12 - De zes sleutels

Wanneer de ziel in u groeit, wordt u zich van een Rust bewust, die niet door uiterlijke beroeringen verstoord kan worden.


Voorbereiding

Verenig u met de geestelijke werkingen des levens, schouw door de vorm heen en wordt één met de verborgen diepten.

Gebed

Heer, moge mijn denken zich nu geborgen geven aan de beelden mijner ziel waarin het de verten kan vinden waarnaar het onophoudelijk zoekt.

Laat mijn hart zich nederleggen in de klop van Uw ritmische levensbeweging, opdat het de begrenzing van zijn kerker iet gevoele. —

Roep mij tot de  Bron van Uw Waarheid waarin de kleuren der zeven sferen zich verenigen in de reinheid der stilte, die kleur noch klank bezit.

Zodra het saturnale zwart zich omzet in het goddelijke wit, ervaart mijn ziel de balsem van uw zevenvoudige Arcanum, Heer!

Voer mij tot binnen het Wonder van deze herschepping, zodat ik Uw Werk in mij herkenne en wedervinde hetgeen verloren ging.
In deze transmutatie: wees mèt mij, Heer!

Amen

Om het individu te leiden zijn er allerlei mogelijkheden, het individu is altijd een actieve eenling: een werkzame inspiratie dwingt hem tot activiteiten.

Dit individu heeft de volle aandacht van de Levende Geest, er wordt bemoeienis met hem gehouden. De collectief ingestelde mens bezit veelal een gemakzuchtige aard, een luiheid, die hem onder de hoede van de pedagogen en meesters brengt, opdat die hem zullen zeggen wat en hoe hij moet denken.

Een groot deel der zoekende mensheid wenst te worden ingewijd in de geheimen Gods. Diverse scholen, bewegingen zijn er opgericht om tegemoet te komen aan deze wens, maar waarin wordt de mens dan ingewijd?

Met behulp van allerlei mystieke ritualen, ceremoniën, mantrams suggereert men de kandidaat een sensatie van geheimzinnigheid, verhevenheid en Goddelijkheid. De mens meent dat God en Goddelijkheid geheimzinnig zijn en overeenkomen met magische mantrams en verborgen symboliek.

God is verborgen in de geheimenis der schepping en zolang de mens deze schepping niet doorgrondt kent hij God niet.

De mens, zijnde het meest volmaakte schepsel op aarde, benadert de Goddelijkheid in de verborgen geheimenissen van zijn ziel. 

Zolang de mens zichzelf niet kent, kent hij God niet en behoeft hij Hem niet te zoeken via ceremoniën en ritualen. De eenheid tussen Schepper en schepping, God en mens, is wederom bewezen doordat men de reacties van de cosmische werkingen heeft kunnen waarnemen in het aurische veld van de mens.

Alle schepping bestaat bij de gratie van het Licht. 

Licht is trilling. Zonder Licht is er geen leven.

Leven is trilling, het bewandelen van het Pad Terug, is het zich bewegen langs trillingssnelheden. Iedere planeetwerking heeft een bepaalde trilling en zij worden daarom ook door de alchemisten de zes sleutels genoemd, frequenties, die de toegang tot een ander vibratieveld ontsluiten. Inwijding is gelijk aan het zichzelf leren hanteren van deze zes sleutels.

Men kan hen ook zien als de zes edele gaven, terwijl de zeven hoofdzonden, de imitatiesleutels vormen, die niet op de poorten passen, maar integendeel, lagere vibratievelden ontsluiten, want alle sleutels bezitten een bijpassend slot. Omdat inwijding de nieuwsgierigheid en de begeerte van de mens prikkelt, doch hij deze niet zelfstandig kan oproepen, komen meesters en adepten aan zijn wensen tegemoet en zo kan menigeen in de zoete veronderstelling leven een ingewijde geworden te zijn.

Alchemie is een hermetisch onderzoek, waarbij men zichzelf inwijdt, het steeds krachtiger wordende innerlijke Licht verbindt zich met de sterke trillingskracht van buiten en zo wordt de mens binnengeleid in steeds wijdere verten van Kennis.

Voor die tijd heeft hij echter in denken en gevoelen afscheid moeten nemen van ceremoniële inwijding. Zijn verlangen naar uiterlijke manifestaties moet veranderd zijn in een individuele innerlijke inspiratie, die hem aanzet tot de harde weg van de alchemische inwijding. De diepzinnige leringen, de aanwijzingen, die de mensheid werden overgedragen door de Boodschappers, zijn altijd opgetekend door een individu, dat zelf de weg tot inwijding ontdekt heeft. Omdat hij door zichzelf werd ingewijd, na een veelheid van ervaringen, misstappen en zweepslagen, zijn zijn leringen levende, waarachtige getuigenissen, gesproken door een mond, geschreven door een hand, die de verborgen taal van Schepper en Natuur kent. Uit zulke leringen trilt de vibratiesleutel de ware kandidaat tegen, waardoor ook in hem een nieuwe trilling ontstaat, die zijn verharde materie uiteen doet wijken.

Al deze dingen zijn af te lezen in het aurische veld.

De spraak der trillingen wordt opgetekend in de aura, waardoor het denken en het hart daarvan kennis nemen. Zodra de kandidaat de edele gaven gaat verwerkelijken, neemt hij een sleutel in handen, die hogere trillingsgebieden opent, waardoor zijn denken en gevoelen onderwezen worden door de achtergronden van kennis en wijsheid. Hierdoor wordt hij opgeheven boven de zintuiglijke waarnemingen, boven het verstand, het sentiment. Dit is de weg van inwijding, die vooral de alchemisten bewandelden, daar zij, zeer individualistisch, allen hun eigen ervaringen overgedragen hebben, die toch een merkwaardige harmonische eenheid vormen.

Iedere alchemist was tegelijkertijd astrosoof. 

Alle natuurwetenschappen kunnen een steentje bijdragen tot de kennis van het al, de chemie van het al.

Het Al, het Universum, is in de mens en om de mens.

Het Hermetisme is zo oud als de wereld, men vindt het in Egypte, in Chaldea, in Arabië, in het Oosten en het Westen, in het Noorden en in het Zuiden. Alle brokstukken van de waarheid kunnen verenigd worden in de Hermetische overdracht. Om hierin ingewijd te worden, moet men op onderzoek uitgaan; met de individuele sleutel van dit ogenblik moet men handelen.

Zo men niets doet, zich niet beweegt, komt men noodgedwongen onder de vleugels van een meester, of een autoriteit terecht.

Daar waar de mens zich in denken en gevoelen beweegt, is hij op weg. De koninklijke mens is een denker, een Adamas.

Alle wijsgeren uit de oudheid, of zij nu Kathaar, mysticus, alchemist, dan wel gnosticus waren, waren denkers, individuele onderzoekers.

Boven de ingang van de school van Plato stond: « Niemand treedt hier binnen die geen wiskundige is! »

Plato meende hiermede dat de mens zelfstandig in staat moest zijn de wereld te ontdekken achter de lijnen van het beeld, het symbool. Voor de denker is een lijn niet slechts een streep, zij verbindt altijd twee werelden.

Zo is het ook met de spirituele onderzoeker. Lijnen kunnen meer zeggen dan woorden, omdat zij zoveel onuitgesproken laten en een sfeer creëren waarin de onderzoeker zelfstandig kan ronddwalen.

De gewone wiskundige begeeft zich natuurlijk binnen geschreven wetten, maar de spirituele meetkundige begeeft zich in zijn denken buiten de bekende wetten. Wat voor de horizontaal gerichte mens speculatie is, is voor de spirituele onderzoeker een weten, een kennis, die vanuit een hoger trillingsveld tot hem gekomen is, een wijsheid, die dikwijls nog niet door de uiterlijke zintuigen bevestigd kan worden. Niettemin is het een waarheid, die in de onzichtbare wereld bevestigd wordt.

De wetenschap zal omtrent deze dingen steeds meer gaan ontdekken en schoorvoetend de realiteit moeten erkennen van hetgeen door de wijzen reeds lang werd ontdekt. Hetgeen de mens, stap voor stap her-ontdekt, wanneer hij langs het alchemische Pad wandelt en wat verborgen was in de Prima Materia van het eerste begin.  Uit deze Prima Materia, zowel van het ego van de mens als van zijn ziel, komt de allereerste, onbegrensde Waarheid en Wijsheid boven. Het komt immers dikwijls voor, dat de mens iets weet, hoewel hij het nog niet door uiterlijke bewijzen bevestigen kan.

Maar zulk een weten mag niet beperkt blijven, het moet zich uitbreiden. Zodra men zulk een kennis indamt, beperkt en omsluit, sterft zij. Een alchemist is nooit lui, omdat hij weet dat luiheid domheid en leegte, slavernij en verstening brengt.

Hij loopt langs de rand van de hoogmoed, langs de afgrond van de arrogantie, de hoofdzonde van de koninklijke mens.

Zodra de sleutels hem stuk voor stuk ter hand worden gesteld, door harde vlijt, gevoelt hij zich overweldigd door de grootsheid van de Idee Gods en dan komt altijd het moment suprême, waarop hij beproefd wordt in zijn deemoed. 

Men kan dit in de ervaringen der wijzen nalezen.

De discipel in de Hermetische leringen werd overgelaten aan zijn intuïtie, als eerste ontvangstcentrum van de hogere trillingen.

intuïtie is een zeer fijngevoelige antenne, die echter aan kracht kan inboeten door het levensgedrag van de kandidaat. De trillingen van de intuïtie moeten in staat zijn de materie en de lagere trillingen te doordringen. De intuïtie van de mens moet zich naar buiten kunnen bewegen! En dat kan zij slechts wanneer zijn lood, zijn ego, niet al te verhard is.

Hoe zuiverder de mens, des te krachtiger zijn intuïtie.

Gaat men dus van het intuïtieve onderzoek uit, dan vordert het reine ego het snelste. Iedere explosie in de kandidaat zelf, als gevolg van een botsing tussen de laagste en de hoogste frequenties, ontkrachten zijn intuïtie. Dan kan hij vanzelfsprekend weer gaan bijladen, maar niettemin is hij teruggevallen en heeft hij tijd verloren.

De hermetische kandidaat schakelt altijd zijn intuïtieve vermogen in bij zijn onderzoek. Hierdoor kan hij alle vormen van de zeven hoofdzonden intuïtief afwijzen, zonder dat hij hen behoeft te ondergaan. Intuïtie is een preventieve werkwijze, het geweten is meestal een nabeschouwende werking. Zodra men de intuïtie negeert, treedt het ge-weten in werking.

Geweten en intuïtie als gaven van de ziel, of gaven vanuit de Prima Materia zijn de leiders voor de individuele kandidaat.

De pure intuïtie stuurt de mens nooit op het pad van eigenbelang, het gerechtige geweten strijdt nooit voor het ego. Men kan dus de waarachtigheid van beide werkingen controleren.

intuïtie staat zelfs boven anti- en sympathie en het geweten houdt geen rekening met maatschappelijke wetten. De oprechte alchemist zet voor intuïtie en geweten alles op het spel, maar hij kent geen fanatisme.

Zodra men de intuïtie volgt, begint men aan de ver-assing, de ego-wil wordt automatisch genegeerd. Hij, die zijn intuïtie volgt, laat vele dingen na, die hij eigenlijk zou willen doen. Gaat hij door op deze intuïtieve weg, dan sterven langzaam maar zeker de wilsimpulsen. Hij wordt geabsorbeerd door een nieuwe wereld, hij wil niet meer wat hij vroeger wilde, zijn denken gaat zich met andere waarden vullen. Hij keert zich af van de waan, omdat hij deze intuïtief gaat onderkennen en hoe verder hij gaat op zijn intuïtieve weg, des te groter de waanwereld om hem heen wordt.

Hij gaat meer doorschouwen, hoewel hij minder strijdbaar wordt, de afgrond tussen waan en innerlijke werkelijkheid wordt steeds groter, tot hij zozeer omgeven wordt door zijn intuïtieve trillingskracht, dat hij werkelijk in een andere wereld leven gaat.

Het aura van zulk een mens verschilt dermate sterk van kleur en karakter, dat zelfs de profane observeerder dit vaag bemerkt.

Het is vanzelfsprekend dat deze alchemist de edele gaven gaat uitdragen, omdat hun essentie, hun trilling, in zijn aura aanwezig is.

Men zegt niet: ik wil een edele gave uitdragen, maar een edele gave komt tot de mens, vrijwillig, op een trillingsroep. Wanneer men zichzelf forceert tot een goede daad, wekt dat altijd weerstand in zijn wezen, een kortsluiting in zijn trillingsveld. Het zg. goede, de hoge levenshouding komt uit de mens zelf voort als een vrucht, een voortbrengsel van zijn denken, gevoelen, willen, een boodschap uit zijn aurische veld.

Men kan zijn aurische veld door een ingespannen denkmethode veranderen, maar altijd tijdelijk, daarna is de mens uitgeput, hij heeft te veel energie ineens verbruikt.

Het aanwenden van de intuïtie begint binnen de stilte, de stilte binnen het denken, het gevoelen. Zolang de gedachten heen en weer snellen en de emoties bruisen, kan men zijn intuïtie niet bespeuren.

De kandidaat kan luisteren naar zijn intuïtie door ontspannen, rustig aan hogere dingen te denken, eenvoudig omdat hij daaraan behoefte gevoelt, hij wil dat graag!  Hij kan de belevenissen van de dag aan zijn intuïtie voorleggen en zo vindt hij altijd de oplossing voor zijn problemen en de juiste levenshouding, mogelijk ten nadele van zichzelf, van zijn ego. 

Een zuivere intuïtie is als een alziend oog, maar dit sluit zich toe, zodra men ermede pronkt, het pralend tentoonspreidt. De intuïtie als ÈÈn der kostbaarste gaven van de alchemist, stelt zich slechts in dienst van hem, die nimmer het eigenbelang dient. 

Zodra men zegt, als een vermelding van de eigen verdienste: « Mijn intuïtie zegt mij …. »,  is de fijne, ijle en zeer hoge trilling van de intuïtie ontvlucht, omdat men haar omlaag, binnen de omheining van een lagere frequentie wilde brengen.

De intuïtie van de mens is een individueel bezit en spreekt tot hem, niet tot buitenstaanders. Zijn intuïtie is in overeenstemming met zijn trillingssleutel en niet met die van een ander!

Het ver-assen of het sterven van de egowil, geschiedt door de hitte van de intuïtietrilling en deze ver-assing is altijd in de kandidaat te herkennen. Er is geen sprake van ver-assing zo de mens zijn intuïtie negeert. Slechts de intuïtie, als het herinneringslicht van de ziel, plaatst de mens op de weg van het Goede Begin. Daarna roept de intuïtie allerlei andere gaven te voorschijn, die een vanzelfsprekende begeleiding worden op deze weg.

Iemand, die geen intuïtie bezit (men moet zich nooit vergissen met het profane ego-instinct) zal nimmer de weg der ver-assing betreden.

De intuïtie dringt de mens nooit tot de aanval, maar altijd tot het uitwijken. Let daar maar eens op!

De aanval is een ego-instinct, het uitwijken is een intuïtieve reactie. Door het Goede Begin, de intuïtieve weg te betreden, leert de mens iedere aanval te ontwijken.

Het Licht, als de volkomenheid, gaf zich gevangen aan de lagere trillingsvelden en kan dat doorstaan, omdat het volkomen één is, een afgesloten krachtveld, een uitstralende cirkel. Slechts het Licht kan dit ongestraft doen, omdat het in zichzelf leeft, schept, opheft, herschept, één en al actie is.

De mens, die zichzelf in dienst wil stellen van zijn medemensen, zonder hieraan te gronde te gaan, behoort de gaven van het Licht te bezitten, d.w.z. in zichzelf actief te zijn hoewel hij besloten is, toch uit te stralen hoewel hij afgeeft, niettemin doorlopend het allerhoogste op te nemen.

De grootste eenheid is als wiskundige tekening: de punt: een concentratie van kracht, een spanningsveld, waaruit stralen, intensieve frequenties te voorschijn kunnen schieten. Niettemin blijft de punt één, hij scheurt nimmer.

Men kan dit vergelijken met de zon: een intensief, gigantisch spanningsveld, dat uitstraalt, doordat zijn hitte niet gevangen kan blijven binnen zijn veld. Naar zulk een zon, zulk een krachtpunt moet de hermetische kandidaat heenleven, langs de weg van de intuïtie, de weg der geleidelijkheid. Het Licht van de kandidaat, zijn frequentie wordt geconcentreerder; ego, als laagste trilling en ziel, als hoogste trilling, smelten ineen tot één lichtpunt, één machtige concentratie, een intens vuur. Dit is het samengaan van ego en intuïtie, het ego wordt daardoor geabsorbeerd, het sterft.

De intuïtie, in zijn zuiverste vorm, is de eerste vlam van het zielevuur, die lekt aan het ego. En als men nu bij zichzelf nagaat, hoe dikwijls men zijn nog zwakke intuïtie heeft genegeerd, dan weet men hoe irriterend deze, slechts lichte, aanraking van het zielevuur op zijn ego werkt.

Hieruit kan de kandidaat zijn eigen lering trekken, hieraan kan hij zijn zelfkennis en zijn interesse voor de ver-assing toetsen.

Hij, die zelfstandig denkt, herkent de tekening van het eigen zelf en leert zijn lessen. Dit nu is de alchemische meditatie: het doorschouwen van de beelden, de tekeningen van het eigen handelingsleven.

Hij, die hieruit niet kan lezen, behoeft de School der Wijzen niet te betreden, zegt Plato! 

Wees daarom een vlijtig lezer, kandidaat, want slechts de ijver tot onderzoek, gepaard gaande met de pure intuïtie brengt de kandidaat verder!


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene