Voorbereiding

Verhef u op de vleugelen van de Vuurvogel — en verrijs uit uw as — Stijg op tot de Hoogten va het Morgenrood en verenig u met het Zonne-lichaam waarin uw oorsprong ligt!

Verhef uw vleugelen en beweeg op het ritme van de trilling der Wijsheid — Die aan alle zijden — in u en buiten u — openbreekt als een bloemenhart, en drink de honing des Levens.

Verhef uw vleugelen en ontvlucht uw kooi! treedt de Werk’lijkheid tegen! De droom binnen de eeuwenlange ommuring gaat nu zijn waarheid tonen aan Hem, dir vrij geworden is.

Verhef u op uw vleugelen, o Goddelijke Mens en ga uw Waarheid binnen!

Herstel mijn vleugelen zodat ik U wedervinde, Licht !

Wanneer men een heerlijk geurende roos onderdompelt in een modderige sloot, zal de stank van de modder de rozengeur verdrijven. Zo is het ook met de heerlijkheid van de ziel.

De driften, de begeerten, de saturnale bezetenheid in denken en gevoelen van de mens, verdrijven de schoonheid en de adeldom van zijn ziel.

Zoals de roos kan verleppen, wanneer zij frisse lucht en licht ontberen moet, zo kan ook de ziel ineenschrompelen, wanneer haar het geestelijke zonnelicht wordt onthouden.

Het is de opdracht van Godswege om deze innerlijke zielebloem uit de modderige sloot te verlossen. Het is waanzin om te beweren, dat zij dit alleen zal kunnen!

De roos heeft zonlicht nodig en de ziel heeft geestelijk licht nodig.

De ziel, als innerlijke kern van de spirituele mens, moet men niet te veel kracht toekennen als zij onbewust is! Zoals een afgeplukte roos aangewezen is op verzorging, zo is de gevallen ziel aangewezen op een toegewijde attentie.

Het probleem ligt in de verbintenis tussen ziel en geest, ziel en zon! De Zon Is en de ziel Is. Maar tussen beiden staat de schijngestalte van de egocentrische mens, die alles in het werk stelt om ziel en geestzon te scheiden.

In deze schijngestalte bevinden zich al die belemmerende planetaire machten en krachten, zoals in de noodorde de cosmische, verdorven krachten zich gesteld hebben tussen de straling van de geest en de aarde-planeet.

Het geestelijk licht moet door de mens heen dringen om de ziel te bereiken en hij is dag in dag uit druk doende afwerende magnetische velden rond zichzelf op te bouwen om dit licht tegen te houden. Misschien doet men dat niet altijd bewust, maar daardoor is de actie niet minder belemmerend.

De planetaire Zon schenkt ieder mens zelfbewustzijn.

Zelfbewustzijn kan een groot obstakel betekenen, maar het kan eveneens een hulp zijn. Hulp komt vanzelfsprekend altijd vanuit het geestelijke veld, maar indien de straling hiervan de mens niet kan bereiken, heeft hij er niets aan.

Een sterk heersende Zonnekracht in het menselijk leven drukt zich uit in het zelfbewustzijn van de persoonlijkheid. Men is zich dan zeer bewust van zichzelf, van zijn gaven, zijn macht, zijn kwaliteiten, innerlijk en uiterlijk.

De planetaire Zon is het hart van het zonnestelsel en in een mensenleven is het zelf het middelpunt waar alles om draait.

Vanuit dit zelf toont hij zichzelf naar buiten, dit zelf is zijn visitekaartje.  Het drukt zich uit langs de twaalfvoudige projector der zodiak en tevens langs de zevenvoudige projector der planeten. 

Daarom geeft het zelf van de mens zulk een ingewikkeld beeld te zien en is hij dikwijls zo moeilijk te peilen, zowel voor anderen als voor zichzelf.

De ziel gaat schuil achter die gecompliceerde maskerade, waarbij het zelf haar grote tegenspeler is. Vandaar dat de begeleidende hoofdzonde van de Zon de hoogmoed is.

Hoogmoed is een geprononceerd zelfbewustzijn. Men is zozeer overtuigd van de eigen capaciteiten, van de eigen macht, dat men de moed des levens verandert in hoogmoed des levens.

Zij, die door hoogmoed worden beheerst, zijn immuun voor indrukken van buitenaf, zowel voor aanvallen als voor smeekbeden. De hoogmoed zondert het menselijke zelf af en verwijdert hem van de medemens, zowel als van de geest.

De cosmische Zon is de heerser van het universum, de hoogmoedige mens is de overheerser binnen zijn eigen levensomstandigheden, hij beheerst altijd de situatie.

In het zodiakale teken van de Leeuw staat de Zon oppermachtig en deze mensen worden dan ook altijd gedreven door levensmoed, doorzetting, waardigheid en onaantastbaarheid.

Niemand kan zichzelf beter afsluiten voor de uiterlijke omstandigheden en zichzelf beter verdedigen tegen slechte invloeden dan de Leeuw. 

De Maagdtypen kunnen zich daar voor eveneens afsluiten, doch zij hollen zichzelf uit, zij snijden zichzelf van de levensstroom af.

De Leeuwmens vindt echter in zijn sterke zelfbewustzijn altijd weer kracht om zichzelf op te laden, in zuiver stoffelijke zin gesproken. Leeuwmensen zijn dikwijls zoekers naar de geest en indien zij zich niet op het spirituele vlak bewegen, zoeken zij niettemin een verheven doel, om van daaruit over hun medemensen of hun ondergeschikten te kunnen heersen.

In de spiritualiteit tracht de Leeuwmens de ziel te leiden, naar zijn ideeën om te buigen, maar niet omdat hij uitgesproken egocentrisch zou zijn, integendeel, hij meent, dat hij geroepen is om de ziel thuis te brengen en daarvoor heeft hij zeer veel over.

Leeuwmensen worden in de spiritualiteit maar al te dikwijls geëxalteerd, omdat zij alles willen offeren om een zichzelf gesteld doel te bereiken. Dan haken zij niet meer naar uiterlijk vertoon, maar zoeken spiritueel vertoon, want tenslotte moet een Leeuw coûte que coûte indruk maken.

Ieder mens bezit een persoonlijkheid, maar zoals men weet en bemerken kan, heeft de één een sterkere persoonlijkheid dan de ander en dit heeft niets te maken met een mogelijk geestelijke ontwikkeling, maar is uitsluitend het gevolg van een Zonne-inwerking. De Zonnekracht in een mens kan hem voor de medemens onsympathiek maken, dan wel in hoge mate sympathiek: het ligt eraan hoe deze mens zijn Zonnekracht benut.

Overheersende, betweterige, uitermate arrogante typen stoten de medemens af, want hoewel zij een sterk uitstralend vermogen hebben, houdt juist deze uitstraling de vriendschap tegen.

Zonnekracht schenkt echter ook warmte, interesse voor anderen, een schijn-liefdevolle uiting en een sterke, aantrekkende oogstraling. De Zon trekt tot zich, maar komt men te dichtbij, dan wordt men verbrandt. Zo is het ook met de over-zelfbewuste mens, hij trekt hen, die behoefte hebben aan zelfbewustzijn, aan kracht, tot zich, maar klampen zij zich aan hem vast, dan verbranden zij, want hij verslindt hen en benut hun levenskracht. Ieder zelfbewust mens, die zichzelf overschat, verslindt zijn medemensen, als zij hem daartoe de kans geven.

In iedere sterke persoonlijkheid is er de neiging de medemensen te verorberen; hij heeft daaraan behoefte en laadt zichzelf daarmede op. Het roofdier voedt zichzelf met medeschepselen. 

Slechts in de paradijselijke toestand leven het lam en de leeuw vriendschappelijk naast elkander!

Denk hier eens even over na!

In hoeverre leeft het sterke ego vriendschappelijk en tolerant naast het andere ego? Er is in het uitstralende levensveld van de sterk zelfbewuste mens geen plaats voor anderen, zij worden als muggen door zijn licht verbrand!

In werkelijkheid zou het zielelicht als de Zonnekracht moeten zijn.

Het ongedierte zou moeten verbranden en de schone, geestelijke bloemen zouden moeten openbloeien, terwijl de tere, jonge knoppen van de medemensen daarin tot wasdom zouden moeten komen. 

De Zonnekracht in een mens heeft waarachtig zin!

Levensmoed, levenslicht en geestelijk licht moeten tezamen een koesterend, verwarmend en verlichtend ademveld toebereiden voor het innerlijke zelf en het zielezelf der medemensen.

In de spirituele Leeuwmens is dan ook duidelijk te bemerken, dat hij zich bewust is van de Zonnekracht in hem. Hij staat klaar voor anderen, hij legt zichzelf een strenge levenshouding op en hij maakt zichzelf immuun voor de kwalijke indrukken van buitenaf.

Niemand is serieuzer strevend dan de Leeuwmens en zijn enige struikelblok is dat hij zo fanatiek streeft. Hij kan het niet nalaten, hij wil zijn doel bereiken.

Zodra een mens een spiritueel pad betreedt, komt hij in conflict met zijn zelfbewuste ego. De één ondervindt daarvan een fellere tegenstand dan de ander, maar bij de één is het te groot zelfbewustzijn een obstakel en bij de ander is het gebrek aan zelfbewustzijn een beletsel.

De spirituele mens moet zich bewust zijn van zichzelf, zowel in negatieve als in positieve zin. Men moet zijn gebrek aan zelfbewustzijn onderkennen, evenals zijn overdosis aan zelfbewustzijn. Nu zijn de eersten gemakkelijker tot inzicht te brengen dan de laatsten, want deze sluiten zich veelal af voor raad, voor lering, en voor toenadering met betrekking tot hun individuele leven.

In de maatschappij is de positie van een leider veel onbereikbaarder voor aanvallen en veranderingen dan de positie van een ondergeschikte. Zo is het ook in de spiritualiteit van ego en ziel. De ziele-impulsen zijn eerder te geleiden door een minder geprononceerd zelf dan door een overheersend zelf.

De hoogmoedige mens accepteert geen inmenging in zijn levensloop, noch in zijn spirituele levensgang en hierdoor kan hij wel eens de ziele-impulsen afwijzen. Hij wil zelf beslissen wanneer, waar en hoe deze ziele-impulsen tot hem moeten komen. Hij zal zeer zelfbewust het spirituele proces wel even organiseren, zoals de directeur zijn onderneming organiseert en leidt. In iedere sterke persoonlijkheid leeft deze neiging.

Het zelfbewuste ik wil leiding geven, ordenen, methoden in het leven roepen.

Is die hele spirituele business niet juist op deze neiging opgebouwd?

Wanneer men spreekt over ik-versterving en dat wordt nogal eens gedaan in de diverse groeperingen, veronderstelt men dat men alle kwaliteiten van het ik moet doden, onderdrukken, negeren.

Steeds weer leest en hoort men: Ontledig u, laat af van de ik-driften!

Het uitgangspunt is juist!

Maar hoe kan men zichzelf ontledigen, wanneer men het ik niet kent?  Maar al te vaak grijpt het ik het ik aan en ontstaat er een dwangpositie.

Ontledigen, ik-versterving is niets anders dan herkenning en  loslaten; een beeld dat men loslaat, valt en breekt in stukken.

De gedachtenbeelden van een mens zijn echter eeuwenoude bouwwerken en deze kan men niet loslaten, voordat men de voet, het fundament, heeft uitgegraven uit de in de loop der eeuwen aangeslibde grond. Men moet niet krampachtig doende zijn om zijn ego te bestrijden, maar men moet zich wel bewust zijn van het « tot hiertoe en niet verder ».

De spirituele mens moet zeer zeker afbreken, wil hij zijn ziel de zo benodigde licht en levenskracht toevoeren.

Wat heeft men eraan, dat de geest en de ziel ZIJN, als zij elkander niet kunnen bereiken?

De eerste schrede moet altijd van de mens uitgaan.

Het is niet zo dat de mens er maar op los kan leven, want: God vindt hem wel!  Men kent deze levensinstelling wel, want hij wordt dikwijls gepropageerd.

Indien dit waar zou zijn, zou de wereld er anders uitzien.

God zoekt niet, doch de mens behoort te zoeken, dat is de individuele handeling. Zodra de ziel en de geest elkander ontmoeten, houdt de zoekersweg op, in uiterlijke zin.

Innerlijk zoekt de ziel steeds meer licht, steeds meer voedsel, steeds sterker kracht. Daarom is er geen stilstand, maar de ziel en de geest komen steeds dichter op elkander toe, waardoor de inzichten, de spirituele indrukken van de ziel steeds grootser worden. Hoe dichter men bij een vergezicht komt, des te duidelijker onderscheidt men de onderlinge beelden.

Een spiritueel mens is daarom steeds bereid zijn inzicht prijs te geven, maar hij verlaat nooit zijn uitgangspunt.

Vanuit de verte meent men een dier te zien in het landschap, dichterbij gekomen herkent men het dier als een boom; het vergezicht blijft in zijn geheel echter hetzelfde.

En nu doen tastende en groeiende zielen niets anders, dan elkander te wijzen op het vergezicht en te discussiëren over de onderdelen daarvan en zij menen allen iets anders te onderscheiden, omdat hun ego meespreekt en zijn mening ten beste geeft over het vergezicht. Dit ego ziet altijd iets anders, omdat het niet van hetzelfde beeld uitgaat als de ziel.

Zielen ontmoeten elkander altijd, indien de persoonlijkheid ophoudt zijn mening aan hen op te dringen. Zielen hebben eenzelfde taal, zij hebben geen lessen in taalkunde nodig.

De taak voor iedere spirituele zoeker is dezelfde: stil worden om de taal der ziel beter te kunnen beluisteren! Stil worden in de zin van ootmoed, toewijding aan de ziel, bereidheid tot leren en accepteren. Hij heeft zich slechts te houden aan één wet: bescherm het heilige der heiligen, opdat geen profane voet het zal schenden en zal ontheiligen!

Bewaar hetgeen heilig is in de pelgrim en luister, als de priester in de Tempel, naar de Stem des Geestes. Zo zal de zielebloem terug gevonden worden in de modderige grond, waarin zij nu verkommert. De pelgrim moet zich laten leiden door de Geestzon en nooit zelf leiden!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene