10 - De zeven edele gaven

De weg naar de uiteindelijke vrijheid ligt in uw zelf. Die weg begint en eindigt buiten het zelf.


Voorbereiding

Voer uw gedachten tot over de grens van het zijn — treedt binnen in het niet-zijn en geef u over aan het alomvattende Goddelijke Bewustzijn.

Gebed

Wanneer het hart rust vindt in de ademhaling van Vader-Moeder, kan de ziel vluchten in het Land des Vredes.

Sluit de zinnen van mijn verstand — Sluit de zinnen van mijn wil — Sluit de zinnen van mijn gemoed

O Grote Waker aan de poort tussen het zijn en het niet-zijn!

Trek mij door uw Melodie der onbegrensde Wijsheid tot in de Waarheid van het eeuwige Bestaande — waar de Gerechtigheid de Intuïtie en het Geweten omarmt in de vereniging van het antwoord der Liefde.

O lichtende Geest des Levens — neem mij op in uw stromen en geleid mij naar de kusten der Vrijheid. Daar war uw Altaar wacht op de offerande der Vrijheid.

Amen

Trek u terug in uzelf en schouw de waarheid.

Bepaal door dit woord het begin van uw Pad en vestig uw denken op het Goede Einde van uw Pad.

Besef dat binnen de stilte van uw denken, in eenheid met uw gemoed, u plaatsen kan op de Weg tot de Hoogten.

Peil de diepten van de Wijsheid, pelgrim!

De leer der zeven geesten of demonen is zo oud als de wereld en in alle uithoeken der aarde heeft men deze bestudeerd.

Corresponderende met deze zeven leidende principes zijn er de zeven hoofdzonden en tegenover hen staan de zeven edele gaven. Beide zijn voortbrengselen van de planeten en wij zijn ervan overtuigd dat iedere Lichtzoon zijn hoofdzonden moet kunnen opheffen door de edele gaven, wil hij tenslotte de harmonie binnen de zevenheid bereiken.

Nu is het vrijwel ondenkbaar, dat een ziel, van de ene dag op de andere, tot een volmaakte harmonie geraakt, maar het is wel mogelijk, dat iedere ernstige kandidaat enkele van de edele gaven verwerft, terwijl zijn affiniteit met de hoofdzonden wegvalt.

Een gedeeltelijke overwinning, niet teniet gedaan door funeste eigenschappen, is reeds voldoende om uitgetild, ontheven te worden aan de zonden. De woorden uit de heilige Taal: « Zo gij één schrede tot Christus gaat, komt Hij u twee schreden tegemoet », is hierop van toepassing.

De Chaldeeën, de Egyptenaren, de Grieken, de Indiërs, de Gnostici, de middeleeuwse Alchemisten, Paracelsus leerden allen, dat de mensheid onder zeven funeste invloeden te lijden heeft. Uit deze zeven kwaadaardige stralingen komen alle ziekten voort. Dientengevolge zijn er zeven geneesmiddelen of arcana.

Dit zijn heilmiddelen met een verborgen geneeskracht.

Paracelsus zegt in zijn geschriften, dat het te betreuren valt dat de geneeskunde de wijsheid der zeven arcana vergeten is.

Een arts uit de 19de eeuw spreekt van de herontdekking van de zeven Arcana en hun toepassing.

De redenering van deze oude wijsgeren is zo verbluffend eenvoudig en logisch, dat het merkwaardig is dat de moderne geneesheer deze kennis heeft verlaten.

Ieder mensentype heeft zijn eigen medicijn, gebaseerd op zijn affiniteit met een bepaalde instroming. Men kan dit via de kruidentherapie terugvinden, maar het is evenzo in de alchemische geneeswijze te herkennen. Zulk een geneeskunde heeft dan niet slechts betrekking op een organische ziekte, maar kan tevens een disharmonie in de zinnen of driften opheffen.

Een mens wordt ziek wanneer er een onevenwichtigheid in de samenwerking der zeven geesten bestaat. Zijn zij louter demonisch, dan is de mens onherstelbaar ziek: zielsziek.

Zodra de zeven stralen, planeten of geesten tot overeenstemming kunnen komen, komt de mens in het stadium der toebereiding.

Hij bezit dan deze zeven gaven der hemelse lichten:

1 - de Aandacht

De Aandacht - een edele gave van de maan.

Het zal de kandidaat bekend zijn, dat deze aandacht slechts zelden voorkomt in haar pure uitdrukking. Iemand, die volkomen ontledigd is en zich, belangeloos, tot de medemens wendt, schenkt zulk een mens zijn aandacht, een opmerkingsgave, die van binnenuit komt en hem het luisteren leert. Weinig mensen kunnen luisteren, omdat zij te vervuld zijn van zichzelf.

Vuurtypen zijn vooral moeilijk tot luisteren te bewegen, omdat zij innerlijk doorlopend aangevuurd worden en deze stimulansen altijd willen uiten om van hen bevrijd te worden.

De mens, die leert luisteren, buigt zich naar de medemens over en zo hij dit met zijn gehele hart doet (hetgeen uit zijn blik is te herkennen), neemt hij de bewogenheid van zijn medemens weg.

Hieruit volgt direct dat de aandacht slechts in zijn hoogste vorm gerealiseerd kan worden door de edele mens, de mens, die innerlijk sterk en koninklijk is. Want hij, die zichzelf overgeeft aan de impulsieve aandacht, kan er door ten gronde gaan, omdat hij zijn eigen innerlijke houvast verliest. Hij wordt overspoeld en raakt op drift.

De aandacht is een evenwichtige opmerkzaamheid, een liefdevolle attentie.

2 - de Onderkenning

De Onderkenning, of het onderzoek is een tweede edele gave en zij wordt geactiveerd door Mercurius.

Ook deze gave houdt echter een gevaar in voor de onvoorbereide mens. Zij vervalt heel snel in de zonde van Mercurius: de jaloezie, die bemoeizuchtig, nieuwsgierig en giftig wordt om hetgeen hij ontdekt!

De Mercurius-gave houdt echter verband met het woord: onderzoek alle dingen en behoudt het goede. Hij, die weigert zijn inzicht, zijn kijk te verruimen, omdat hij meent alles te weten, sluit zich af voor Mercurius. De Hogere Mercurius in de koninklijke mens, behoudt altijd zijn Goddelijke intuïtie en hij wendt deze aan om de zielen te zoeken. Evenzo handelt de wijze mens. Hij peurt uit zijn zoeken de zielewaarden en werpt het onnutte deel van zich.

Dit onderkennen en onderzoeken der waarden is niet voor iedereen weggelegd. Hoewel velen kennis vergaren, onderzoekingstochten ondernemen, zijn er slechts weinigen die de zieleschatten kunnen afscheiden van de waardeloze vormen.

Daarom kan de edele mens haarscherp onderscheiden hetgeen tijdelijk en hetgeen eeuwig is. Deze onderkenning, gepaard gaande met de attentie, geeft een gedetailleerd, maar liefdevol rangschikken van de feiten en de woorden. Terwijl de liefdevolle attentie werkzaam is, scheidt de onderkenning de waarheid van de leugen. Deze werkingen zijn intuïtief, zij komen intuïtief naar boven in de koninklijke mens en zij voegen zich daar waar het nodig is aaneen.

3 - de Energie

De derde edele gave is de Energie, het vuur van Mars, een onvermoeibaar uithoudingsvermogen, als tegenstelling tot de drift (hoofdzonde van Mars), die als een vuurpijl omhoogschiet, maar direct daarna weer dooft.

Energie in zijn edele vorm, is een gestadige, warm brandende levenskracht, waaruit de edele mens onophoudelijk putten kan.

Het is een geestelijke levenskracht, die onafhankelijk is van lichaamsenergie of krachtige gezondheid. Deze energie komt voort uit het vertrouwen en de moed van de ziel en hij is niet te verzwakken door teleurstellingen. Iedere teleurstelling is een emotie van het ik. De ziel is niet teleur te stellen, want zij verwacht niets, zij hoopt slechts. Dat is het verschil tussen het ego en de ziel: het ego verwacht velerlei dingen, de ziel hoopt slechts op één resultaat. Zij weet dat zij dit resultaat in deze materie nooit zal verkrijgen, daarom is zij nimmer teleurgesteld, zo de omstandigheden andere resultaten laten zien, dan zij gehoopt had.

Haar hoop wordt gevoed uit haar ziele-energie en wordt nimmer met een materie verbonden. Zo ontstaat de energie, die nimmer uitgeput raakt, omdat haar bron zich buiten de natuur bevindt.

Uit deze energie gelukt het de mens om steeds te schenken, zonder uitgeput te geraken, hij wordt steeds opnieuw bijgeladen.

De aandacht en de onderkenning zijn twee gaven, die belevendigd worden door deze ziele-energie. Zonder de laatste, zijn de eerste twee schijnvormen, die altijd tijdelijk zijn en die de mens vermoeien, vervelen en overbelasten.

4 - de Vreugde

De vierde edele gave is de Vreugde, een genade van de hogere Venus.

De materiële mens ondervindt vreugde, wanneer hij bevredigd wordt, wanneer zijn ego, zijn zinnen, zijn hart of denken bevrediging ondergaan. Hieruit komt die vernietigende hoofdzonde, de wellust, voort. De edele vreugde is echter een vorm van bevrijding, zoals een kind bevrijd kan oplachen.

Vreugde is ongrijpbaar, het is een emotie die het hart beroert, maar die in zijn adeldom tevens een uiting van de ziel wordt.

Extase, als een uiting van vreugde, geeft de sensatie van een bevrijding, een zinnenbevrijding. In de extase laat de mens zijn zinnen onbeheerst hun gang gaan. De edele vreugde is echter een innerlijke gewaarwording, een verborgen blijdschap, waarbij de ziel ondergaat hoe er een rijk voor hem ontsloten wordt. De vreugde van de koninklijke mens is de herontdekking van zijn zielezintuigen, zijn innerlijke zintuigen.

Zoals de materiële mens in de uiterlijke extase zijn zinnen de vrije teugel laat, zo ervaart de koninklijke mens hoe zijn innerlijke zinnen onbelemmerd op zoek gaan naar een innerlijke wereld.

Deze vreugde is tegelijkertijd naar buiten en naar binnen gericht.

« Deze verheven vreugde », zo zegt de Boeddha, « bevrijdt de mens van de zonde der wellust », hij heft dus zijn hoofdzonde op.

Een mens, die vervuld wordt van een innerlijke vreugde, zoekt nimmer naar de uiterlijke twee-voudigheid, omdat hij de vreugde van de hoogste, innerlijke twee-voudigheid, de geest — ziele-eenheid, heeft her-ontdekt.

De rijkdom van deze vierde gave schenkt de wijze de kracht om alleen en eenzaam te zijn, een situatie, die slechts voor enkelen is weggelegd.

5 - de Rust

De vijfde gave is de Rust, een voorrecht van Jupiter.

Deze rust verkrijgt de mens pas, wanneer hij zeker weet, als een innerlijke waarheid, waar hij bij behoort. Als hij dus, zoals het jupiterische tin beoogt, gesorteerd is en zichzelf niet meer gulzig (de hoofdzonde van Jupiter) tot allerlei bronnen wil wenden.

Deze rust is de overtuiging van de innerlijke afkomst, de mens heeft zichzelf gesorteerd, ondergebracht. Wat er verder nog gebeuren kan, is niet van belang, hij weet wat zijn doel is, waar hij vandaan komt, waar hij heen gaat. Dan kan hij alle dingen onderzoeken, zich wijden aan de aandacht, zijn intelligentie scherpen aan de onderkenning en zich overgeven aan de innerlijke vreugde, hij verliest zijn rust nooit.

Men kan deze rust vergelijken met een gelijkmatige en evenwichtige ademhaling. De mens rust in deze ademhaling, deze gaat door, hoewel hij energie schenkt aan al zijn gaven.  Hij verliest zijn innerlijke zekerheid nimmer, omdat deze, als Jupiterische gave, het onzichtbare en het zichtbare gebied omvat.

Zulk een mens experimenteert nooit in het onzichtbare gebied, hij onderzoekt slechts datgene dat hij als waardevol erkent.

Hij is dus rustende in de Adem Gods.

6 - de Concentratie

De zesde gave is de macht van de Concentratie, de eigenschap van de verheven Saturnus.

Dit is de innerlijke versterking, het opnemen en naar binnen brengen. In degeneratieve vorm herkent men dit in de zonde van de gierigheid. Dit vermogen der concentratie wordt echter aangewend om de andere gaven te verrijken, te intensiveren.

Concentratie is een eenpuntig gericht zijn op een doel, een spirituele waarde, om daarmede de innerlijke kracht te versterken.

Concentratie is de bescherming van de koninklijke mens.

Iemand, die zich niet kan concentreren, laat zijn innerlijke waarden verloren gaan, hij vermorst hen, omdat hij niet in staat is ze door zijn eigen innerlijke kracht te behouden.

Concentratie is de gave van de innerlijk rijke mens, van hem, die geboeid wordt door de spiritualiteit. In de materie is concentratie een vermogen van de wil. Iemand met een sterke wil kan zich op alle mogelijke doeleinden concentreren, zelfs al interesseren zij hem niet.

Indien de mens een prooi is van de hoofdzonden, ontaardt de concentratie in een genotzuchtige bezetenheid en wordt gierigheid, drift naar macht, voortkomende uit innerlijke onmacht. Zoals de mens beheerst kan worden door de hoofdzonden, zo zal hij echter eveneens beheerst kunnen worden door de edele gaven.

De zes genoemde gaven staan tegenover elkander als hart- en hoofdaanrakingen, zij gaan dikwijls twee aan twee.

7 - de Geestzon

Zij vinden hun gouden bekroning in de zevende gave van de Geestzon, de gave van het Evenwicht.

Dit is een beweging en een rust, in tegenstelling tot de hoofdzonde, die slechts een arrogante ik-centrale rust is. De stromen gaan op- en neer, via de hart-hoofd uitwisseling en zij verenigen zich in de kruin, in het pinealis-chakrum. Daar vormen zij tezamen die koninklijke kroon, waarover al de ouden zongen.  Niemand draagt zulk een kroon dan hij, die de zes gaven uitdraagt en aan de geest opdraagt. Hij wordt door de wijze Saturnus, de poortwachter, door de Poort gevoerd.

Paracelsus leert, dat bij al deze gaven een medicijn, gewonnen uit de planten- en mineralen-tincturen, behoort.

Iemand, die door zijn ziekteverschijnselen bewijst, gebrek te hebben aan bepaalde planeet-vibraties, moet zulk een tinctuur voorgeschreven worden. Het is natuurlijk een geneeswijze, die de mens in harmonie brengt met de natuur! Maar dat zijn alle geneeswijzen. De acupunctuur beoogt hetzelfde, de kruidentherapie en de homeopathie evenzo.

De geneeswijze van de zeven Arcana staat echter dichter bij de bron. Iedere ziekte is disharmonie en het is noodzaak om de patiënt in een zo groot mogelijke harmonie terug te brengen.

Disharmonie, die door de ziel niet meer verdragen wordt, ontketent ziekte, want in werkelijkheid lijdt ieder mens natuurlijk aan disharmonische toestanden. Zo men echter gezond blijft, kan de mens de disharmonie nog beheersen, herstellen.

Daarom behoort elk ziekbed een lering voor de kandidaat te bevatten, een aanwijzing dat hij ergens de plank misslaat!

De serieuze, waarlijk oplettende kandidaat kan zijn eigen arts zijn, mits hij zich verdiepen wil in de Arcana, de verborgen heilmiddelen, die de Geest in de natuur heeft neergelegd.

De serieuze kandidaat kan eveneens de edele gaven in zichzelf opwekken, door oplettend te zijn, oplettend op zijn ziel, luisteren naar zijn ziel, luisteren naar de Intuïtie, reageren op het Geweten.

Iemand, die niet principieel, gewetensvol is, verraadt zijn edele gaven, vervalt daardoor automatisch in de greep van de hoofdzonden. 

En dan behoeft hij zich niet vertwijfeld af te vragen: « Waarom lukt mij de bewandeling van het Pad niet? Waarom ben ik zo zwak, zo slecht? »

Want er is maar één antwoord en meestal kent hij dit zelf reeds: hij is niet principieel, negeert of Intuïtie of het Geweten. Hij lijdt aan de ziekte van het elastieken geweten, de ziekte der laffen en der schijnspirituelen.

Een ding is zeker, hij, die principieel, intuïtief en gewetensvol de waarheid van de universele leringen volgt, hij ervaart de overwinning! 


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene