21 - De hoofdzonde : de luiheid in verhouding tot de maan-mens — de kreeft

De geur der lotus stijgt op van het altaar uwer Dienst, Heer.


Voorbereiding

Aan de horizon van mijn denken licht het visioen der Vrijheid — als een beeld waarnaar mijn ziel onophoudelijk zucht.

Zolang waarheid en leugen elkander echter bestrijden in mijn gemoed herken ik de levenslichten der Vrijheid nog niet.

Zolang het ego zich verheugen blijft in het visioen der vrijheidsmacht versta ik de zieleklanken der Vrijheid nog niet.

Dan is vrijheid een waan die mij redt uit ’t bestaan van ’s werelds baan.

Wanneer de vlammen spelen om het visioen der Vrijheid op het Altaar van uw Dienst, ben ik eindlijk Thuis, Heer!

De geur der lotus stijgt op van het Altaar uwer Dienst, Heer !

Het is wellicht voor de zelfgenoegzame mens onmogelijk te accepteren, dat hij het slachtoffer zou zijn van zijn hoofdzonde, zijn cosmische structuur, zijn karakter, zijn ingeboren bloedsdriften. Naast de ingeëtste typeringen, waaronder de hoofdzonde valt, bezit ieder mens eveneens vrijmakende gaven, d.w.z. drijfveren, die hem van het cosmische stempel, zijn karakter, zijn merktekens kunnen bevrijden.

Deze gaven  komen echter uit de ziel. Een werkzame ziel zal dus meer voor deze mens kunnen doen dan een slapende ziel, die zich willoos laat medevoeren door de persoonlijkheid.

De fatalistische levensopvatting, die voor sommige religieuze groeperingen en voor sommige volkeren zo kenmerkend is, sluit de vernieuwingsmogelijkheid van een zielewerking uit.

Karma, reïncarnatie, horoscopie, lot, al deze begrippen vallen weg zodra de ziel in staat is de leiding in het menselijke leven in handen te nemen. Men kan uit een cosmische tekening het menselijke lot vrijwel zeker aflezen, indien de ziel niet ingrijpt.

De mens is het product van een verleden, gegoten in een vorm, waarin de cosmische trillingen hun kenteken hebben gedrukt.

Een opeenvolging van hernieuwde vormgevingen, maakten hen tot vat vol herinneringen, indrukken, ervaringen, kenmerken. Deze stelling berust niet op geloof, men kan haar heel simpel waarnemen.

In de vormgeving van het zelf van de mens, zijn ik, neemt de Maan een belangrijke positie in, zij is de onontbeerlijke compagnon van de aarde bij de arbeid van de groei, de vormgeving, hoewel haar impulsen destructief zijn voor de ziel.

Zoals bekend, is de Maan een stervende planeet, d.w.z. de fohatkracht, de bezielende trilling is bezig zich uit de Maan terug te trekken, doch daarom is haar straling niettemin uiterst vruchtbaar voor de aarde en voor het emotionele ik van de mens.

Haar stervende kracht draagt een element mede, waarin zielloze mensen, (daarmede bedoelen we tevens occult gerichte mensen, die zich op wil en emotie, op intellectuele scholing en hoogmoed baseren) fantastisch gedijen.

Iemand, die zeer sterk aardgebonden is, leeft op de Maankracht.

Op de graven der doden groeien het gras en de planten welig, de afgewerkte trillingen voeden het levenssap, hoewel tegelijkertijd lijkengif dodelijk kan zijn.

Hierin vindt men de twee tegengestelde werkingen van de Maan en daarom zullen zij, die onder haar straling geboren werden in zichzelf tegengesteld zijn, groeiend, vergarend, optastend en tegelijkertijd dikwijls destructief, vergiftigend. De Maan werkt aantrekkend en afstotend, zoals de wateren der aarde bewijzen en daarom is het Maantype zo dikwijls tegen zichzelf, hoewel hij aan de andere kant zichzelf koestert.

Niemand is meer gemaskerd dan de Maanmens, die vrijwel doorlopend een rol speelt en zichzelf verschuilt achter zijn image, dikwijls onvindbaar voor anderen en soms zelfs onvindbaar voor zichzelf. De Maan bewaakt de aarde en tegelijkertijd zuigt zij haar uit, onttrekt zij het levenssap om zichzelf daarmede te voeden.

Men moet de rol van de Maan in de cosmologie niet onderschatten, want zij neemt naast de Zon een belangrijke positie in, omdat zij actief deelneemt aan de opbouw van het menselijke wezen. De groei van het embryo en van het nog onbewuste kind geschiedt onder inwerking van de Maan.

Ieder mens draagt veel van de Maankrachten in zich, hij draagt haar lijkengif in zich, haar negatieve afhankelijkheid, haar drang tot groei, haar neiging tot reflectie. Zolang men op aarde leeft, gebonden is aan het zonnestelsel van de aarde, leeft men noodgedwongen uit de Maankracht. Op volwassen leeftijd wordt dit minder, omdat men bewuster gaat leven (dat is althans de bedoeling) en zich niet laat mededrijven op de cosmische impulsen. Een 'halt' toeroepen aan deze impulsen wil altijd zeggen, zichzelf onder het juk der cosmische wet der aarde uitwerken, maar dan moet er een andere wet voor in de plaats komen, een Orde waaraan men zich overdraagt.

De inwerking van de Maan is duidelijk te herkennen in het type van de Kreeft, dat zo bewogen wordt door de twee Maan-kenmerken: aantrekken, alles thuis brengen, optasten, in een veilige have onderbrengen en dus zichzelf vullen met herinneringen, het herhalen en reflecteren van gebeurtenissen èn het afstoten, het terugzenden van bezielende kracht, omdat men angst voor het ontstelen der eigen schatte' heeft. Op zulk een moment leeft deze mens uit de giftige adem van de Maan, hij vergiftigt zichzelf en stoot daardoor herstel, vernieuwing, heling af. Niettegenstaande verlangt hij met heel zijn wezen naar herstel en vernieuwing en daarom zoekt hij onwillekeurig in zijn omgeving steun bij hen, die steeds met zulk een vernieuwing bezig zijn, innerlijk, uiterlijk. Hij weet dat vernieuwing hem behouden kan en daarom vindt hij opwekking in veranderingen, beweeglijkheid, vreugde.

De Maan is een stervende planeet en aangezien niet één schepping zijn stervensuur zonder tegenstand aanvaarden kan en zeker niet een Maantype, of de Maan, die juist op groei en vormgeving gericht is, tracht hij dit uur te verzetten door Fohat, levenskracht, beweging te vinden op een andere wijze, n.l. bij zijn naasten.

De Maan doet dit bij de aardeplaneet, de Maanmens doet dit bij zijn naasten of eenvoudig in zijn omstandigheden.

De hoofdzonde van de Maan is de luiheid.

Breng dit woord niet direct van toepassing op die banale luiheid, waarmede de mensen deze eigenschap typeren.

Luiheid is een gevolg van gebrek aan beweging, aan innerlijke opbraak, aan energie die uit de beweging of de wrijving wordt geboren. De fohat of de elektrische spirituele bezieling verjaagt onmiddellijk de luiheid.

De Kreeftmens met zijn sterk emotionele instelling en zijn behoefte aan intuïtieve bezieling hunkert naar fohat, waardoor hij heel zijn Maanbewustzijn, zijn instinctieve emotionele drang op een mogelijke hulp, een verlossing kan richten. Het is een instinctieve drang uit nood, uit angst: angst voor het sterven, zoals dit bij de Maan waarneembaar is. Ook hierbij niet denken aan de horizontale banale angstjes voor het uur des doods, hoewel deze soms een begeleidend verschijnsel vormen, maar de Kreeftmens wil zich vastklemmen aan een lichtimpuls, omdat daarvan zijn leven afhankelijk is. Hij houdt dit vast, zoals een kreeft, omdat hij hierdoor zichzelf beschermt, zichzelf redt.

Wederom dus speelt de angst de rol op de achtergrond.

De luiheid kan de mens fataal worden, daar waar hij zich door hem laat overrompelen, want hij is giftig, zoals de Maantrillingen giftig zijn voor de ziel. Verzinkt de Maanmens in luiheid, afwezigheid van actie, beslotenheid, dan wordt hij vergiftigd, zoals stilstaand water giftig wordt.

Watermensen moeten in beweging zijn, terwille van hun eigen behoud. In  ieder mens leeft soms die wens naar lui zijn, dit is een vervormde afspiegeling van de onbeschrijflijke stilte, waarnaar de zielemens uitziet. De Maankracht in de mens schenkt hem somtijds behoefte aan bespiegelen, herinneringen ophalen, de eigen innerlijke schat aftasten en het veilig bewaren van de waardevolle dingen.

Zoals ieder mens steeds weer geplaatst wordt voor die bijna onoverkomelijke drempel, die zijn hoofdzonde is en die zich maar al te dikwijls verbergt onder veel stof en puin, zo zal de Maanmens eigenlijk een onophoudelijk gevecht voeren tegen zijn eigen ik, dat zich concentreert in een emotionele aantrekking en afstoting en dat hem overmant zodra hij in denken en daad niet meer in beweging is.

Niemand beter dan de Kreeftmens voelt zijn zwakte en vandaar zijn maskerade, zijn pantser. Hij is bang voor de eigen zwakte en staat hiermede in lijnrechte tegenstelling tot de Zonnemens, die eigenlijk bang is voor de eigen kracht.

In het kielzog van de mens die dadendrang bezit, bevinden zich veel Maanmensen, omdat dit hun behoud is, zo menen zij.

Adepten, meesters, positieve leiders, trekken veel Maanmensen aan, omdat zij behoefte gevoelen aan levenskracht, op welke manier dan ook.

Luiheid is een aspect van sterven; sterven van autonomie en ziele-activiteit. Een lui kind is niet geheel wakende naar de geest, in intelligentie, in actieve naar buiten tredende daad.

Luiheid is geen domheid, maar een sluimer, die doorbroken moet worden, wil het ware wezen van het kind (de mens) naar buiten treden. Deze luiheid kan angst betekenen voor de confrontatie met de werkelijkheid, vandaar dat de Maanmensen zich verschuilen, achter hun masker, achter hun pantser, in hun hol, in zelfbedrog.

Om tot een doorbraak te komen van deze onbewustheid naar de ziel, waaraan ieder mens leidt, moet er een daad gerealiseerd worden. Zonder die daad wordt de sluimering niet opgeheven.

Men spreekt ook over de Maansluier, die over het zielebewustzijn gevallen is.

Luiheid is het weigeren deze sluier weg te nemen. Omdat men weet dat het onvermijdelijk geschieden moet, laat men de omstandigheden of een medemens deze sluier wegtrekken, zodat de consequenties ook op de ander, of de omstandigheden afgeschoven kunnen worden.

Helaas is dit een onderdeel van het spel, van de maskerade, want niemand kan voor zijn medemens het Aurora, de dageraad, het ontwaken, realiseren. 

De beslissende daad moet altijd van de mens zelf komen.

De zonde van de luiheid zoekt steun in de zonde van Venus, de wellust en in die van Saturnus, de gierigheid. De eerste sluit aan bij de emotionaliteit van de Maan, de laatste sluit aan bij de optasting, het verzamelen van schatten. Zoals drift en afgunst beweeglijk zijn, zo zijn wellust, luiheid en gierigheid geneigd naar stilstand. Venus bekijkt zich wellustig in de spiegel, het Maanmetaal en wordt overmand door luiheid, als zij haar eigen schoonheid ziet.

Men moet het Pad tot de goddelijke Hoogten niet al te simplistisch voorstellen, niet voor niets worstelt de mens reeds vele levens lang om die top der versterving te bereiken. Die vergiftigende primitieve instelling Als ik mijn zonden op Jezus gooi en Als ik mij maar op de Gnosis gericht houd is de grond waarin luiheid, wellust en gierigheid welig tieren.

Niettemin is de gronduitspraak raak.

Maar Hoe en Wanneer is men op de Gnosis, God, gericht?

En waarmede richt men zich?

Daaraan moet deze mens denken!

De overgave-idee, die bij deze mensen centraal staat, kan maar al te dikwijls ontaarden in gemakzucht, maskerade, hypocrisie, waarachter een tweede, a-spiritueel leven verborgen wordt.

Maanmensen zijn krachtig, doordat zij zichzelf opblazen met levenstrillingen, zij zijn machtig in negatieve, absorberende zin.

Niet krachtig in uitstraling, maar machtig door inwerking:

hetzij zichzelf daardoor vernietigend, hetzij zichzelf van binnenuit optrekkend. 

Uitstralende typen uiten zich in spreken en doen, inhalerende typen uiten zich door denken (piekeren), opzouten, aanvaarding. Uitstralende typen zijn magisch, dikwijls dwingend en dominerend, inhalerende typen zijn impressionerend door het ondoorzichtige, het geheim dat zij mede kunnen dragen. Het fluïdum van de ene mens stimuleert tot actie en van de andere mens zet het aan tot overpeinzing.

«  Stille wateren hebben diepe gronden. »

Dit is voor de Maanmensen en speciaal voor de watermensen een waar woord. Diepe gronden verbergen geheimen, schoonheid, afgronden, maar ook monstrueuze gedaanten.

Een hoofdzonde kan opgeheven worden door zijn tegenstelling, maar dat wil niet zeggen dat hij volkomen is uitgewerkt.

Drift kan beteugeld worden door stilte, zelfbeheersing, maar dat wil niet zeggen dat de angel van de drift werd uitgerukt, hij werd slechts beheerst. 

Afgunst kan worden teruggebracht door begunstiging, waarmede er een tijdelijke rust gekomen is.

Wellust kan beteugeld worden door onthouding, afwijzing, waardoor er een kunstmatige onbewogenheid ontstaat.

Luiheid kan bedwongen worden door uiterlijke beweging en verandering, waardoor de schijn van innerlijke levenskracht gewekt wordt.

Beheersing is een oefening der zintuigen, van het denken, van het willen. Zelfbeheersing, waardoor de hoofdzonden gemaskeerd worden kan men aanleren. De occulte leringen staan vol met oefeningen. Doch in werkelijkheid verandert er innerlijk niets!

Men dekt slechts de zonde toe. Vandaar dat men van zulke mensen vaak het gevoel krijgt dat zij niet 'waar' zijn, dat zij verpakt zijn in plastic. Zij projecteren zichzelf door een waas van kunstmatigheid en wekken de schijn van wijsheid, rust, liefde en verdere edele gaven.

Er heeft geen omzetting plaatsgevonden, maar er werd slechts een tegenzet gedaan in het schaakspel van het leven. 

Men kan zeggen dat er remise werd gespeeld!

Voor een omzetting, zoals Saturnus omgezet moet worden in Christus, heeft men zielekracht nodig en geen methode!

Aanwijzingen zijn noodzakelijk om de muur rond de ziel te slechten, maar is die muur eenmaal geslecht, dan weet de ziel intuïtief en gewetensvol de Weg naar Huis te vinden.

En dit is de opdracht voor ieder mensenkind, onverschillig zijn aard, zijn belemmering, zijn gaven. Indien een mens hierin inzicht krijgt, is dat een genade, maar met zulk een genade moet gearbeid worden, opdat zij niet zal verstikken of wegvloeien.

Hij, die dit weet arbeidt verder!


1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene