19 - De hoofdzonden : De wellust in verhouding tot de venus-mens — Stier en Weegschaal

In de lotus mijner ziel, zijt Gij, Heer der Heren!


Voorbereiding

Wees niet gesloten maar open de lotus der harten en kniel voor het altaar uwer ziel!

Gij die naamloos zijt niettemin bij vele namen wordt genoemd — stort U uit in het hunkerende hart mijne lotus;

haar bladeren zullen zich om U heenvouwen als een bescherming; Gij zult mij niet meer ontvlieden Kracht der Krachten!

Dorstig drinkt mijn ziel Uw honing des Levens en nieuw Leven doorstroomt haar — waarop mijn hart de woorden hervindt voor Uw onuitsprekelijke Naam.

Hij klinkt door het veld der levenden als een opwekking, een groet des Scheppers en de dood wordt tot as waaruit het vuur der nieuwe Aarde opvlamt.

Mijn innerlijk oog schouwt de horizon en herkent de voorbode van Uw Dag; twijfel verlaat mij — hoop keert weder en Uw Leven zingt in mij.

Zo reis ik verder naar dat Land Uwer verten; en de lotus mijner ziel schenkt mij daaglijks Uwe Kracht.

Daar waar ik ga, hetzij licht hetzij duister, zijt Gij in mij, Heer!

———

Laat deze zekerheid u nooit verlaten:

In de lotus mijner ziel, zijt Gij, Heer der Heren!

In deze bezieling staande zal uw hart nooit hongeren — uw ziel nooit hunkere, en gij zult zelf levend blijven en blijdschap ervaren.

Omdat de mens in dit stoffelijke levensveld heen en weer geslingerd wordt tussen materie en geest, materiële interesse en spirituele belangstelling, is het logischerwijze onmogelijk, dat men in een oogwenk ontsnappen kan aan de heerschappij van de zeven hoofdzonden.

Men leeft in hun rijk, een gebied dat door hun satanische afwijkingen wordt beheerst. Hoezeer de mens ook naar spiritualiteit kan verlangen, hoezeer hij ook belangstelling koestert voor oude wijsheid, geestelijke methoden, wanneer de hoofdzonde de mens regeert is al zijn pogen nutteloos.

Zie de hoofdzonde niet als iets afschrikwekkends, dat men al van ver kan herkennen. Iedere hoofdzonde kan zich verbergen, want zoals de gehele natuur tweeledig is, zo kan de hoofdzonde eveneens twee gezichten vertonen. De mens kan zelfs door zijn eigen hoofdzonde gecharmeerd worden, omdat deze hem de kans geeft zich achter allerlei excuses te verschuilen. 

De hoofdzonde ontneemt de mens de moeite om zich te tonen zoals hij werkelijk is. Hij kan gebruikt worden als wapen, maar ook als verdediging, als schild. De mens vlucht in zijn hoofdzonde en vleit zichzelf dan met de gedachte dat hij is zoals hij is en dat hij ook maar een mens is.

Tien tegen één dat op zulk een moment de verleidingsmanoeuvres van de hoofdzonde hem parten spelen. In eenzame ogenblikken bekent de mens zichzelf dikwijls, dat hij graag een ogenblik zwak wil zijn, d.w.z. wil toegeven daar, waar hij altijd strijdt.

Toegeven aan zijn zwakten, toegeven aan de druk van de hoofdzonde, zich eens lekker laten gaan. 

Daar ieder mens in diepste wezen een en al strijd is, (de één vecht openlijk, de ander vlucht, maar allen zijn in zichzelf tegenstrijdig), raden de psychiaters de vermoeide mens aan de teugel eens een ogenblik te laten vieren. Doorlopend vluchten voor zichzelf, steeds weer opnieuw voor hetzelfde dilemma te worden geplaatst, altijd dezelfde strijd tegen de eigen zwakheden, brengen sommige mensen tot wanhoop.

De omstandigheden dragen er soms toe bij, dat deze mens door zijn zwakke kant, zijn karakterfouten, in het nauw gedreven wordt. Hij is dan niet de overwinnaar van zijn fouten, maar zij zijn de overwinnaars geworden en dit feit deprimeert hem.

Een spiritueel gevoelig mens wil niet overwonnen worden door de eigen zwakheden; slechts de materieel ingestelde mens neemt dit niet zo zwaar. Vandaar dat vele spirituele mensen in deze tijd moeite hebben om geestelijk staande te blijven. Zij kunnen niet tegen de meedogenloosheid, noch tegen de harde logica van de ongoddelijke wet. Zij gaan allen min of meer lijden aan zenuwstoringen, omdat in het zenuwgestel de ongelijke strijd tussen stof en geest wordt uitgestreden.

De Marsmensen zullen uit deze situatie trachten te ontkomen door middel van hun eigen hoofdzonde: de drift.

De Ram-typen worden opvliegend, trekken van leer tegen alles en nog wat!  De Schorpioen-typen zoeken net zo lang tot zij de oorzaak van de ellende gevonden hebben en gaan dan willens en wetens daaraan sleutelen. Maar beiden worden bezeten door een verbeterings-activiteit. De ridder Michaël, die in beide zo sterk aanwezig is, trekt altijd ten strijde tegen de draak.

Anders is dit echter bij de Venus-typen, die overschaduwd worden door de hoofdzonde van de wellust.

Zij zijn altijd geneigd toe te geven aan een opwelling, zij strijden niet, maar wiegen zich. Toch is het bij hen, als bij de Marstypen: dikwijls ligt juist hun kracht in hun hoofdzonde.

De Ram-drift schenkt dikwijls openheid, daden, doorbraak in een verziekte situatie; de Schorpioen-drift brengt soms feiten naar boven, die anderen weigeren bloot te leggen, vanwege de moeite, de consequenties of de complicaties.

De Venus-mens giet altijd olie op de golven, laat zich niet van de wijs brengen, gunt zichzelf een pretje, waardoor hij zelden aan innerlijke verkramptheid gaat lijden, maar hij wordt ziek van psychische spanningen, omdat zijn aard geen weerstand daartegen heeft. Daar waar Ram en Schorpioen draufgängers worden, daar willen de Venus-typen liever ontwijken.

Het leven past zich nu eenmaal niet bij de typen aan en daarom wordt ook de Venusmens wel eens gedwongen  duidelijk partij te kiezen. Men meent wel eens dat de Venustypen laf zijn, omdat zij niet met open vizier vechten. Zij zijn echter laf uit angst: angst voor innerlijke verwondingen, angst voor bezitsverlies, angst voor pijnlijke situaties. Daarom vluchten zij in de wellust.

Zoals men waarschijnlijk weet, zijn er twee betekenissen van het woord wellust, nl. zielsgenot en zingenot.

Voor de Venusmens is het belangrijk dat er 'genoten' kan worden. Door het genot kan hij mogelijke nare dingen vergeten, of niet zien, of uitstellen, of aan voorbijgaan.

De wellust schenkt deze typen volop de gelegenheid om aan hun zwakte gehoor te geven: hun angst.

Bij de Stier-typen wordt deze angst gecamoufleerd door een onophoudelijke arbeidszin, niet zozeer noeste en harde arbeid wordt gezocht, maar vooral arbeid die zekerheid schenkt. Het bezit, de solide grond wordt met wellust bijeen vergaard.

De genietingen van de zinnen zijn even veelzijdig, als de maskeraden en de excuses van het ego. Waar de zinnen van de mens naar uitgaan, dat bepaalt zijn karakter, zijn slavernij.

Hart en zinnen zijn veelal één! Wellust gaat uit van het hart èn de zinnen en behoeft niet altijd duidelijk sensueel te zijn.

Wellustig van muziek genieten, hartstochtelijk iets indrinken, met wellust iets gadeslaan, betekent altijd met hart en zinnen in het onderwerp ondergaan. Een wellustig mens is van zijn verstand beroofd.

De Weegschaal-mensen uiten deze wellust met vergaren van schoonheid, dingen, die in hun ogen waarde hebben. Men kan ook levensgenot vergaren of zielsgenot verzamelen.

Zij bedekken hun angst door eenvoudig niet tot de kern der dingen door te dringen. Hun zinnen verbieden hen pijnlijke ervaringen, zij schrikken daarvan terug, omdat zij tegen wil en dank de maskerade, waarbinnen zij zich veilig gevoelen, willen handhaven. Betekent geld voor hen veiligheid, dan adoreren zij het geld; betekent het andere geslacht voor hen genot of bescherming tegen de realiteit, dan vereren zij de andere sexe.

Al hetgeen hen beschermen kan tegen de harde werkelijkheid, houden zij hoog, daaraan klampen zij zich vast.

Het masker van de hoofdzonde van Venus is verleidelijkheid.

Het spiegelt welwillendheid, vriendelijkheid, warmte, goedaardigheid, doch dit is slechts zelfbescherming, nooit waarachtige naastenliefde.

Alle Venusmensen hebben hun maskerade mee, zij bedriegen om zelf bedrogen te worden! Zij zoeken steun bij de ander en kunnen veelal het leven alleen niet aan. Venus dwingt hen op zoek te gaan naar hun tweelingsziel, d.w.z. de verloren gegane Hevah of Eva. 

In de lagere mens worden de zinnen daardoor bekoord en nog niet de ziel, daarom worden zij wellustig. Een wellustig mens behoeft geen abnormaal mens te zijn, maar hij is wel een hartstochtelijk mens, hij vergeet alles door de wellustigheid.  Vandaar dat de Venus-mensen altijd overheerst worden: hetzij door hun eigen hoofdzonde, de lusten van hun zinnen, of door een medemens, die hen leert zichzelf te beheersen.

Een ontspoort mens is een slaaf van zijn zinnen, zoals ieder onevenwichtig mens het slachtoffer is van zijn hoofdzonde.

Zodra de zinnen het hart helpen zijn doel te verwezenlijken, kan niemand zulk een mens weerhouden. Dan zit 't hem waarlijk in het bloed.

De zinnen en de ziel zijn eveneens nauw met elkaar verbonden, zodra de zinnen niet meer achter hun genot aanjagen, krijgt de ziel haar kans. Vandaar dat de Yogi meent: men moet de zinnen beteugelen, inspannen.

De wellust is daarom een vernietigende zonde, want de mens wordt overspoeld door genietingen, niet door smarten. 

De wellust brengt genot, alvorens de smart komt.

Drift brengt direct pijnlijke reacties, op het moment zelf kan dit al het geval zijn, maar wellust brengt, zoals het Venus betaamt, allereerst bedrog: schoonheid, genot, vergetelheid, verdoving.

Wellust is de drug voor  zinnen en ziel. 

Volkomen in overeenstemming met wat de Stier- en de Weegschaaltypen willen: vergeten, bedrog.  Men zal bemerken hoe iedere hoofdzonde geworteld ligt in de angst.

Ram en Schorpioen worden moedig en doorzettend uit angst. 

Zij vrezen echter een ander verlies dan de Stier- en de Weegschaaltypen. Zij zijn bevreesd om het verlies van de waarheid, de rechtvaardigheid, de spiritualiteit.

De Venustypen zijn beangst voor hun eigen behoud, hun eigen zekerheid, hun eigen prettige situatie. De egocentrische drift en de egocentrische hartstocht der beide planeten zijn volkomen anders gericht. Mars is buiten zichzelf gericht, Venus is op zichzelf gericht. Vandaar de mythische vereniging van Mars en Venus om een evenwicht te herstellen.

Mars vraagt wapens om de draak te bestrijden, hij predikt geweld, oorlog, aanvallen. Venus vraagt een spiegel om zichzelf te aanschouwen, omdat zij weet dat zij schoon is.

Gevoelt zij deze schoonheid tanen, dan neemt zij haar toevlucht tot haar specifieke wapen: wellust, zingenot. Ook spiritualiteit kan zingenot brengen, want het doet de mens zijn eigen fouten vergeten.

Typen, die door andere planeten beheerst worden zijn nooit zo geraffineerd wellustig als de Venustypen, want hun wellust toont zich altijd als een opvallende fout, een ziekte, een afwijking.

Venustypen hullen zichzelf in het kleed der wellust en hun medemensen complimenteren hen nog.  Wanneer de Venusmens angst bezit voor de eigen wellust, zijn hartstocht tot vergetelheid, dan vlucht hij ook wel in de spirituele wellust, hij overgiet zichzelf met geestelijke theorieën.

Juist zelfkennis kan zulk een mens tot aan de rand van vertwijfeling brengen, want zelfkennis brengt de spiegel der waarheid. En toch kan de Venusmens ontzettend veel verwerkelijken op spiritueel gebied, want wellust kan ook zielsgenot worden, mits de angst overwonnen wordt en hij leert zijn zinnen te beteugelen. De strakke teugel die deze mensen behoeven, zoeken zij veelal op de verkeerde plaats.

Zoals de overgave voor anderen een probleem en een moeilijke opgave is, zo is zij voor de Venusmens geen probleem; het is zijn zwakte!

Een strenge innerlijke wet is de enige oplossing voor hem.

De zweep van de Vader trachten zij te ontlopen en door hun maskerade vinden zij altijd medemensen, die hen daarbij van dienst zijn, maar zij ontkomen niet aan de consequenties: ook hun rekening moet worden betaald.

In deze leerschool van het leven wordt aan een ieder de rekening gepresenteerd. Het doet er niet toe of de hoofdzonde van de mens er vriendelijk dan wel schrikaanjagend uitziet, de rekening is dezelfde. En hij wordt aan hem persoonlijk aangeboden.

Een zieleweg legt de zinnen aan teugels, er wordt geen fanatieke levensinstelling gevraagd met zelfkastijdingen, hongerkuren en cellulaire afzonderingen, maar de mens moet wel kiezen tussen zinnen en ziel, de ene wellust of de andere wellust.

Het zielsgenot dat uit de zinnen voortkomt, is zelfbedrog en is altijd sensueel. Het zielsgenot waarbij de zinnen zwijgen, maar waarbij het hart geniet, zichzelf geeft, is pas spiritueel genot.

Hevah terug ontvangen is een gewaarwording voor hart en ziel, nooit voor hart en zinnen. Hij, die zijn zinnen slaafs volgt en dat doet ieder mens, die zijn intelligentie en zijn ge-weten uitschakelt, is een wellusteling, ook op religieus gebied. Hij doet aan spirituele zelfmoord.

De Venusmens is intuïtief, als hij Hevah volgt, maar hij is instinctief, wanneer hij Eva en zijn zinnen volgt. Dan kan hij worden als het dier (b.v. de Stier), een wulps, wellustig dier, gedreven door zijn natuurlijke drift.

Men kan de wellust terugdrijven tot in het denken en de daad niet realiseren, maar dat wil niet zeggen dat hij uitgebannen is.

Venus en Mars, twee tegenstrijdige heersers zouden, indien zij elkander de hand reiken en beiden spiritueel gericht zijn, de hoogste verwerkelijking kunnen brengen.

Michaël, die strijdt terwille van Hevah is de puurste realisatie.

De Venusmens moet een Hevahmens worden en de reiniging zal vooral plaats moeten vinden in het hart, de interesse die het hart zoekt. Dan volgt het denken vanzelf.

De hoofdzonde van de mens barst uit hem los, vooral in gespannen situaties en dan ziet hij wie er naast hem staat: Satanaël of God.

Het is niet voor niets, dat ieder mens van tijd tot tijd in zulk een situatie wordt gevoerd. Blijft hij helder van geest, dan kan hij op zulk een moment weten wie hij is en daaruit lering trekken.

De mens wandelt met God dan wel met Satanaël, een tussenweg is er niet. Aan de realiteit doen alle spirituele theorieën niets af.

Hij krijgt nu en dan de kans om zichzelf te testen en als hij dan reëel is en de test duidelijk ziet, dan kan er vordering geboekt worden. Daarom is een hard leven veelal een gezegend leven, als de mens dat maar wil inzien. En ziet hij het in, dan wordt het harde zacht en de leerling kan een meester worden.

Schouw daarom het levenspad tot in de diepten en zie uit over de hoogten, zie de afgrond en zie het vergezicht en zo verrijkt de mens zichzelf, zodat eenmaal het Nieuwe Land zich voor zijn blik zal uitspreiden en de welkomstgroet als een overwinningszang op hem toekomt.


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene