Anders is dit met de Maagdtypen. Hun jaloezie uit zich volkomen anders, omdat hun innerlijke stabiliteit nooit toegeeft aan de pijlen van het jaloezie-vuur. Hij slaat om naar het tegengestelde en verziekt zichzelf door opzouten, mokken, wrok en afwijzendheid. Hij uit zijn jaloezie in een dikwijls overdreven, precieuze ijverzucht, hij doet zijn oogkleppen voor, opdat hij het verblindende licht van de zon niet ziet en negeert zijn weten daaromtrent, maar ijvert zonder ophouden om zijn zucht naar innerlijke opgang te realiseren.

Daar waar de Tweelingtypen hun doel der vooruitgang kunnen missen, omdat zij steeds weer afgeleid worden door nieuwe methoden, nieuwe doelen, nieuwe mogelijkheden, daar zet de Maagdmens altijd door wat hij eenmaal is begonnen.

Hier is de Boodschapper te herkennen, hij is belast met een opdracht, een arbeid en dit zal hij uitvoeren. Hij is zich bewust van zijn positie. Deze instelling schenkt een zekere meerwaardigheid, waardoor hij ongemoeid zijn beoogde doel kan volgen.

Jaloezie is destructief, ijverzucht is beperkend; een jaloers mens gaat over lijken om zijn doel te bereiken; een ijverzuchtig mens gaat over zijn eigen lijk om zijn onwrikbare doel te realiseren. 

In de Tweelingtypen is de jaloezie naar buiten gericht, als een verzengende vlam slaat zij door de mens heen en treft iedereen om zich heen.

In de Maagdtypen is zij naar binnen gericht, zij holt uit en vreet zijn slachtoffer op.

Ook deze hoofdzonde behoeft geen afschuw op te wekken, want zij is even slecht of even goed als de anderen. Iedere hoofdzonde is een verkracht goddelijk licht. Iedere demon bezat eens de kracht van een godheid.

Er is maar één Licht, één Kracht, één Volmaaktheid.

Het denken van de mens zet deze Kracht om in hoofdzonde, al naar de geaardheid van zijn type. Zowel de Tweeling, als hij onderling d.w.z. innerlijk, harmonie heeft, als de Maagd, als zij haar afgunst op zichzelf opgeeft, kunnen de arbeid van Boodschapper verrichten, zoals Mercurius opgedragen is.

De Tweeling moet behouden wat hij heeft en niet zien naar anderen en de Maagd moet afgeven wat zij heeft en niet afwijzend staan tegenover anderen. Bij beiden speelt de afgunst de rol van de beschermer van hun angst.

De Tweeling-mens is altijd beangst dat hij het niet redt, omdat de anderen hem belagen, hem vóór zijn, hem zijn kansen ontnemen, vandaar zijn wantrouwen.

De Maagd-mens geeft zijn bezit niet af, omdat hij dit te kostbaar vindt voor die anderen en bang is dat zij Het bezoedelen, vandaar dat hij dat meerwaardigheidsgevoel bezit.

Uit het besef van het kostbare innerlijke bezit, kan iets waardevols groeien. Tussen zichzelf afpeigeren, vergooien, vernietigen en zichzelf pijnigen, omlaagtrappen en afsluiten ligt die grens tussen de beide Mercurius-aanzichten.

Mercuriustypen zijn mensen van de rede, ofwel zij praten, ofwel zij praten beslist niet, maar zijn doordacht. De instinctieve jaloezie is als een orkaan, maar de mercuriaanse jaloezie is als een geraffineerde stormloop, altijd schietend op de zwakke plekken.

Ook hier is de angst wederom de oorzaak van de overgave aan de hoofdzonde. De angst is de duivel der tijdelijke natuur en daarom baart zij de zeven hoofdzonden. Indien deze angst er niet zou zijn, zou iedere planetaire hoofdzonde wegvallen en hun individuele opdracht zou openlijk uitgevoerd worden.

Want iedere planeet en daarom ieder planetair type zou gehoor moeten geven aan de hogere opdracht van de zeven geesten.

Mars moet de heilige daad realiseren;

Venus moet de liefde in het hart opwekken;

Mercurius moet de heldere belangeloze Rede uitdragen.

Zo zullen hun typen dit eveneens moeten realiseren en dan doet het er niet toe of men een Tweeling- dan wel een Maagdtype is.

De denkende Rede en de uitdragende Rede zijn beiden onontbeerlijk, zij behoren bij elkander.

De spirituele mens heeft de taak voor zijn ziel het pad te effenen, maar dit zal hij altijd doen op zijn specifieke manier, op de wijze die de zodiakale overheersing hem ingeeft.

De zodiak bepaalt zijn karakter, zijn bloedserfenis bepaalt zijn uiterlijke gedragingen of gewoonten, maar die uitgesproken zodiakale neigingen worden bepaald door zijn type en deze zijn altijd te herkennen. Wanneer deze neigingen omgezet zouden kunnen worden in de planetaire taak des hemels, dan zouden zij de bloedserfenis overschaduwen en de mens een hulp kunnen zijn.

Een liefdevol hart (Venus), een heilige moed (Mars) en een wijze rede (Mercurius) zijn, zo niet bewijzen van, dan altijd voorbereidingen voor een zielevervolmaking.

Een liefdevol hart kent geen wellust, een heilige moed kent niet de bezetenheid van de drift en een wijze rede kent noch onredelijkheid, noch redeloosheid, die zo kenmerkend zijn in de jaloezie. Achter deze drie werken des hemels staat dan ook niet het ego, maar altijd de kernkracht des hemels: de Geestzon, God!

God kent geen angst, daarom strijdt hij nooit tegen Satanaël, noch kent hij de zucht tot overwinnen of de wellust tot onderwerpen. Men strijdt nooit uit moed, maar altijd uit onbewuste angst of instinctieve angst en ook eerzucht baseert zich op angst.

Hij, die zijn hoofdzonde bestrijdt, vreest hem, hij, die zijn hoofdzonde ontloopt, vreest hem eveneens, en hij, die zijn hoofdzonde maskeert, vreest hem ook. Maar hij, die zijn hoofdzonde onderkent, hem erkent en hem dan de deur wijst, omdat hij hem niet meer wil accepteren als levensbeschermer, hij kiest de juiste weg!

Men kan zijn harte-poort sluiten, ook zijn denken kan men afgrendelen. 

Zijn deze beide immuun voor de listen van de hoofdzonde, dan komt de mens vrij!

Iedereen is in staat zulk een handeling te verrichten, als men maar bewust hunkert en bewust wil, omdat men gekozen heeft tussen stof en geest.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene