

Afgunst behoort niet tot de ondeugden, maar zij is meer, zij behoort tot de tegenstanden der ziel. Wanneer er van de kandidaat wordt gevraagd geen afgunst te bezitten, wordt er zoveel gezegd als: « heb uzelf niet lief boven de anderen! » 

Afgunst beweegt zich gaarne op het begeren, de inademing, die tot het zijn leidt. Als de mens « begeert te hebben hetgeen zijn naaste heeft », wil dat altijd zeggen dat hij zichzelf in zijn hart hoger aanslaat dan de naaste. Hij meent dat hijzelf de gunst meer verdient. Ook in de spiritualiteit is dit te herkennen.

Iemand, die voor zijn gevoel niet slaagt in de spirituele doelstellingen, is altijd afgunstig op het resultaat van de medemens, mits hij lijdt aan een zelfonderschatting, een ziekelijke vorm van zelfmedelijden. Elk gefrustreerd ego, en er zijn vele mensen die hieraan lijden, wordt vergezeld van afgunst.

Grootheidswaanzin, streberei, werkbezetenheid en ziekelijke zelfhandhavingsdrift zijn alle geworteld in de afgunst.

Als één der oerzonden is zij een bestanddeel van de bodem waarin de onheilige zevengeest zich beweegt. En niemand kan ontkennen dat men, stuk voor stuk, leeft uit deze bodem, omdat men nu eenmaal besloten ligt in de sfeer van deze onheiligheid.

Afgunst wekt de begeerte op en ontsiert eveneens het zijn; zij is gevaarlijk, omdat zij de mens van giftig voedsel voorziet, die heel zijn organisme doortrekt. De chemisch-organische huishouding van de mens wordt in de war gebracht door de afgunst, zoals elk der oerzonden een gif vormt, dat zowel etherisch als chemisch organisch de mens aantast.

Het tegengif is de onbaatzuchtige liefde; onbaatzuchtige liefde is de energie, waaruit de in- en uitademing, begeerte en zijn der mensen voortkomen. Liefde is noch begeerte noch zijn. Zij is in zichzelf een roterende energie.

Zodra afgunst de liefde vergezelt, is de liefde onrein, hetzij in begeerte, hetzij in zelfhandhaving. Beide uitingen kennen de afgunst als een onheilig bijverschijnsel. Afgunst wordt beschouwd als een emotie, die door Mercurius wordt opgewekt.

Mercurius is de boodschapper en heeft toegang tot alle gebieden, d.w.z. kan zich aansluiten bij elke menselijke situatie.

Roddel, zijnde een misvormde uiting van een mercuriaanse emotie, is altijd gebaseerd op afgunst. Doordat Mercurius de keel regeert, zal de afgunst veel gebruik maken van het woord: een jaloers mens zal zijn tong niet kunnen beheersen. Liefde en haat zijn tegengestelden, maar zij vinden elkander in de jaloezie. Zij is de boodschapper tussen eigenliefde en haat; afgunst is een bedekte vorm van haat. Van afgunst naar haat is een luttele stap.

Om zichzelf te ontdoen van een oerzonde moet de mens zijn ego genezen, ontdoen van ziekelijke bijverschijnselen. Heel de maatschappij is erop gericht het ego in zijn ontplooiing te remmen door ziekelijke toestanden te creëren. Er wordt gespeculeerd op de menselijke afgunst, op zijn ongeduld, op zijn lafheid, op zijn drift en zijn gulzigheid.

Nooit of slechts zelden is er sprake van het oproepen van de edele natuur van de mens, die zich zonder twijfel in het ego verbergt.

Heel de natuur is bevolkt door edele en minder edele verschijningen en scheppingen en alle hebben zij hun doel.

Het edele paard is niet minder nuttig dan het onedele varken. 

De edele inborst van de mens is afgezwakt, omdat men altijd contact zoekt met de eveneens aanwezige onedelheid. Is het een wonder dat het onedele meer en meer op de voorgrond treedt? De edele inborst is niet lonend in de door eigenliefde doortrokken maatschappijvorm. Lonend is slechts het onedele dier in de mens, dat zichzelf voedt met gulzigheid en afgunst.

Aangewakkerde afgunst is een verzekering voor het voortbestaan van de welvaartsmaatschappij. Liefde voor het ego stimuleert het zichzelf verwennen, opdat het ego coûte que coûte aan zijn trekken zal komen. Niemand misgunt zichzelf iets, hoewel hij zijn medemensen veel misgunnen kan. Afgunst richt zich nooit tegen het zelf, maar altijd tegen de andere; afgunst tussen ego en ziel leidt tot een verhoogde wilsinspanning in de spiritualiteit.

De afgunst van de oorspronkelijke hemelse mens tegenover God leidde tot de val. Afgunst is daarom een ziekte, geen bewuste wilsinspanning, noch een bewuste emotie.

Onbewuste afgunst ontstaat als gevolg van een verkeerde levensinstelling, een onkunde omtrent het eigen zelf, een disharmonie tussen hebben en zijn.

Mercurius wordt de boodschapper der goden genoemd en afgunst kan men de boodschapper der demonen noemen.

Men kan daarom de afgunst niet bestrijden, men moet haar herkennen, ontmaskeren en haar eenvoudig beletten haar weg te vervolgen en haar daad te volvoeren. Want afgunst drijft tot een daad; ook het uitgesproken woord is een daad. Zodra men volmondig erkent dat men op iets of iemand of op het een of andere gebied afgunst gevoelt, vermindert deze reeds.

Afgunst kan niet tegen ontdekking. Als men de boodschapper zijn boodschap ontfutselt is het met zijn taak gedaan! Zo ook de afgunst. Zodra de mens zichzelf op enige soort van afgunst betrapt, is er geen reden meer om afgunst te koesteren, tenzij men moedwillig voortgaat in deze afgunst, maar dan verandert zij in haat.  Haat is een zwaar beladen woord. Niemand zal zichzelf van haat beschuldigen, hoewel afgunst het zaad van de haat is.

Afgunst is de oorzaak van revoluties, van concurrentie, van sadisme. Afgunst strijdt nooit met open vizier, zij verbergt zich achter allerlei schone motieven en daarom is het logisch, dat zij slechts door een Oerdeugd kan worden vernietigd. Deze Oerdeugd is het heilbegeren; heilbegeren sluit alle vormen van eigenbelang uit.

Afgunst blijft aanwezig zolang de mens verziekt is in zijn begeren.  Ontvankelijk ingestelde mensen worden vaak organisch en psychisch aangetast, omdat hun afgunst nooit aan de oppervlakte komt. Zij laten het gif op zichzelf inwerken en werpen zichzelf zo onbewust in het zwaard, dat zij eigenlijk de anderen zouden willen voorhouden. Dit is zuiver een kwestie van geaardheid.

De negatief ingestelde mens komt zelf om in het verzamelde gif; de positief ingestelde mens sleept anderen daarin mede. Afgunst dwingt de mens altijd tot vernietiging, onverschillig op welke manier: van de medemens, van de oorzaak van zijn afgunst, of hij gaat er zelf aan kapot, echter altijd onbewust. Niet herkende afgunst is een onontdekt gif in het bloed.

De mens zonder afgunst is een mens met heilbegeren.

De ware pelgrim is dus altijd een mens met heilbegeren.

Zijn spiritualiteit komt daaruit voort!

Dan is spiritualiteit geen onderwerp voor discussie, zij is eenvoudig aanwezig, omdat het begeren zichzelf heeft omgezet in heil, genezing voor ego en ziel.

Iedereen kan zijn begeerte afremmen; iedereen kan zijn dosis heilbegeren onderkennen. Heilbegeren komt uit de ziel, maar vervult het hart volkomen en zo voert dit het door alle organen.

Heilbegeren is levenselixer en het is latent in iedere ziel aanwezig.

Iemand, die zijn afgunst ontmantelt, rukt zichzelf het masker af, waardoor een gezonde situatie wordt hersteld.  

Men kan nooit vanuit het ego trachten edel vriendelijk te zijn en het waarachtige geduld te bezitten, maar men kan wel vanuit het ego aan een ontmaskering beginnen en zo de afgunst op heterdaad betrappen.

Hieruit wordt geen heilbegeren geboren, maar de bodem om de Oerzonden te herbergen wordt gezuiverd van demonische invloeden, van ziekelijke bijverschijnselen.

Is ontheiliging iets anders dan een oerziekte? En is ziekte iets anders dan een aandoening van de psyche, die zich uitwerkt in het ego?

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene