25 - Het geduld zit in het gebeente

Het woord geduld is een schat in het huis.


De zestien punten van de waarachtige zoeker

« Op het ogenblik dat ik de stille stem van binnen onderdruk, houd ik op nuttig te zijn. »

  1. Geduld  -  Stier / Boogschutter
  2. Vriendelijkheid  -  Weegschaal / Ram
  3. Geen afgunst  -  Maagd
  4. Bescheidenheid  -  Steenbok
  5. Eenvoud  -  Ram
  6. Verdraagzaamheid  -  Weegschaal
  7. Geen eerzucht  -  Waterman / Kreeft
  8. Gelijkmatigheid  -  Tweelingen / Weegschaal
  9. Onbevooroordeeldheid  -  Vissen
  10. Gerechtigheid  -  Ram
  11. Waarheidslievendheid  -  Schorpioen / Ram
  12. Zwijgzaamheid  -  Leeuw / Maagd
  13. Redelijk geloof  -  Kreeft
  14. Hoop  -  Waterman / Kreeft
  15. Moed  -  Ram / Weegschaal
  16. Eert God ten allen tijde  -  Tweelingen

Vanaf de oude tijden zijn er enkele groeperingen tot de mensheid gekomen, die alle beogen de mens in zijn menswaardigheid te herstellen. Zij baseren zich veelal op de godsvonk in deze mens.

De mens is, van binnenuit, een god.

Hieruit kan men natuurlijk velerlei gebruiken opbouwen. Men kan het ego verfraaien, de sociale wetten herzien, humanisme beoefenen, edele gaven aankweken. Om waarlijk mens te worden, moet men een onafzienbare weg bewandelen, want de maatschappij geeft een duidelijk beeld van het onwaardige gedrag van de mens.

Een eerste vraag, na het vernemen van de idealen van deze bewegingen is altijd: wat heeft uw groep bijgedragen tot het welzijn, of het inzicht of de adeldom van de mens?

Vrijwel alle groeperingen blijven daarop het antwoord schuldig en verwijzen naar het levensgedrag van de eenling, die ofwel charitatieve, ofwel humane diensten bewijst. Maar daartoe behoeft men zich echter niet in een beweging te begeven, die zich afzet op de godsvonk in de mens, ook zonder dit besef kan men een waardig mens zijn of worden.

Het gaat om de mens, als individu, die wij de pelgrim, de ware zoeker, de ware kandidaat willen noemen. De ware Zoeker gaat eveneens van het godsvonk-idee uit en beoogt nog wat meer, zoals de alchemisten, die deze godsvonk zouden willen doen ontbranden in denken, gevoelen, emoties en handelingen, daarmede deze vertegenwoordigers van het ego veranderend. Elk mens is egocentrisch, dat is normaal en begrijpelijk

Alhoewel men het bestaan van een godsvonk erkent, zelfs als zodanig kan ervaren, zijn het ego en de egocentrische levensinstelling nooit te loochenen. Consequent doorgevoerde zelfkennis leert de mens, dat zijn ego centraal staat, in zijn familie, in zijn werk, in zijn verbintenis met de maatschappij.

Familie is een cel, waarbinnen ego's zich zo goed mogelijk op elkander afstemmen; wordt deze cel uitgebreid tot werkkring, groeperingen, verenigingen, dan worden de moeilijkheden groter. Het ego wenst zichzelf niet prijs te geven en zelfs in charitatieve werkzaamheden bevredigt het ego zich in emoties, denken, handelingen dan wel wensen.

Niemand is vrij van egocentriciteit. Daar waar het ego zich het meeste op zijn gemak gevoelt, daar gevoelt de mens zich wel, op zijn plaats. Men kan dit verifiëren aan allerlei bewegingen, die ideële doelstellingen propageren, maar die zoveel water in hun wijn moeten doen, dat deze voor iedereen te drinken is!

De ware Zoekers hebben één ding voor op al deze bewegingen: zij kennen levensingrijpende principes en zij stellen het ware Pad voorop. Zij laten egobelangen niet prevaleren boven deze ideële instellingen, althans dat wordt verondersteld.

In de praktijk is dit een streef-doel.

Het ware Pad kan geen bij-bèl (bijbel) worden, een tweederangs interesse, dat is tevens de oorzaak dat pelgrims behoorden en zullen behoren tot de kleine groeperingen, tot de eenlingen.

Deze mens neemt het leven ernstig, en vooral, hij neemt zichzelf ernstig, omdat hij zichzelf ziet als de drager van de godsvonk.

Een godsvonk-drager kan niet onwillekeurig waarmede manipuleren en onophoudelijk een compromis sluiten. Er zijn compromissen, die deze godsvonk onwaardig zijn en die tevens zijn levensstaat in gevaar brengen.

Daarom willen wij proberen de 16 punten van de ware pelgrim te bespreken. Zij zullen zijn als een bezinning, een meditatie-onderwerp, want zij vormen tezamen een geheel, het beeld van een pelgrim.

De zestiende kaart van de Tarot beeldt de Verwoesting uit, de toren die door de bliksem wordt omvergeworpen. Is dat niet een prachtige uitbeelding van de leringen der pelgrims?

Het is zeker dat het realiseren van deze 16 punten tezamen de oude mens, het oude ego omverwerpt. Men kan zichzelf in allerlei prettige karaktertrekken uitleven, deze verschillen van mens tot mens; zo zullen onder deze 16 punten eigenschappen zijn, die de ene mens meer aanspreken dan de andere.

Elk van hen vormt voor een bepaald mens een aanknopingspunt, afhankelijk van zijn type. De kwestie is echter dat men zich moet oefenen, of dat men moet leren juist die gaven te bemachtigen, die ver van iemand afliggen. De zestien punten zijn een verzameling materialen om het instrument te zuiveren en te verfijnen.

Het kan geen egocultuur worden, omdat de vereniging van deze 16 punten een innerlijke opbraak betekenen. Egocultuur bestaat altijd uit het aankweken van bepaalde eigenschappen; onder de 16 punten zijn kwaliteiten die boven de egomacht uitstijgen.

De godsvonk, die zich moet behelpen met het menselijke instrumentarium, kan gemakkelijker gebruik maken van menselijk waardige gaven, dan van onwaardigheid.

Menselijke onwaardigheid sluit groei van de godsvonk uit, dat is logisch! Onwaardigheid is b.v. schijnheiligheid, leugenachtigheid, onbetrouwbaarheid, oneerbiedigheid voor geestelijke zaken. Er is geen enkele godsdienst die mensen, die zulk een gedrag demonstreren, uitsluit. Uitsluiting is een moeilijke kwestie. Indien men echter kan spreken van een levensinstelling en niet van godsdienst, zoals het ware Pad zich buiten en boven de godsdienst beweegt, wordt de zaak geheel anders.

Dan komt men op het niveau van de Mysteriescholen aller tijden, die mensen uit velerlei maatschappelijke niveaus verenigden, maar waarvan de eisen strenger, principiëler en ingrijpender waren dan binnen de bekende godsdiensten.

In deze zin bestaan er geen mysteriescholen meer; degenen, die zichzelf als zodanig beschouwen, vormen een imitatie, een uiterlijke façade, waarbinnen strenge principes, innerlijke noblesse en spiritualiteit verstard zijn in traditionele gebruiken.

Gebruiken waarmede de mens zijn geweten sust.

Het is vanzelfsprekend dat het geheel op die manier ontaardt in een gezellig, comfortabel, soms gecultiveerd verenigingsleven.

Het ware Pad kan zich echter nooit levend bewaren in een verenigingsleven, noch in verstarde symboliek en gebruiken.

Indien de inwonende godsvonk belevendigd moet worden, wat de bedoeling is van de ware pelgrim, dan moet hij iets doen, aan zichzelf werken, zichzelf niet laten meevoeren op de stroom van vervlakking, geestelijke gezapigheid en verstarrende dogmatiek.

Achter elk der 16 punten staat een lichtende opening, waardoor de godsvonk naar buiten kan treden. 

Het geduld is niet zo maar een prettige menselijke eigenschap; men heeft mensen met een ongelooflijk geduld, maar katten b.v. hebben ook geduld.

Er is een geduld dat het doel van het ego dient; in vele zakelijke transacties is geduld goud waard.

Dat soort geduld bedoelt de ware pelgrim niet!

Het geduld is het eerste punt in de reeks van zestien.

Het geduld is het fundament waarop de mens begint te bouwen aan zijn geestelijke werkelijkheid.

Het geduld, zo leest men in het Boek Henoch, zetelt in het gebeente en het gebeente van de mens wordt beheerst door Saturnus. Zie de combinatie: het geduld is het fundament, ook in de stoffelijke mens; zonder geraamte is men niets!

Dit geduld ligt in de greep van Saturnus, of Satan. Veel geduld wordt aangewend om satanische doelen te realiseren. 

Men  kan dus zeggen, dat dit geduld reeds moet veranderen. Iemand, die geen geduld kent, is beslist geen onwaardig of slecht mens; hij beoogt echter niets ingrijpends. Ongeduldige mensen realiseren geen grote werkstukken, noch in de spiritualiteit, noch in de materie.

Het geduld moet aanwezig zijn, indien de mens een ware zoeker wil worden. Het geduld vindt aansluiting bij andere gaven: verdraagzaamheid, gelijkmatigheid, moed.

In dit geduld wordt de mens een afwachtende. Het geduld is als een reinigende controle, die zich in de mens afspeelt.

Geduld eist rust, stilte, ongeëmotioneerdheid, verdraagzaamheid en nog vele kwaliteiten; het kan zich niet uitdrukken via opwellingen, ongedurigheid, onbegrip. Het geduld is een eigenschap van het aardetype, d.w.z. hij kent een gave, die hem leert, dat hij zijn tijd moet afwachten.

Geduld van het aardetype is egogeduld, een eigenschap die hij benut terwille van een egobelang.

« Ik kan afwachten » of « Mijn tijd komt ook », zegt zo'n mens.

Men moet zich niet in dezulken vergissen en zich niet blind staren op zijn natuurlijke-planetaire begaafdheid.

Anderen demonstreren andere gaven.

« Ik bezit geen geduld » roepen sommigen wanhopig uit; wetende dat het geduld voorwaarde is voor het behalen van een overwinning.

Het geduld van de ware pelgrim/kandidaat kan men in zichzelf oproepen, vrijmaken, want het ligt latent in elk mens; het was voorwaarde voor zijn scheppingsgestalte.

Wanneer men zich ontspant, en ongeduldige mensen kunnen dit  moeilijk, komt er een soort rust over hem, een vredig gevoel. Breidt men deze ontspanning uit en benut men haar voor een geestelijke meditatie of instelling, dan dringt die rust bij de mens binnen als een belevendiging van elke cel van zijn organisme.

Zonder geduld bereikt men niets, maar ook zonder concentratie, sterke gerichtheid bereikt men niets en dit laatste is een verlenging van het geduld.  Ongeduld is een vorm van disharmonie, onevenwichtigheid binnen de innerlijke toestand van de mens. Ongeduld is een vrucht van ongeloof, onverschillig het object van het geloof.

Geduld brengt onaantastbaarheid mede: men laat de valse verschijningen langs zich heen gaan en wacht op de enige echte beeltenis.  Het geduld schuilt in het gebeente, maar in het gebeente zit het merg en dit bouwt de bloedlichaampjes op en men weet wat het bloed voor vocht is!  Ook hier dus het belang van het fundament, waaruit leven ontstaat.

In het geduld zetelt het levensbeginsel voor een nieuwe Toren, een nieuwe levensvisie, een geestelijke omwending. 

Het geestelijke geduld bouwt de cellen voor het levenssap van de oorspronkelijke mens; geestelijk geduld voedt de godsvonk.

Alle geestelijke essentie concentreert zich in het geduld en men bemerkt dit direct uit de reactie van een geestelijk geduldig mens.

Hij kent geen principeloosheid, noch rusteloosheid, noch verstarring, want het geduld inspireert hem met nieuwe beelden.

Zichzelf sterken met geduld is als een opladen met geestelijke kracht. Het is alsof tijd en eeuwigheid zich in deze mens ontmoeten en de tijd verliest altijd.

Voor hem is zijn godsuitdrukking: het geduld: het geduld van de geest, die aeonenlang bezig is de lichtzoon terug te voeren en hem daar iedere keer opnieuw een kans voor geeft, nieuw cycli vormt, zichtbare vormen vernieuwt.

Dit geduld is af te lezen in de geschiedenis van b.v. de gnostiek: iedere keer opnieuw staat zij in de wereld op onder een andere naam, met een ander gezicht, maar met dezelfde opgave.

Zij verstart niet in organisaties, noch in ceremoniën, maar zij  is beweeglijk in haar geduld. Geestelijk geduld is plooibaar, maar nooit breekbaar.

Wanneer dat spirituele geduld als eerste eis aan de pelgrim wordt voorgelegd, heeft dit een oorzaak: de ware weg is onmogelijk zonder dit geduld. Iedereen moet dit geduld deelachtig worden en het dus in zijn ware gedaante gaan zien.

Een nerveus, gespannen mens verwaarloost het geduld, een egoïstisch mens maakt een karikatuur van het geduld, hij verandert deze vruchtbare eigenschap van Moeder Aarde in een bevroren grond, waarin geen zaad kan ontspruiten.

Uit het geduld ontspringt inzicht, angstloosheid, spirituele activiteit; zelfwerkzaamheid begint bij geduld. Het is niet voor niets dat juist deze gave in onze gehaaste tijd in de mensheid ontbreekt. Zij wordt haar ontstolen, het geduld wordt omgezet in aspiratie. Zo heeft de maatschappij er iets aan en zo wordt er een sterk maatschappelijk bouwwerk opgericht.

Men moet de geduldigen der aarde aangrijpen en hen de boel op poten laten zetten, dat is een garantie voor welslagen.  De ware kandidaat zal nooit kunnen verzuchten: « Ik heb geen geduld », omdat zijn gehele streven er op gericht moet zijn dit geduld te beërven. Zichzelf innerlijk ontvouwen, ontdekken, is een kwestie van geduld. Door de zelfkennis met behulp van het geduld kan een toekomende opgave nooit mislukken, omdat onaangename verrassingen zijn uitgesloten.

Het werkwoord dulden is eveneens een aanwijzing voor wat er in het geduld aanwezig moet zijn. Ongeduldige mensen dulden vele dingen niet, vooral niet de rust tot verdieping. Zij zoeken in diepste wezen de diepte van het geduld, maar zijn nog niet in het reine gekomen met het dulden.

Geduld betekent autonomie.

Is er iets autonomer dan het geraamte, is er één werk belangrijker en zelfstandiger dan het vormen van de bloedcellen, die het gehele organisme gaan voeden?

De mens met het spirituele geduld vormt de cel waaromheen de ongeduldigen zich bewegen, omdat zij zich door middel van hem voeden.

Hij is hun aarde, hun geraamte, zijn geduld komt tot hen over als een rust, als een balsem voor hun gespannen ongeduld, een vervanger voor hun miserabele geloof en hun onzekerheid.

Als de mens gelooft in zijn godsvonk en van een ware pelgrim mag dit wel worden verwacht, moet hij beslist het geduld ontplooien om iets uit deze godsvonk te bouwen.

Zoals bij diverse bewegingen geschiedt, is een aanduiding van zijn bestaan niet voldoende; dat brengt geen ontwikkeling.

Indien deze 16 punten een vereiste werden in velerlei interessante bewegingen met mooi klinkende namen, liepen zij leeg.

Wij hoorden een vertegenwoordiger van zulk een beweging eens zeggen: « Ik weet dat hij mijn broeder in de beweging is, maar ik zou hem niet graag als buurman willen hebben. »

Dat zegt alles!

Broederschap is niet af te dwingen, niet te persen in een vorm; broederschap gaat van de ene mens over naar de andere als een electromagnetische stroom, wanneer een geestelijke opgave hen verbindt. Dan wordt men werkelijk broeders door dik en dun!

Dan is het een vreugde, wanneer zulk een broeder dagelijks in de nabijheid is.

Wanneer men van elkander weet, dat men zich werkelijk inspant om de zestien punten uit te dragen, verbindt dit streven de kandidaten.

vegetariërs zijn verbonden door het vegetarisme, geheel-onthouders door de drooglegging, maar deze instellingen veranderen de mens zelf, als wezen, als karakter in het geheel niet.

De zestien punten veranderen de mens!

Wil men iets bereiken dan moet men daadwerkelijk beginnen met de eerste opgave: het geduld.

Proef dit geduld in het denken, in de emotie, in de wil.

Vooral de wil heeft dikwijls een hekel aan het geduld, de mens wenst snel iets te bezitten of te realiseren. Men moet dit geduld aan alle kanten beproeven; maak er geen gezapigheid van, dan ontluistert men zijn scheppingsvermogen.

Geduld roept men in zichzelf op door elke dag, op een geschikte tijd, zichzelf te verbinden met de geest en het geloof te verdiepen, te onderzoeken en vooral zijn geestelijke horizon te verwijden.

Men heeft op niemand iets voor, omdat men vegetariër en geheelonthouder is en geen narcotica gebruikt.

Onthouding van dit alles maakt de mens echter sensitiever en dat betekent, dat men waarschijnlijk eigenschappen aankweekt, die tegen het biologische zijn indruisen: scherpe onderscheiding, isolement, gevoelig zenuwgestel, aversie tegen vele biologische uitingen. Men wordt biologisch gevoeliger en daarom zullen grof biologische uitingen de mens schaden.

Men is beslist niet beter dan menig ander mens, maar men heeft zich wel op een weg begeven die hem verandert, biologisch en spiritueel. Dat zou tot gevolg kunnen hebben dat men menswaardige eigenschappen ziet als te verwaarlozen bezittingen.

Men vergeet zichzelf dikwijls te zien als een mens, een schepsel dat moet samenleven met miljoenen van dezelfde soort.

Dat kan men niet van degenen verwachten, die geen inzicht bezitten, vele ontdekkingen nog niet hebben gedaan, dat zij zich instellen op hun naaste!  Neen, hij, die de meeste kennis bezit, buigt zich over naar de ander.  Dat is zijn taak, een logische opgave.

Hierin speelt het geduld eveneens een grote rol.

Men moet het geduld bezitten om het inzicht in de naaste te verkrijgen en daardoor begrip en medeleven te tonen.

De ware pelgrim schept geen afstand tussen zichzelf en zijn naasten, maar hij maakt van de afgrond, die er mogelijk tussen hen bestaat, een diepte vol schoonheid, vol prachtige bloemen, zodat deze afgrond inplaats van hen te scheiden, hen verbindt, een gemeenschappelijke interesse wordt!

In zulk een verbintenis telt het ego niet, dat wordt onbelangrijk en alleen op deze wijze vinden mensen een broederschap, die stand houdt door dik en dun.

Zie daarom het geduld als een realisatie, waarnaar men met heel zijn hart en heel zijn heilbegeren moet streven, want daarop berust het welslagen op de weg tot de Geest.


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene