Men moet de rol van de Maan in de cosmologie niet onderschatten, want zij neemt naast de Zon een belangrijke positie in, omdat zij actief deelneemt aan de opbouw van het menselijke wezen. De groei van het embryo en van het nog onbewuste kind geschiedt onder inwerking van de Maan.

Ieder mens draagt veel van de Maankrachten in zich, hij draagt haar lijkengif in zich, haar negatieve afhankelijkheid, haar drang tot groei, haar neiging tot reflectie. Zolang men op aarde leeft, gebonden is aan het zonnestelsel van de aarde, leeft men noodgedwongen uit de Maankracht. Op volwassen leeftijd wordt dit minder, omdat men bewuster gaat leven (dat is althans de bedoeling) en zich niet laat mededrijven op de cosmische impulsen. Een 'halt' toeroepen aan deze impulsen wil altijd zeggen, zichzelf onder het juk der cosmische wet der aarde uitwerken, maar dan moet er een andere wet voor in de plaats komen, een Orde waaraan men zich overdraagt.

De inwerking van de Maan is duidelijk te herkennen in het type van de Kreeft, dat zo bewogen wordt door de twee Maan-kenmerken: aantrekken, alles thuis brengen, optasten, in een veilige have onderbrengen en dus zichzelf vullen met herinneringen, het herhalen en reflecteren van gebeurtenissen èn het afstoten, het terugzenden van bezielende kracht, omdat men angst voor het ontstelen der eigen schatte' heeft. Op zulk een moment leeft deze mens uit de giftige adem van de Maan, hij vergiftigt zichzelf en stoot daardoor herstel, vernieuwing, heling af. Niettegenstaande verlangt hij met heel zijn wezen naar herstel en vernieuwing en daarom zoekt hij onwillekeurig in zijn omgeving steun bij hen, die steeds met zulk een vernieuwing bezig zijn, innerlijk, uiterlijk. Hij weet dat vernieuwing hem behouden kan en daarom vindt hij opwekking in veranderingen, beweeglijkheid, vreugde.

De Maan is een stervende planeet en aangezien niet één schepping zijn stervensuur zonder tegenstand aanvaarden kan en zeker niet een Maantype, of de Maan, die juist op groei en vormgeving gericht is, tracht hij dit uur te verzetten door Fohat, levenskracht, beweging te vinden op een andere wijze, n.l. bij zijn naasten.

De Maan doet dit bij de aardeplaneet, de Maanmens doet dit bij zijn naasten of eenvoudig in zijn omstandigheden.

De hoofdzonde van de Maan is de luiheid.

Breng dit woord niet direct van toepassing op die banale luiheid, waarmede de mensen deze eigenschap typeren.

Luiheid is een gevolg van gebrek aan beweging, aan innerlijke opbraak, aan energie die uit de beweging of de wrijving wordt geboren. De fohat of de elektrische spirituele bezieling verjaagt onmiddellijk de luiheid.

De Kreeftmens met zijn sterk emotionele instelling en zijn behoefte aan intuïtieve bezieling hunkert naar fohat, waardoor hij heel zijn Maanbewustzijn, zijn instinctieve emotionele drang op een mogelijke hulp, een verlossing kan richten. Het is een instinctieve drang uit nood, uit angst: angst voor het sterven, zoals dit bij de Maan waarneembaar is. Ook hierbij niet denken aan de horizontale banale angstjes voor het uur des doods, hoewel deze soms een begeleidend verschijnsel vormen, maar de Kreeftmens wil zich vastklemmen aan een lichtimpuls, omdat daarvan zijn leven afhankelijk is. Hij houdt dit vast, zoals een kreeft, omdat hij hierdoor zichzelf beschermt, zichzelf redt.

Wederom dus speelt de angst de rol op de achtergrond.

De luiheid kan de mens fataal worden, daar waar hij zich door hem laat overrompelen, want hij is giftig, zoals de Maantrillingen giftig zijn voor de ziel. Verzinkt de Maanmens in luiheid, afwezigheid van actie, beslotenheid, dan wordt hij vergiftigd, zoals stilstaand water giftig wordt.

Watermensen moeten in beweging zijn, terwille van hun eigen behoud. In  ieder mens leeft soms die wens naar lui zijn, dit is een vervormde afspiegeling van de onbeschrijflijke stilte, waarnaar de zielemens uitziet. De Maankracht in de mens schenkt hem somtijds behoefte aan bespiegelen, herinneringen ophalen, de eigen innerlijke schat aftasten en het veilig bewaren van de waardevolle dingen.

Zoals ieder mens steeds weer geplaatst wordt voor die bijna onoverkomelijke drempel, die zijn hoofdzonde is en die zich maar al te dikwijls verbergt onder veel stof en puin, zo zal de Maanmens eigenlijk een onophoudelijk gevecht voeren tegen zijn eigen ik, dat zich concentreert in een emotionele aantrekking en afstoting en dat hem overmant zodra hij in denken en daad niet meer in beweging is.

Niemand beter dan de Kreeftmens voelt zijn zwakte en vandaar zijn maskerade, zijn pantser. Hij is bang voor de eigen zwakte en staat hiermede in lijnrechte tegenstelling tot de Zonnemens, die eigenlijk bang is voor de eigen kracht.

In het kielzog van de mens die dadendrang bezit, bevinden zich veel Maanmensen, omdat dit hun behoud is, zo menen zij.

Adepten, meesters, positieve leiders, trekken veel Maanmensen aan, omdat zij behoefte gevoelen aan levenskracht, op welke manier dan ook.

Luiheid is een aspect van sterven; sterven van autonomie en ziele-activiteit. Een lui kind is niet geheel wakende naar de geest, in intelligentie, in actieve naar buiten tredende daad.

Luiheid is geen domheid, maar een sluimer, die doorbroken moet worden, wil het ware wezen van het kind (de mens) naar buiten treden. Deze luiheid kan angst betekenen voor de confrontatie met de werkelijkheid, vandaar dat de Maanmensen zich verschuilen, achter hun masker, achter hun pantser, in hun hol, in zelfbedrog.

Om tot een doorbraak te komen van deze onbewustheid naar de ziel, waaraan ieder mens leidt, moet er een daad gerealiseerd worden. Zonder die daad wordt de sluimering niet opgeheven.

Men spreekt ook over de Maansluier, die over het zielebewustzijn gevallen is.

Luiheid is het weigeren deze sluier weg te nemen. Omdat men weet dat het onvermijdelijk geschieden moet, laat men de omstandigheden of een medemens deze sluier wegtrekken, zodat de consequenties ook op de ander, of de omstandigheden afgeschoven kunnen worden.

Helaas is dit een onderdeel van het spel, van de maskerade, want niemand kan voor zijn medemens het Aurora, de dageraad, het ontwaken, realiseren. 

De beslissende daad moet altijd van de mens zelf komen.

De zonde van de luiheid zoekt steun in de zonde van Venus, de wellust en in die van Saturnus, de gierigheid. De eerste sluit aan bij de emotionaliteit van de Maan, de laatste sluit aan bij de optasting, het verzamelen van schatten. Zoals drift en afgunst beweeglijk zijn, zo zijn wellust, luiheid en gierigheid geneigd naar stilstand. Venus bekijkt zich wellustig in de spiegel, het Maanmetaal en wordt overmand door luiheid, als zij haar eigen schoonheid ziet.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene