13 - Het goddelijke water

Zou iets duizend mijlen weg zijn, indien u het zoudt willen hebben is het wezenlijker, dan hetgeen zich in uw schoot bevindt en dat u niet wilt hebben.



Voorbereiding

Dompel uw gemoed en uw denken onder in het wezen van uw Schepper — volg Zij ritme en laat u medevoeren —

Gebed

Wanneer Inzicht mij verlicht en Uw trillingen mij omgeven ga ik binnen in het Land mijner ziele-geboorte;

mijn ziel hervindt haar ademhaling en keert terug tot het Leven — de beukende golfslag van de schijn wordt als een stervende herinnering.

Vanuit het diepste diep mijns gemoeds welt het verlangen omhoog als een dringende vraag: Laat mij één blijven met U, Vader!

En het antwoord komt als een zang der elementen, een levensmelodie die mijn twijfel velt en mij nedervlijt op de fluisterende kabbeling van de wateren mijns harten.

Kom Mijn Zoon, Mijn elementen zullen u voeren tot aan het Aurora der wedergeboorte — Kom, Mijn Zoon, het Goede Einde wacht, sterk u onder de vleugelen Mijner Waarheid;

Kom Mijn Zoon! Hetgeen het Mijne is, is in U!

Amen

Laat u medevoeren op de trillingen der spirituele inspiratie en ontvlucht de belemmeringen in denken en gemoed.

Het hart is vrij en gaat daarheen waar zijn verlangen het brengt

Waar bevindt het zich, mijn vriend?

Moge zelfkennis u verder helpen!

Als voorwaarde tot een herstel van de Goddelijkheid moet de lichtzoon allereerst bezitten: het goddelijke water, of de dauw.

Alle begin ligt besloten in het goddelijke water, dat door de alchemisten ook wel het mercuriaanse water wordt genoemd.

Of men nu een vuurtype, een watertype, een aardetype, of een luchttype is, dit goddelijke water is voorwaarde tot een herstel van de hemelse mens.

Het water in het paradijs assimileert Mercurius. Mercurius, het kwikzilverachtige element, moet gebonden worden binnen het water, of het waterstofatoom: de ziel. Zodra dit eerste water, deze reine Materia der ziel de Mercurius ontvangt, bezit zij de gave tot volkomenheid.

De hermetische leer maakt dus wel degelijk onderscheid tussen de egoziel en de goddelijke ziel. De egoziel bezit geen Mercurius, daar deze haar doorlopend ontglipt als een dwaallicht, gelijk het kwikzilver. Ieder mensentype reageert verschillend op de ontvangst van en de ontmoeting met Mercurius. In de gewone mens is deze Mercurius vluchtig, oppervlakkig. Men kan dat zeer sterk herkennen in de massamens van het mercuriaanse type.

De opgave om deze hoge Mercurius, zoals de alchemisten zeggen, te binden, is slechts uitvoerbaar, wanneer er vanuit de ziel een zeer spirituele, negatieve, hoge trilling uitgaat.

Noch door het vuur, noch door het water, noch door de aarde en noch door de lucht is deze Mercurius te vangen of te vernietigen.

Hij reageert slechts op de trillingen van de quintessence

Het woord quintessence drukt daarom de belangrijkheid van het vijfde element uit. De quintessence van een zaak, een betoog, is altijd de kern. Deze 'quintessence' bevindt zich in het hart van het gelijkarmige kruis, het punt waar de roos gaat bloeien.

Zodra de vier elementen harmonisch samengaan, bloeit de hemelse bloem in het hart op, gedrenkt door de dauw.

Gebonden zijn aan een bepaald type, zoals ieder mens, betekent altijd geketend zijn aan een disharmonisch geheel, waarin de quintessence nog niet werkzaam is, want binnen de disharmonie bevindt zich geen ondeelbare kern, er is slechts dwaling, jacht, Mercurius-vluchtigheid. Alle vier typen der mensheid zijn in zichzelf onvolkomen, zolang de bliksem van Mercurius niet is ingeslagen in hun waterstofatoom, de ziel. Denk hierbij aan het door de bliksem belevendigde water!

De bliksem van Mercurius brengt het zielewater tot leven, waardoor er een heling, of een heiliging binnentreedt in de mens.

Alle vier mensentypen reageren naar hun eigen aard op de bliksem van Mercurius. Zij weten allen dat hen iets ontbreekt en daarom werkt de vuurmens vol gerichte activiteit, hunkert en bidt de watermens intensief, wacht de aardemens vol ongeduld en snelt de luchtmens heen en weer zonder te weten waar te zoeken.

Een combinatie van deze vier instellingen uit zich door het innerlijke, geduldige zoeken, zonder afgeleid te worden door oppervlakkige waarden. Men blijft innerlijk op één plaats, omdat men zich bij de bron bepaalt, op deze wijze blijft het waterstofatoom eenpuntig gericht, zodat de schoot der reine wateren gereed blijft om de mercuriaanse bliksem te ontvangen.

Onbewust zoekt ieder type juist datgene te bezitten dat de ander heeft. Vandaar dat de zonde van de Mercurius-mens in de ijverzucht ligt. Hij weet wat hij mist en beseft dat hij juist datgene moet hebben wat zijn tegenpool bezit. Hij is naijverig op de gaven van den ander.

De intuïtieve mens weet waar hij het verlorene moet zoeken en de gewetensmens wordt rusteloos voortgejaagd door een schuldgevoel. Doch alle gevallen lichtzonen worden bewogen door de leegte, die de Geest in hen achterliet, het gemis wekt de hunkering naar de quintessence in hen op, vandaar dat gevallen lichtzonen altijd te herkennen zijn aan hun zoeken naar de grond van alle bestaan. De ether, het vijfde element, staat hen niet toe stil te staan bij hetgeen zij horizontaal hebben bereikt.

Alle lichtzonen, die zichzelf beletten verder te gaan op de ingeslagen zoekersweg, bewijzen hierdoor dat de bliksem van Mercurius nog niet is ingeslagen in de goddelijke wateren.

De quintessence van een zaak komt altijd op een gegeven moment naar boven. De mensen, die deze hoge Mercurius niet bezitten, luisteren anders, hun negatieve principe is niet in staat om het geestelijke element op te vangen, omdat hun waterstofatoom, hun eerste Materia, nog geen binding bezit met de Kennis der Hemelen. Deze mensen kunnen de verborgen leer niet lezen, zij bemerken zijn bestaan niet eens.

Het bezit van de goddelijke Mercurius maakt de mens tot een schepper. Scheppen wil zeggen: uit het niets voortbrengen.

De stoffelijke mens is daartoe niet in staat, hij plant zich voort, hij schept nooit!

Uit het volkomen niets scheppen, is uit de reine chaos een beeld oproepen, door middel van de zevenklank, of het Woord. Er is maar één Woord: de harmonische samenvoeging van de zeven sferen binnen een trilling.

Symbolisch vertegenwoordigen de zeven klinkers de zeven sferen en men vertelt wel eens, dat het achter elkaar uitspreken van deze klinkers de eenheid schept, de hunkerende vraag der chaos. Dit is slechts een menselijke benadering.

Iedere klinker bezit een trilling, waarmede de mens zijn gemoed kan openen, maar zij missen wederom de quintessence, hun bezieling des Geestes, een achtste element gevormd door de goddelijke trilling.

Alle zichtbare vormen zijn een gebrekkige afschaduwing van de onzichtbare vormen, daarom vormen de zeven klinkers de uiterlijke leer, zodra de mercuriaanse bliksem hen bezielt, krijgen zij toegang tot de innerlijke leer. De klinkers zijn negatieve klanken gebaseerd op de hartgerichtheid. Veel klinkers achter elkander gezongen, in devotie en harmonie, roepen de emoties in de mens wakker. Men kan dat herkennen in enige gezongen Katharenliederen. Het is een zeer oude methode om de gelovige, hunkerende mens open te breken, zodat de positieve trilling, het vuur, zou kunnen indalen.

Uit het niets, de chaos, de afgrond zeggen de Druïden, moet de lichtzoon de Steen der Wijzen scheppen. Zoals hij in de stof existeert is hij een steen, een saturnaal mens, maar  hij moet met behulp van de reine materia, zichzelf omzetten in een Steen der Wijzen, een steen die de goddelijke Mercurius bezit.

Een steen, die bestaat uit zout, de reine materie, Mercurius, de goddelijke bliksem en zwavel, de geest Gods zelf.

De Steen der Wijzen bevindt zich in de macrokosmos, zegt Hermes, zij is een drievoudige materia èn zij bevindt zich in de microkosmos. Niemand kan met zijn gebonden geaardheid deze Steen der Wijzen scheppen, omdat men de scheppingskracht niet bezit. Vandaar dat Boeddha zei: « Men moet de zodiakale ban doorbreken ».

De vier elementen, de vier gaven: Wijsheid, Liefde, Gerechtigheid en Waarheid moeten zich als een gelijkarmig kruis oprichten, terwijl de ziel hen in het hart verbindt. 

De onderste balk is de aarde: de gerechtigheid. Alle streven begint bij de gerechtigheid, iedere spirituele handeling is ondenkbaar zonder gerechtigheid. Daarom schreeuwt de mensheid, de aardemens, om gerechtigheid, deze is het bezit van de aarde.

Het volkomen gemis van deze hoge waarden maakt van de mensheid een karikatuur van de goddelijke beeltenis.

Zolang het individu, in zichzelve, de goddelijke mercuriaanse bliksem niet in de schoot van zijn reine wateren heeft ontvangen, weet hij niet wat gerechtigheid is, noch wat waarheid, liefde en wijsheid zijn. Zijn denken benadert hen niet, vandaar die velerlei discussies over deze principes.

Al streven en verlangen allen naar de verwerkelijking van deze gaven, er is geen mogelijkheid, zolang die onverbrekelijke eenheid van den Beginne hen niet tot fundament dient.

Mercurius maakt van het water, van de ziel, een in zichzelf bewegend element, dat rustig besloten kan worden, het blijft leven. Dood water is zielloos water, Mercuriaans-water is vuurwater, een goddelijk element, onbekend op aarde.

Het bliksemwater, zoals de natuur dit kent, is daarvan een afschaduwing, een tijdelijke toestand. Zoals de Maan, de planeet der zielloze wateren is, zo is Saturnus de planeet der zielloze vormen. Uranus moet hem van zijn levensprincipe ontdoen, wil er in deze vorm een belevendigingsmogelijkheid ontstaan. Uranus is in de mythologie: de hemel, de onbegrensde hemelse chaos.

Ieder mens, die saturnaal is (en dat is ieder mens), moet ontdaan worden van zijn levensprincipe, zijn egodrift. Deze egodrift is de gespleten kern van de saturnale schepping en zij drukt zich uit in de zeven hoofdzonden met hun twaalf afgezanten.

Het is niet van belang wat voor type de mens is, maar het is doorslaggevend of hij in staat zal zijn afstand te doen van de egodrift, de egodrang om zich over te geven aan de goddelijke bliksem.

Het vuurtype moet devotie, nederigheid, het aanvaarden van anderen, leren.

Het watertype moet zijn emoties beheersen en trachten zich positiever en bewuster tegenover zijn impulsen te plaatsen.

Het aardetype moet zijn starheid doorbreken en proberen open te worden, zijn geslotenheid prijsgeven, zodat hij de ongevormde chaos wordt.

Het luchttype moet trachten stil te worden, zijn denken te beheersen, zijn ongerichte activiteit aan banden te leggen.

Voordat de lichtzoon de eenheid van de vier elementen niet heeft bereikt, slaat de mercuriaanse bliksem niet blijvend in.

Iedere lichtzoon moet over een goed instrument beschikken om daarmede het werk der schepping te realiseren. Zodra de ziel actief is, kan dit ego rustig terugtreden, zijn drang is weggenomen. Een goddelijke, herstelde lichtzoon bezit zulk een levende ziel, maar voor die tijd zijn zijn pogingen gelijk strompelen op krukken. Maar al bezit men een ego, al leeft men in de stof, daarom behoeft men geen gehoor te geven aan een egodrift.

Dat is het punt waar omheen alles draait!

En dan komt men weer bij het uitgangspunt: de wil.

Iemand, die niet waarlijk gehoor wil geven aan zijn driften, de zevenvoudige waanzin van het ego, zal geen moeite hebben om een evenwichtig, harmonisch mens te zijn, maar dan moet de grote Omzetting nog geschieden.

Deze Omzetting baseert zich op de hunkering van de Reine Materia, dus: op het levensbeginsel in het waterstofatoom der ziel. De ongevormde chaos is de harmonische chaotische materia van het ego, de Prima Materia der ziel is een atoom der goddelijke levenssfeer. De hunkering van de Prima Materia roept de goddelijke trilling van Mercurius tot zich, zoals zij vervolgens een geestelijke Zevenklank kan voortbrengen, waarin de Goddelijkheid existeert, de scheppingskracht.

In werkelijkheid is de overgave voor de lichtzoon eenvoudig; slechts het wanordelijke, tegenstrijdige ego van de mens maakt de oplossing gecompliceerd. Als men nu eens ophield met gecompliceerd te denken, met al die verwarrende emoties, maar die gehele ingewikkelde bevoegdheid af zouden schudden, dan zou in een flits het Inzicht en de Wijsheid over de kandidaat komen.

Men ligt verstrikt in de eigen denk- en emotionele lianen, terwijl men deze rustig, in een moment van bezinning, zou kunnen wegwerpen.

Waarom doet men dat niet?

Omdat de kandidaat niet voldoende wil!  De impulsieve kracht van de wil zet zich daarvoor niet in, hoogstens de zelfzuchtige wilsmacht, maar deze bereikt niets!

Alles begint met de hunkering van de ziel, maar hunkering zonder wil brengt niets tot stand. Wil zonder zielehunkering brengt straffe, uiterlijke methoden, dwangneurose, maar iedere hunkering kan gevangen genomen worden binnen de emotionaliteit van de dode, zielloze wateren, of binnen de verstarring van de dode aarde, of in de agitatie der rusteloze luchten, of in de bezeten activiteit der lichtloze vuren.

Het gaat er om of de Prima Materia Gods van de kandidaat voldoende negatieve hunkerende kracht bezit, om aan deze listen der saturnale schepping te ontsnappen. Slechts deze hunkerende trilling, die onophoudelijke, intuïtieve bede van zijn atoom der Prima Materia Gods vrijwaart hem voor de val in de saturnale chaos.

Zonder ervaringen zal men deze innerlijke Kracht niet leren kennen, maar haar levenstrilling uitdagen door experimenten is hetzelfde als haar blootstellen aan bezoedeling. Hij, die het principe Gods eerbiedigt en dat zal iedere deemoedige lichtzoon doen, stelt de levenskracht van het Licht nooit bloot aan bezoedeling.

Het kostbaarste dat men bezit, behandelt men naar waarde!

De levensinstelling van de mens bewijst wat voor hem het kostbaarste op aarde is. 

Laat hem leven naar hetgeen hem innerlijk geleerd wordt. De uren en de dagen schenken hem de leringen die noodzakelijk zijn.

Maar laat de mens niet zondigen, zichzelf nooit buiten het licht plaatsen, want de Saturnus der verstening is een ijverzuchtige metgezel!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene