Het geduld is als 't wachten op de zeker komende bezoeker.

Het geduld komt voort uit innerlijk weten en slechts zij hebben geduld, die tot aan de grens van de teleurstelling zijn gekomen.

Het geloof, als innerlijk weten, geleidt de verbeelding tot over de natuurlijke begrenzing, waardoor de mens het geduld opbrengt om alle tijdelijke gebeurtenissen te dulden. Geduld is een sprankje eeuwigheid; als gave van de ziel betekent het niets anders dan de eeuwigheid levend houden binnen de tijd.

Het geduld toont zich niet slechts in de omgang met de medemens, maar evenzeer in het persoonlijke, innerlijke beleven.

Uit dit geduld komt automatisch de tweede gave voort: de vriendelijkheid

Ongeduld kweekt onvriendelijkheid; onvriendelijkheid betekent afgesloten zijn tegenover de medemens en tevens onbegrip voor zijn mogelijke fouten en falen. Ongeduldig zijn tegenover zichzelf is een onvriendelijkheid en een onbegrip tegenover het ego.

Het ego dwingen zich te vergeestelijken, het te kastijden met allerlei plichten en methoden is eigenlijk niets anders dan een onvriendelijkheid, die men zichzelf betoont.

Vriendelijkheid is welgezindheid, het openstaan voor de buitenwereld, voor zichzelf, voor de medemens.

Vriendelijkheid wil niet zeggen met een onuitwisbare grijns op het gezicht rondlopen of zich verschuilen achter een vriendelijk masker. Vriendelijkheid is een innerlijke toestand van bereidheid en ontvankelijkheid. De vriendelijkheid van een mens komt voort uit een warme belangstelling voor zijn medemens.

Zoals met het geduld, zijn er verschillende vormen van vriendelijkheid. Gesloten, stugge mensen, zwijgzame mensen worden veelal als onvriendelijk gekwalificeerd.

Vlotte, op de schouder slaande en van diverse koosnamen gebruik makende mensen, worden als vriendelijk beschouwd.

In werkelijkheid kan de eerste een vriendelijker mens blijken dan de laatste. Van een vriendelijk mens gaat een aangename gewaarwording uit: hij noodt zijn medemens zich innerlijk te ontspannen en zichzelf te zijn.

Vriendelijkheid is dus, evenals het geduld, een geneesmiddel, zij is helend. Talloze mensen schijnen vriendelijk, maar bezitten een keiharde egocentriciteit. Een vriendelijk mens kent geen egocentriciteit, althans niet in overheersende mate, want hij is altijd bereid zijn medemens te helpen, onverschillig hoe die hulp eruit ziet.

Net zo min als met het geduld moet men de vriendelijkheid beschouwen als een zwakte, een zich onvoorwaardelijk overgeven aan mogelijk minderwaardige werken, louter uit zg. vriendelijkheid. Verwar vriendelijkheid nooit met wellevendheid. Wellevendheid is aangeleerd, het zich aanmeten van prettige omgangsvormen, waarin besloten kan liggen: belangstelling voor de medemens, behulpzaamheid, beleefdheid en een prettig aandoende aanspreektoon. Zoiets komt eveneens sympathiek over, maar is bedrieglijk.

Het geduld schenkt de kracht om vriendelijk te zijn, onverschillig de bruutheid en het onbegrip dat de mens ontmoet. Dit is een gave die aan te leren schijnt, maar de oprechtheid toont zich altijd op een moment suprème. Het masker, de uiterlijke schone bedekking, wordt altijd in een beslissend ogenblik weggetrokken om de werkelijke inhoud vrij te geven. 

In precaire omstandigheden, honger, oorlog, gevaar, komen de ware menselijke gaven boven.

Vriendelijkheid is als het uitdelen van innerlijke waarden, het zichzelf uitdelen aan medemensen. Over het algemeen gelukt dit de ontvankelijke mensentypen beter dan de gesloten typen.

Vuur- en luchttypen hebben dikwijls moeite om oprecht vriendelijk te zijn, omdat in hen het ongeduld sterk aanwezig is, de kortstondige interesse voor iets of iemand.

Wanneer men b.v. zegt: « Er is een vriendelijk zonnetje » wordt daarmede bedoeld, dat de zon warmte uitstraalt die aangenaam aandoet. In werkelijkheid is de zon absoluut niet vriendelijk, hij kan vernietigend en boosaardig zijn. De essentiële kernkracht in ieder natuurlijk element is onvriendelijk, d.w.z. afstotend.

Een mens, die een uitgesproken vuurtype is, zal onvriendelijk d.w.z. van zich afstotend zijn, niet gezien als lelijkheid, maar als wegzendend. 

Luchttypen kunnen warm zowel als koud en kil zijn. Hun vriendelijkheid is afhankelijk van hun momentele instelling.

Vuurtypen kunnen warm en hartelijk, maar tevens verschroeiend en vernietigend zijn.

Aardetypen kunnen kil egocentrisch, maar tevens hartverwarmend uitnodigend en behulpzaam zijn.

Watertypen kunnen kil, onrustig, als een koude douche zijn, maar tevens bezitten ze de vriendelijkheid van een rustig stromend beekje, de medemens omspoelend met de harmonie van onrust wegnemend water.

Elk element bezit de tegenstrijdigheid van de twee tegengestelden, zoals vriendelijkheid en onvriendelijkheid. Van dit standpunt bezien, zuiver natuurlijk, kan de mens zowel de ene als de andere zijde tonen, maar beide kanten zijn gebonden aan tijdelijkheid.

De onaantastbare vriendelijkheid is een kostbaar bezit en baseert zich altijd op de oerdeugd van de Kennis, een gave die b.v. Jupitermensen zich gemakkelijker eigen kunnen maken dan de anderen. Daar tegenover staat de gulzigheid als oerzonde.

De vriendelijke mens is bereid zichzelf te vergeten, zijn eigen mening, zijn kennis, zijn mogelijke problematiek, om zich in te leven in de gedachtengang van de medemens. Dat brengt altijd het risico mede, dat men psychisch door de ander opgeslokt kan worden.

Zou de vriendelijkheid niet uit het geduld komen, dat de edele reserve kent, dan vergooit deze mens zich, omdat hij niet bij machte is zijn vriendelijkheid te leiden.

Daarom: ontvankelijke mensen, die sneller bereid zijn zich tot de medemens te wenden, riskeren het verlies van het zelf, op destructieve wijze.

Om voortdurend de edele vriendelijkheid te kunnen uitstralen, moet de mens innerlijk rijk zijn, rijk aan oerkennis, die hem weerhoudt van een ongelimiteerde overgave.

De vriendelijkheid is gebonden aan de innerlijke kracht van de mens. De verzuchting: « Ik kan het niet opbrengen vriendelijk tegen hem of haar te zijn », bewijst de innerlijke onmacht om zichzelf aan de mogelijke opslokker over te geven.

Vriendelijke mensen worden altijd benut als bron van kracht, hulp, balsem e.d. Men haalt onbewust iets bij hen, omdat men hen als een prettige gewaarwording ondergaat. De adeldom van de vriendelijkheid, als geestelijke gave, wordt pas in de mens herkend, wanneer het geduld wordt opgebracht om hem te leren kennen. Dan kunnen zowel teleurstelling als verrassing het resultaat zijn: de teleurstelling van een schijn-vriendelijkheid en de verrassing van een verborgen, maar edele vriendelijkheid.

Nogmaals, natuurlijke gaven vallen tegen elkander weg; vandaag kan men onvriendelijk schijnen en morgen vriendelijk, afhankelijk van de gedisponeerdheid. Prettige ervaringen, die de mens vreugde schenken, zijn aanleiding om vriendelijk te worden tegen iedereen, het volgende ogenblik kan dit weer anders zijn.

Men kan zichzelf forceren door voortdurend tegen zichzelf te zeggen: « Blijf vriendelijk! » vooral in onverkwikkelijke situaties, maar dan wordt vriendelijkheid schijnheiligheid.

De egocentriciteit van het aardetype; de vluchtigheid van het luchttype; de driftigheid van het vuurtype; en de sentimentaliteit van het watertype zijn ongeschikt om vriendelijkheid te bestendigen.

Voor het woord vriendelijkheid wordt wel als synoniem gebruikt: uitlokkend. Men lokt de medemens uit zijn hol, zijn harnas.

Vriendelijkheid kan een verhard hart doen smelten, maar slechts de ervaren, door het leven gerijpte mensen onderkennen schijn van waarheid, want een vriendelijk woord, zonder dat daar direct oprecht medeleven achter staat, kan een gewond mens misleiden en deze openleggen, met alle gevolgen van dien.

Er zijn mensen die de schijnvriendelijkheid uitsluitend beoefenen om zo hun medemensen te chanteren, in de hand te krijgen en aldus gewapend tegen hen te zijn. De egomens bespeelt zowel zijn deugden als zijn ondeugden, indien hij een eigenbelang nastreeft. Het etiket van vriendelijkheid is een best handelsmerk in de maatschappij.

De scheiding tussen de uiterlijke en innerlijke mens brengt de waarachtige mens, het waarlijke zelf, tot wanhoop en frustraties.

Wanneer men de gehele dag uit hoofde van zijn beroep vriendelijk moet zijn, is het egocentrische isolement in de vrije tijd een verademing. 

Het ophouden van de schijn maakt velen ziek en doet velen een tegenwicht zoeken in vrije tijdsbesteding.

Schijnvriendelijkheid is één van de meest beoefende methoden om de eigenbelangen te laten zegevieren. Het is de misleidende tactiek van handel en diplomatie. Louter omdat vriendelijkheid de tegenpartij ontwapent. Mensen, die gezegend zijn met een ontwapenende glimlach kunnen de meest duivelse bedriegers zijn! Niettemin heeft deze glimlach zijn werk gedaan, voordat de onwetende medemens het beseft.

Vanzelfsprekend heeft dit niets met de edele vriendelijkheid te maken, die zich heel goed ook achter de ernst en de geslotenheid kan verschuilen. Het bij zichzelf ontmaskeren van de schijnparade der misleidende deugden, is één van de meest ingrijpende opgaven voor de mens.

Het is niet nodig om vriendelijkheid en dus ontvankelijkheid en warmte over te dragen aan de duivel. Dat is jezelf tegen beter weten in op de proef stellen of wegwerpen.

Tegenover de duivel of de kwaadaardigheid kan slechts die ziel zich plaatsen, die voldoende geestkracht bezit. Maar geen enkele ziel zal de duivel verzoeken. Verzoeking is een experiment. Het beproeven of de duivel werkelijk duivels is. Sentimentele mensen, overlopende van oppervlakkig en onberedeneerd medeleven, verzoeken doorlopend de duivel of lokken het monster uit zijn hol, hem uitnodigende hen te verslinden.

Michaël versloeg de draak, omdat zijn wapens in orde waren, omdat hij kennis bezat en al die oergaven, die de edele geestelijke Koningszoon eigen zijn! De naar de geest op weg zijnde mens kan zichzelf nog lang niet beschouwen als een volwaardige Koningszoon en daarom mag en kan hij niet experimenteren met de onvoldoende wapens die hij bezit.

De nog zwakke geestkracht is voldoende om kleine tegenstanden te overwinnen. Komen er tegenstanden, die zijn kracht eventueel te boven zouden gaan, dan moet hij zich van te voren geestelijk opladen, innerlijk bewapenen en nooit met blinde overmoed of blinde onwetendheid de tegenstander tegemoet gaan.

Vriendelijkheid die uit oerkennis komt, weet precies wie zij ontwapent en aan wie zij zichzelf blootgeeft. Het geduld achter deze vriendelijkheid heeft de kwaliteit van de tegenstand onderkent en weet dat daaraan geestelijke kracht geofferd kan worden. Daardoor kan zulk een vriendelijkheid ook van lange duur zijn, omdat de ontwapening eens de edele kern zal blootleggen.

Hier lopen schijnvriendelijkheid en vriendelijkheid weer paralel: beide zijn erop uit de kern te ontmantelen. Het doel is echter volkomen tegengesteld: schijnvriendelijke mensen, met een sterke Jupiter-invloed, kennen de gulzigheid, het opvreten van het ontwapende slachtoffer. Dat is een typische handelsmethode.

Vriendelijke mensen willen slechts de ontwapende mens zijn eigen edele kern tonen, hem zelfrespect en inzicht schenken.

Belangeloze vriendelijkheid, gebruikt ten bate van de medemens en als vanzelfsprekende zielegave aanwezig, is een onschatbare gave. Zij is het bezit van zeer weinigen, zoals het geduld een uniek bezit is en als gave van de ware zoeker blijft het een opgave, waarnaar de zich geestelijk ontplooiende zoeker onvermoeid moet streven.

Zodra hij vriendelijkheid gevoelt, als een innerlijke begeestering, is onvoorwaardelijk het geduld aan zijn zijde. Geen enkele van de zestien gaven is duurzaam in zijn isolement.

Kopzorg hebben over de gave van het geduld betekent zich afsluiten voor de vriendelijkheid. De innerlijk vriendelijke mens behoeft geen angst te hebben dat men hem tot slachtoffer maakt, omdat de edele vriendelijkheid zichzelf beschermt, zodra zijn bezitter uit de ziel of uit de geest handelt. Een beroep op de geestelijke kracht doet men nooit tevergeefs. Maar deze maakt zich nooit nutteloos bekend. Men kan nooit verwachten dat, als je maar vriendelijk probeert te zijn, de geest onafgebroken aan je zijde gaat.

Elk mens krijgt kracht voldoende om zijn opgave te volbrengen.

Zodra hij zichzelf echter uitdaagt tot werken die zijn ziel beschadigen, laat de geestelijke kracht hem in de steek, dan volgen er teleurstellingen, falen en het « zie je wel, het is nutteloos ».

Elk zich geestelijk ontplooiend mens moet leren onderscheiden met behulp van zijn Innerlijk Tribunaal: Intuïtie en Ge-weten.

Het ego kan nooit objectief onderscheiden, het kent angsten, wantrouwen en eigenbelang. Het legt beslag op de eventuele geestelijke mogelijkheden van de mens en prostitueert deze, totdat zij gedegenereerd zijn. Dat gebeurt met de in ieder mens aanwezige deugden, velen zien kans om van hun ondeugd een deugd te maken, louter uit eigenbelang.

Dat is de leugen die de …Eén en de Drie, de bezieler en zijn voortbrengsel in de wereld hebben gebracht, zoals het Hexen-einmal-eins van Goethe zegt.

De schijnvriendelijkheid is de mismaakte vrucht van zijn bezieler, het arrogante ego of zelfs, indien er kwaadaardige opzet in het spel is, de luciferische ziel.

De edele vriendelijkheid ontwapent en bewapent de mens tegelijkertijd. Zij ontwapent hem van de schijn en bewapent hem met de adeldom. Zij kan ontnuchterend werken, omdat zij dikwijls onthullend is. De mens wordt door op hem toegepaste vriendelijkheid tegenover zijn ware motieven geplaatst.

Zolang iemand niet oprecht vriendelijk kan zijn, is het beter zich te tonen zoals hij is; een onvriendelijke indruk maken wil niet noodzakelijk zeggen: onvriendelijk, afwijzend zijn.

Afwijzend zijn kan een vorm van geduld zijn, het geduldig wachten totdat het moment om vriendelijk te zijn gekomen is.

Mensen, die zo graag vriendelijk willen schijnen, moeten over het woord « geen paarlen voor de zwijnen gooien » eens nadenken.

Ontvankelijke mensen, die zelf een vriendelijke indruk willen maken, die mede-lijden en mede-leven een menselijke plicht vinden, kunnen zich soms ergeren aan dit woord, maar ondertussen worden zij zelf voer voor de zwijnen!

Laat men geven wat men te geven heeft, maar niet speculeren op het vanzelfsprekende: « God staat me wel bij als het mis gaat! »

Hij, die uit de Geest handelt, kan op de bijstand van de Geest rekenen, maar hij, die handelt uit de bevlieging van zijn type, kan erop rekenen, dat hij kennis maakt met de wet van oorzaak en gevolg, waaraan zijn type gebonden is.

Vriendelijkheid is de gave van de mens, die met de Geest wandelt, zich in zijn bescherming heeft overgegeven en bewijst dat hij die bescherming waardig is. De edele, geestelijke Koningszoon is vriendelijk, maar daarvoor is hij eerst een Koningszoon geworden. Om een ware pelgrim te zijn moet men eerst ernaar hunkeren en ermede doende zijn om een pelgrim te worden.

De verwerkelijking van de zestien gaven is een proces van wording en beweging. En ieder kan het beste beginnen daar waar hij de mogelijkheid bezit: het geduld in het achterhoofd bewaren als een rijkdom, een gave, die zonder uitstel belevendigd moet worden, de vriendelijkheid smeedt banden, die sterker zijn dan familie- en beleefdheidsbetrekkingen.

Vriendelijkheid is als de warmte van de lentezon, die de verkommerende oproept tot hernieuwde moed en levenskracht. Die vriendelijkheid is als een roos die het kruis van tegenstand, wanhoop en vertwijfeling siert en het daardoor lichter te dragen maakt. Met zulk een roos van vriendelijkheid kan men het kruis van anderen verlichten en deze roos draagt de zonnewarmte in zich, die de mens eraan herinnert, dat er bemoeienis met hem wordt gehouden. Deze gedachte schenkt hem de innerlijke kracht om door te zetten.

Dat is de adeldom der vriendelijkheid: de medemens de warmte van de individuele geestelijke zon overdragen, opdat hij niet verzinken zal in de troosteloosheid van de kilte der vergetelheid.

De warmte van de vriendelijkheid van de mens zal hem beschermen en zijn medemensen omhullen!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene