1 - De Levenstrilling

Wees als de oceaan, die alle stromen en rivieren in zich opneemt. 

De machtige kalmte van de oceaan blijft onbewogen, hij gevoelt de stromen niet.


Voorbereiding

Ontspan u en ontledig u van dialektische belemmeringen.

Gebed

Komende vanuit een disharmonisch veld, waarbinnen het Algoede geen bestaansgrond vindt —

zoeken wij onszelf terug te brengen tot de Eenheid van het Klankloze Begin, waarin het Grote Zwijgen de demonen der begeerten tot hun duistere woning terugzendt.

Waarlijk, niets is sterker dan de Stilte, waarbinnen niet wordt geageerd — waarin niet wordt gespeeld met de tegenstromen der verbroken natuurmachten.

Schenk ons dan — O Heer der Hemelse Stilte — de zegen van de harmonie binnen uw Tuin der Goden, waar zielen van onaardse schoonheid zich tezamen voegen als een kleurrijke Rozenpracht.

Hoewel er vele kleurschakeringen zijn, is er geen ziel i disharmonie met de sfeer uwer Heiligheid, O God!

Lere ons te zien met innerlijke Ogen opdat wij Uw tekening der zielen zullen mogen herkennen —

in onszelf, in onze naasten!

Herschep ons — Licht, Eeuwige Levensbron, die nimmer uitdooft, die nimmer opdroogt — in een druppel van de metalen Zee Uwer onvernietigbare Eenheid.

Opdat het Mere van Water en Vuur zich openbare als een bewijs van Uw Alkracht.

Want er is slechts één vorm van Wijsheid, en dat zijt Gij, Universeel Atoom des Levens!

Amen

Herinner u deze gedachte (spreuk van deze lezing) dagelijks — praktizeer daardoor de Stilte en koncentreer uw Innerlijke Kracht. Intensiveer uw Innerlijke Stilte en verdiep u daarna in bijgaande astrosophische tekst. Betracht een ogenblik Stilte na lezing en wissel — indien u met meerderen bent, zo nodig van gedachten.

Bewaard « de les van Harmonie » — innerlijk en uiterlijk — en u zult voortgang vinden op het Pad!

De enige impuls, die de mens in stand houdt, is de levenstrilling, die vanuit het universum op de mens toestroomt en binding maakt met het natuuratoom in het natuurgeboren schepsel.

Deze verbintenis tussen universum en wezen heeft meestal plaats in de vierde maand van de embryonale ontwikkeling.

De levenstrilling is een natuurlijke, neutrale trilling, die over geheel de aarde atoomkernen zoekt, waarmede hij in contact kan komen. Deze machtige trilling is als 't ware een zoekende universele straal, die doorlopend het leven op aarde oproept en aanwakkert.

De meest intense levenstrilling komt tot de mens via de Zon, althans voor de aarde en haar mensheid. Andere zonnen in het universum maken binding met hun planeten, opdat daarop het leven wakker zal worden.

De Zon, als vuurelement, is de directe schakel tussen het Oeratoom van het Absolute Leven en het begrensde, noodorde-systeem, of het gevallen universum.

Binnen dit gevallen universum of deze uitreddings-ordening, die de mens als het heelal kent, zijn vele zonnesystemen, die alle tot doel hebben een mensheidsgolf te plaatsen op de thuisweg van de ziel.

Om deze thuisweg te herkennen wordt iedere gevallen ziel in een natuurgeboren wezen geplaatst en wordt hij blootgesteld aan een reeks van ervaringen. Binnen het heelal, met zijn vele zonnen-systemen, is er geen goddelijk volmaakte, want het zijn binnen de begrenzing van het noodorde-heelal maakt van ieder wezen een noodorde-wezen.

Dit moet zo zijn, wil het schepsel harmonisch mee kunnen vibreren in de methode van de thuisweg, die bepalend is voor iedere ziel. In die goddelijke ordening, waarbinnen niets anders geldt dan de verlossing van de Lichtzonen, is het natuurgeboren schepsel een niets, een noodzakelijk materiaal. Dat de mens zichzelf verheven heeft tot middelpunt van het heelal, is het gevolg van zijn eigen hoogmoed, die niets anders is dan een voortgezette zondeval.

Als men nu waarlijk terug wil keren tot de oermelodie, de goddelijke oertrilling, dan kan men, als ziel, slechts één ding doen, nl. zich innerlijk afscheiden van het noodorde-wezen.

Zich innerlijk gescheiden houden van dit profane schepsel, dat geen syllabe begrijpt van enige Goddelijkheid.

Deze innerlijke scheiding komt tot stand door het negeren, of doelbewust (vanzelfsprekend ongeforceerd) onbeantwoord laten, van die intensieve verbroken levensdrang binnen het heelal.

Want deze levensdrang zet de mens aan tot versterking van de noodorde-eigenschappen in zijn individuele noodorde-stelsel.

Alles is trilling. Wil men de thuisweg betreden, de oerbron hervinden, dan moet men werken met trillingen. Men komt dan  automatisch terecht in een levenssfeer waar magie gepraktizeerd wordt. Magie is het bewust, geforceerd of ongeforceerd werken met trillingen. Spreken, denken, maar ook handelingen worden gevormd, tot stand gebracht, door het gebruik maken van trillingen.

Afgescheidenheid van mensen onderling is het gevolg van het verschillende gebruik der trillingen. Onze uitstraling, komende vanuit het denken, vanuit het hart, vanuit de zeven chakra's, is een samenstelling van trillingen, die tezamen kleuren vormen.

Kleuren kunnen zich disharmonisch verhouden, maar trillingen ook! Uit deze trillingsdisharmonie ontstaat anti- en sympathie. Een neiging, die niet weg te denken is, maar die eveneens niet goed te praten is. Zij is eenvoudig het gevolg van het verkeerd gebruik maken van de mogelijkheden van de mens.

Niet Jan, Piet of Klaas vormen de ergernis, maar de trillingen die zij om zich heen samengetrokken hebben. Niet een type mens roept de antipathie op, maar het trillingsveld, dat deze mens om zich heen gevormd heeft.

Het eigen trillingsveld verhoudt zich dan disharmonisch tot haar of zijn trillingsveld. Dat heeft niets te maken met het één of andere zodiakale type. Alle zodiakale typen moeten elkander kunnen vinden, omdat zij in wezen één zijn.

Zij zijn twaalf vertegenwoordigers van één, hoewel natuur-gebonden, maar dan toch harmonisch stelsel. Alle demonen keren uiteindelijk terug tot in de ene bron. Zij lossen zich op, zoals de disharmonie zich oplost, wanneer de ziel zich afscheidt van de volkomen falende verbroken persoonlijkheid.

Men kan nooit zeggen: « ik wil niet meer hebzuchtig zijn », of: « ik wil niet meer jaloers zijn » . Men kan, als verbroken aards wezen, levende uit een vervormde levenstrillingen, ademend, bewegend, door een volkomen organische disharmonie, nooit zichzelf veranderen, zichzelf tot een verheven mens maken.

Iedere goedheid of verhevenheid heeft, binnen het raam van deze natuur, een keerzijde. Men kan nooit van de mens verlangen dat hij zichzelf als een politieagent in de gaten houdt, om zichzelf te betrappen op fouten.  Men zou verkrampen tot een marionet en men zou de levenstrillingen met zijn wil zodanig vervormen, dat er ziekten, remmingen in het natuurgeboren wezen zouden ontstaan. Bovendien zou er geen sprake meer van zijn, dat men zijn ziel buiten de uitdrukkingssfeer van de persoonlijkheid hield.

Integendeel, elke verkramping, elke dwang belet de ziel zich vrij te ontplooien. Levensenergie is de begeerte van de persoonlijkheid, aangewakkerd door de vuurtrilling van de zon. Die bijna onuitroeibare levensdrang van de mens is het gevolg van de zelfhandhaving der natuur in hem.

Zelfvernietiging, levensmoeheid, zijn het gevolg van een verminderde toevoer van de levenstrilling, doordat ziel en persoonlijkheid niet tot overeenstemming zijn gekomen.

Het gevecht tussen ziel en natuurgeboren wezen brengt levenstrilling-verlies, ziekten, organische storingen, die de trilling niet meer kunnen verwerken. Met alle gevolgen in het lichaam, depressie en zielenood.

Met behoud van de natuurgeboren levenstrilling moet de kandidaat overschakelen op een zuivere goddelijke trilling, die op dat moment slechts slapend in zijn ziel aanwezig zal zijn.

Deze slapende zieletrilling, verborgen in dat oeratoom, wacht een gigantische taak, nl. de speurtocht naar de pure Oerlevenstrilling, die vanuit een Goddelijk heelal binnen dit gevallen universum stroomt.

Dat is het eerste zoeken. Het werkelijke ziele-zoeken, dat onafhankelijk van de persoonlijkheid gerealiseerd wordt. Zoekt de ziel vanuit het oeratoom, dan heeft hij de tweeledigheid van zijn wezen ontdekt, aanvaard en vooral begrepen.

Vanaf dat moment is deze ziel een geroepene, een hunkerende, een ontwakende. Vanaf dat ogenblik pas kan deze ziel door een trilling uit het Goddelijke Universum bereikt worden.

Men kan zeggen: het ziele-embryo begint dan te groeien naar het verbindingsmoment tussen Goddelijke trilling en in-eigen zieletrilling.

En nu komt de kandidaat in dat zo veelbewogen stadium van het weifelen tussen twee wegen, het zich heen en weder geslingerd gevoelen tussen twee trillingsvelden. De natuurgeboren levensdrang zet hem aan tot persoonlijkheidsuitdrukking, maar de zoekende ziel gruwt van de levenstrilling van deze natuur, die zoveel driften opwekt. In het embryo der ziel liggen alle kwaliteiten van een Goddelijkheid verborgen. De ziel kent, voordat zij geleerd heeft! Zij behoeft geen aanwijzingen.

In het zoekende stadium echter is de ziel nog onmondig, heeft behoefte aan levenskracht, oertrilling, harmonie en vooral heeft zij hulp van node, die de overweldigende levenstrilling uit het gebonden heelal enigszins tempert, van haar afhoudt.

Die bruisende, zich in allerlei eigenschappen uitdrukkende levensstroom van deze natuur, overspoelt het embryo van de ziel als een moddergolf. Men kan de ziel vergelijken met een drenkeling, die steeds opnieuw overweldigd wordt door een torenhoge golf.

Is het verwonderlijk dat deze drenkeling uitgeput raakt, de moed opgeeft?

Een zoekende ziel moet door deze machtige, hem overweldigende levenskracht heen, het Licht, de Waarheid en de Oertrillingen terug vinden. De aardse levenstrilling, waarvan de mens de geconcentreerde vorm is, staat haar daarbij in de weg. Niettemin bevindt zij zich temidden van deze natuurtrillingen en moet zij haar weg zoeken. Dat is haar opgave, haar individuele autonome opgave.

Het zich blindelings storten in de levensstrijd, roept bij de kandidaat eigenschappen op, die de ziel bedekken, zijn levenskracht ontnemen. Iedere geprononceerde zelfhandhaving in de maatschappij vergt levenstrilling, energie, waardoor de zieletrilling, zelf zwak en zoekend, overheerst wordt.

Men kan de door zichzelf voortgebrachte handelingen en eigenschappen niet gaan bevechten, maar men moet het altijd zoeken in de diepste diepten van zijn wezen, daar waar de levenshonger, de levenstrilling zetelt. Het veranderen van het type is slechts mogelijk wanneer de zodiakale levenstrilling vermindert, doordat de kandidaat overschakelt op een andere levenstrilling.

Dit overschakelen begint wanneer ziel en persoonlijkheid de strijd tegen elkander opgeven. Deze rust komt wanneer de kandidaat zowel in zijn natuurgeboren wezen, als in zijn ziel aangeraakt is.

En deze tweevoudige aanraking is een innerlijke schok, een bliksemflits die tegelijktijdig de persoonlijkheid en de ziel aanraakt.  Men kan het zien als een splijting na het geweld van een bovenaardse lichtstraal.

Het denken, het gevoelen, heel die in een cirkel bewegende levensuitdrukking, wordt vaneen gescheurd, opdat de ziel bereikt kan worden.

Hopelijk kent men die ervaring. Zij is als een innerlijke schok, waarbij alle oude overwegingen, alle gedachten, alle uitvluchten en leringen wegvallen, in een bodemloze afgrond.

En dan is daar slechts die intensieve, haast grijpbare ziele-hunkering, waarin men zijn ziel plotseling krachtiger voelt worden. Men heeft dan het gevoel, dat men plotseling de weg in één dag af kan lopen! Levenskracht, pure, ongeschonden levenstrilling wordt op de mens afgezonden en men wil dat zulk een moment blijft, altijd duurt.

Men  wil het vasthouden, daarin verzinken, kortom, men weet dat men het doel kent, dat men de ziel prefereert, dat men er alles voor over heeft om deze bezielende levenskracht, die de mens doet uitstijgen boven alle profane levensdoelstellingen, voor altijd te bezitten. Omdat men een andere trilling ervaart, omdat men bemerkt dat men anders is, in dat ene moment.

Wel, deze ervaring beslist over het leven van de mens.

Men kiest in dit ogenblik, zijn leven gaat zich veranderen, zijn interessen veranderen, zijn denken zoekt andere wegen, zijn hart sluit zich toe voor oude belangen. Deze ervaring tekent de mens.

De trillingsvormen in zijn aurische wezen veranderen, er wordt onaardse trilling binnengevoerd, die de oude trillingstekeningen nieuwe lijnen geeft. Deze trillingen omgeven hem, snellen voor hem uit, verdichten zich, vervluchtigen. De bliksemflits van deze tweevoudige aanraking is het begin van het pad der ziel.

De mens, die deze innerlijke verlichting kent, vergeet deze nooit, wat er ook gebeurt. Bewaart men deze herinnering ongeschonden in zichzelf, dan blijft er een opening, een toegang. Men kan ook zeggen, die saturnale, aardse ring is gebroken.

Het Pad naar buiten begint nu pas.

De ziel moet zich uit de benauwenis werken, uit de ring uitbreken. In dit stadium kan de kandidaat de astrosofie als hulp nemen. Aanwijzingen voor de persoonlijkheid, waardoor de ziel onbelemmerd zichzelf zal herkennen, haar kwaliteiten zal her-ontdekken en rustig, vredig, harmonisch zich zal afscheiden van het natuurgeboren wezen. D.w.z. haar eigen leven zal opbouwen, haar eigen levenstrilling zal benutten om haar eigen eigenschappen te realiseren, die alle in zichzelf absoluut goed en één zijn.

Het type verandert, het karakter verandert, d.w.z. wordt minder geprononceerd, zodra deze bliksemflits der herkenning in de mens ingeslagen is. Na de vermindering van de geprononceerde karakteristieken, volgt het wegvallen van de tegenstelling, vloeit het kwade in het goede ineen. Er is dan geen type meer, maar slechts een wezen, een Lichtzoon.

De twaalf zodiakale demonen in de mens, die alle de opperdemon, de verbroken leeuwen-vuurkracht, of de zon aanbidden, gaan zich ter aarde werpen, één voor één, totdat de laatste, die men Saturnus noemt, die voor iedereen individueel verschillend is, zich tenslotte ook overgeeft.

Aan de opruiming van deze saturnale belemmering is men pas toe, wanneer de bliksemflits der herkenning blijvend in de mens leeft.

Iedere kandidaat op het Pad kan zijn medekandidaat ergens herkennen, ergens vinden, mits zij beiden, via de bliksemflits, de nieuwe trilling met zich en in zich mede dragen.

Want deze trilling sluit zich direct, intuïtief, bij een gelijke trilling aan, zonder aanzien des persoons, omdat deze trilling eenheid zoekt en kracht en versterking.

Zolang de rots der versteende persoonlijkheid nog niet gespleten is door de bliksemflits der herkenning, zijn alle pogingen om verder te komen op het Pad, vruchteloos. Alle pogingen stranden, omdat er uit een andere levenstrilling geleefd, gedacht, gehandeld wordt. De mensen kunnen elkander niet begrijpen wanneer zij elkander benaderen via de persoonlijkheid, zij kunnen voor elkander hoogstens sympathie op het horizontale plan gevoelen.

Doch zulk een gespleten emotie van deze natuur kan ieder ogenblik in zijn tegendeel veranderen. Zielesympathie, aantrekking vanuit een zieletrilling, is geheel iets anders.

Deze valt buiten elke zodiakale neiging van een type en deze vergeeft ook alle fouten van het type, omdat de innerlijke 'bliksemflits der herkenning' de persoonlijkheid en de ziel gescheiden heeft.

Het knielen der demonen geschiedt pas wanneer de ziel leeft en dit houdt in, dat dan het type zichzelf vergeet en de zielekwaliteiten meer op de voorgrond gaan treden.

Men bewandelt pas een verlossingsweg, wanneer men zijn persoonlijkheidsstructuur ondergeschikt maakt aan zijn zielsverlangen. En dat lukt pas wanneer de flits der innerlijke herkenning bij de mens is doorgebroken.

Voor die tijd is elke spirituele poging nutteloos en is men een theoreticus. Dan strandt men in de horizontale astrologie, waar diverse typen zich niet bij elkander kunnen aanpassen.

Op een zielepad, waar astrosofie onderwezen wordt als een hulp, voegen de twaalf vertegenwoordigers van de vergiftigde zodiak, zowel in de mens als buiten de mens, zich naar de wensen van de ziel.

De kandidaat heeft niets anders te doen dan in stilte te observeren.

De ziel zoekt in de innerlijke stilte eerst, via denken en gevoel, de uitweg uit de persoonlijkheid en dan volgt de handeling.

De ziel bereidt zich dus voor op de uitbraak, de ontplooiing.

Deze voorbereiding is een innerlijke toestand, een gevolg van de bliksemflits der herkenning.

De kandidaat beraadt zichzelve: « hoe moet ik de weg gaan, hoe moet ik mijn ziel wassen en hoe moet ik ondergaan ».

Alle andere voorbereidingen door filosofische leringen, methoden, oefeningen zijn slechts het aanvangsspel, alvorens De Weg begonnen wordt.

De Weg begint innerlijk en hij declareert zich na enige tijd uiterlijk. Men kan niet innerlijk een weg gaan en uiterlijk een andere weg volgen!

Men gaat één weg. Innerlijk — uiterlijk.

De vereniging van deze beide aanzichten kunnen bevorderd worden door raadgevingen, ervaringen, aanwijzingen.

De sterke levenstrilling van deze natuur, die het wezen aanzet tot die geaccentueerde, aardse, natuurdriften, vernietigt elke hogere, goddelijke levenstrilling. Laat men dat toe, dan kan men rustig aannemen dat een zieleverlossing, een spirituele weg voor de mens afgesloten wordt. Wie men ook is, waar men ook staat!

Wel, hopelijk dat de lezer begrijpt waar het om gaat, waar het Doel ligt, wat de opzet is van zijn verlangen, van het verlangen der mensen.

Staande in eenzelfde verlangen zullen de demonen, die bezield worden door de zodiakale, giftige kosmische werkingen, onder moeten gaan in het Licht van de goddelijke Levenstrilling.

Dat geloof schenkt de mens volharding, wijsheid en de overwinning. Versterk dan dat geloof door de stille bezinning van de ziel, opdat haar stem het innerlijk gehoor zal bereiken!


1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene