33 - het katharisme

De Katharen werden voor het eerst gesignaleerd in Frankrijk tegen het einde van de 10de eeuw. 

Zij kwamen uit Italië en vloeiden voort uit de Priscillianen, een soortgelijke beweging in Italië, die echter door de vervolgingen    uiteengeslagen werd. 

Hoewel het Zuiden van Frankrijk, de Langue d'Oc, vooral door hen werd bevolkt, begon de geschiedenis toch in Noord-Frankrijk, in Mont-Aimé. 

In de Champagne had een man gewoond, Fortunatas, hij was een bekende Manichee uit Afrika, die door zijn houding tegenover Augustinus gedwongen werd zijn land te verlaten. 

Hij vluchtte naar de Champagne waar het Priscillianisme heerste en vestigde zich daar op het kasteel van Mont-Aimé, dat weldra een belangrijke rol ging spelen in het Katharisme.     

Van hieruit verspreidde het zich weldra door geheel Frankrijk; de leer werd door twee volgelingen van huis tot huis gebracht, en in een land waarin een feodaal rooms-katholicisme, met een in weelde en losbandigheid badende klerikale macht, ergernis, ongeloof en haat opwekte, vond een leer waarin eenvoud, gelijkheid en puur ascetisme toonaangevend waren, vlug een vaste grond onder de voeten. 

De Kathaarse leer was een inbreuk op het roomse dogma, doch het bleek een vervolg te zijn van de oude gnostieke sekten, zoals de Paulicianen, de Manicheëen, de  Priscillianen, de Bardesanen en de volgelingen van andere gnostieke voorgangers: Simon Magus, Appolonius van Tyana, Plato, Pythagoras, en zelfs van Paulus. 

Zij geloofden in een reïncarnatie en een loutering der ziel door middel van opeenvolgende incarnaties. 

Zij accepteerden Jezus Christus niet als een historische figuur en zagen het kruishout zelfs als een teken des duivels. 

Dit kwam mede voort uit hun aversie tegen het onwaardige gebruik van het kruissymbool. 

Het Oude Testament was niet het Woord Gods, maar bestond uit historische optekeningen van het Joodse volk; van het Nieuwe Testament waren slechts enkele apostelgeschriften aanvaardbaar. 

Zij citeerden het liefste uit de apocriefe evangeliën, en men weet dat zij in het bezit waren van enkele oorspronkelijke apostel-brieven. 

Veel waarde hechtten zij aan de profeten: Jesaja, Jeremia, Henoch, waarvan zij eveneens geschriften bezaten. 

De volmaakte Katharen leefden uitsluitend vegetarisch en gebruikten geen sterke drank; zij reisden altijd in gezelschap van een medelid, lopend door het Franse land, gehuld in een donker-blauwe pij, slechts voorzien van het Nieuwe Testament. 

Geld en goederen bezaten zij niet; een volmaakte Kathaar deed afstand van ieder maatschappelijk aanzien en van elk materieel bezit. 

Zij doodden nooit enig levend wezen, hoe minimaal ook en leidden een ingetogen en geheel aan hun geloof opgedragen leven. 

Naast deze Volmaakten waren er degenen die het geloof beleden, maar nog niet tot Vervolmaking gekomen waren, zij vervulden taken naast de Volmaakten, doch hadden nog enige maatschappelijke verplichtingen. Ook zij waren gehouden aan het vegetarisme en het zich onthouden van alcohol. 

Buiten deze dienstbare Katharen waren er de groepen der gelovigen, mensen die zich tot het Katharisme hadden bekeerd of die ermee sympatisearden, maar die zich niet verplicht hadden enig offer te brengen voor hun nieuwe geloof. 

In deze grote groepen van gelovigen zullen de Volmaakten tijdens de vervolgingen vele trouwe aanhangers vinden, die later met hen gemarteld of verbrand werden. 

En dan zijn er nog de Kathaarse ridders; onder hen vindt men Volmaakten, die echter afstand hadden gedaan van hun bezittingen en hun materiële plichten. 

Men ziet er dienstbare diakenen onder, maar vooral treft men onder hen die veel bewonderde beschermheren: mannen die hun kasteel en hun zwaard in dienst stelden van de verdediging der Volmaakten en daardoor tenslotte eenzelfde afschuwelijke lot ondergingen als zij. 

Een Kathaar streed niet, zo zeggen de historici, dit neemt niet weg dat zij wel voor zich lieten strijden. 

Een Kathaar doodt echter niet, hij heeft slechts de plicht zijn taak zolang voort te zetten als dit menselijkerwijze mogelijk is. 

Deze plicht bracht mede dat NIET de leer met het zwaard moest worden verdedigd, maar wel de levens van hen die een zachtmoedig en vooral hoogstaand en eenvoudig leven leidden. 

De Kathaarse leer vond geen ingang door middel van het zwaard, maar door middel van de eenvoud van het woord en de kunst van de Troubadours.  

Het behoeft geen betoog dat de roomse priesters met lede en jaloerse ogen de ontstellende groei van het Katharisme gadesloegen. 

De leegstromende kerken en de sympathie die de "Bonshommes" ondervonden, waren de aanleiding tot een intense kettervervolging, een bloedige uitroeiing die tot op de dag van vandaag zwarte bladzijden vormen in de geschiedenis van de Rooms Katholieke Kerk. 

De bedevaart, sinds enige jaren van rooms-katholieken, naar de Montségur spreekt duidelijke taal. 

Ook een inquisiteur en een fanatieke monnik kunnen in deze tijd gereïncarneerd worden, vergeet u dat niet! 

De schepping bedient zich altijd van dezelfde atomen voor de herstructuur der schepsels, er is niets nieuws. 

Vandaar dat velen zich meer of minder herinneren kunnen wat eens geweest zou zijn, een leven her, dan wel enkele levens her, dit is afhankelijk van de intensiteit van de ervaring. 

Maar, zoals  de Katharen zeiden, de ziel doorloopt de persoonlijkheden tot een loutering, zij bouwt, en daarom zal de huidige persoonlijkheid altijd een voortzetting zijn van de gestorven mens; mogelijk kan een oerangst, microkosmisch vastgezet, hem van zijn roeping afhouden, maar zulk een roeping en zulk een weten zijn altijd levend in hem. 


MONTSÉGUR, BOLWERK DER KATHAREN, KRUISTOCHT TEGEN DE KETTERS 


Vanuit de Champagne waar de burcht de Mont-Aimé de kern werd van het Katharisme met als leider de Manicheeër Fortunatas, verspreidde zich de beweging over alle delen van Frankrijk: langs de Loire, waar veel kastelen hun deuren wijd openzetten, tot in de Perigord, rond Poitiers en Limoges en zuidelijker nog tot aan Toulouse, Carcassonne en de Pyreneeën. 

De bisschoppen van de grote bisdommen, zoals Reims, Orleans, Soissons, Carcassonne, Toulouse en Nimes zagen knarsetandend hoe hun volgelingen in de ban kwamen van de Kathaarse leer. 

Deze predikten vooreerst des nachts, twee aan twee gingen zij langs de huizen, door de donkere straatjes, beklommen bergen en volgden slingerpaadjes door de dalen om Frankrijk bekend te maken met een oude "nieuwe" leer, die de mensen terug zou voeren tot een sobere, principiële levensstijl en hen vooral zou leren te lezen in de taal der "goden" en der "boodschappers". 

De leer vond allereerst ingang bij de hoven, waar mensen van allerlei landsaard elkaar ontmoetten en waar filosofische gesprekken werden gehouden. 

Het was de tijd van de vervolgingen tegen het Manicheïsme en de Gnostiek. 

Geruchten verspreidden zich alom. 

Men revolteerde tegen de roomse overheersing en vooral tegen de onlogica van zijn leringen en tegen de dogmatische uitleg van de uiterlijke letter van de bijbel.   

De kloosters werden nog bewoond door serieuze gelovigen, hetzij door fanatiek roomse aanhangers, hetzij door intellectuele onderzoekers, die de tijd namen om zich te verdiepen in de oude wijsheid. 

Weldra werden vele kloosters haarden van het katharisme, vooral de franciscaner-monniken hadden de naam dat zij vele aanhangers van de nieuwe sekte onder zich verborgen. 

Zijn niet juist uit de kloosters vele grote mystici en wijzen voortgekomen: Franciscus zelf, Mr. Eckehart, Johannes van 't Cruys, Silezius, en ook Christiaan Roosencruys. 

Het klooster was een oord van rust, overgave aan het geloof en diepgaand theologisch onderzoek. 

Een bij uitstek geschikte plaats om een leer te verbreiden. 

Twee kanunniken uit Orleans: Lisoi en Etienne fundeerden in het klooster van Orleans: Église Collegiale de Sainte Croix, een groep Katharen en van daaruit zonden zij hun aanhangers ter prediking. 

Zelf gaven zij onderricht in bijbelkennis en verluchtten hun uiteenzettingen met tekeningen, gebaseerd op gnostieke overleveringen. 

Beide kanunniken waren zo geliefd bij de bevolking om hun ingetogen en bescheiden levenswijze, dat zij een doorn werden in het oog van hun roomse voorgangers. 

Zelfs de koning en de koningin van Frankrijk waardeerden hen en namen hen als biechtvaders, onwetend als zij waren van de ketterij van deze beide broeders. 

Totdat één der kanunniken, Theodoor, stierf en het Heilige Oliesel op zijn sterfbed weigerde. 

Vanaf dat tijdstip opende zich de poort tot de hel voor het gehele klooster. 

Etienne en Lisoi werden ter verantwoording geroepen in de kerk van Orleans en in het bijzijn van honderden mensen tot de brandstapel veroordeeld. 

De lieve Constance was zo woedend dat zij met haar stok haar biechtvader Etienne een oog uitstak.  

Het volk protesteerde, maar was onmachtig en zag zijn geliefde voorgangers voor de stadspoort verbranden. 

Hiermede leek het Katharisme schijnbaar dood in Orleans, doch het dook op andere plaatsen wederom op: Soissons, Toulouse, Carcassonne.  

De fakkel werd verder gedragen, hoewel de eerste veroordelingen reeds een feit waren geworden. 

De bergen van Frankrijk eigenden zich uitstekend voor het verschuilen van de geliefde predikers, en de kastelen waren sterke burchten, geleid door fiere en waarlijk edele heren, die zichzelf koning waanden op hun eigen bezit. 

In Toulouse was de roomse bisschop Fulcrand oppermachtig, totdat het Katharisme zijn intrede zou doen.  

Fulcrand werd gehaat door het volk en al gauw kon hij zich niet meer zonder lijfwacht in de straten van Toulouse begeven. 

Hij beklaagde zich bij Paus Innocentius en deze kwam naar Frankrijk om zich van de precaire toestand op de hoogte te stellen. 

Hij vond de situatie schrijnender dan hij veronderstelde en kondigde het begin van de kruistocht tegen de ketterij af. 

Zijn beste handlanger werd de bisschop van Osma, die van stad tot stad trok om met de volmaakte Katharen te discussiëren, wat tot resultaat had dat hij zichzelf in de ogen van de toehoorders belachelijk maakte. 

Is er een betere grond voor haat dan de eigen belachelijkheid? 

Bisschop Osma werd een fanatiek en vooral meedogenloos vernietiger van de Katharen. 

Zijn gedrag tijdens de discussies werd zo gehoond dat hij uit Béziers moest vluchten en in Carcassonne beschermd moest worden; de conferentie in Montréal sloeg echter alle vorige bijeenkomsten, doordat hij een openlijke reclame werd voor het Katharisme. 

Zo kwam het tijdstip nader waarop er besloten werd een geordende actie tegen het Katharisme te beginnen, want woorden hielpen niet, bedreigingen evenmin, nu zou het zwaard gaan beslissen. 

Voor deze actie werd Simon de Montfort aangewezen, een oud strijder uit de Oriënt. 

Naast hem verkoos hij Pierre de Vaux-Cernay, een fanatieke roomse priester. 

Montfort was een Normandiër, erfgenaam van het graafschap van Leicester in Engeland. 

Zowel de koning van Frankrijk als de koning van Engeland droegen mede verantwoording voor de bloedbaden die de kruistochten veroorzaakten. 

Voordat Montfort zijn kruistocht begon waren de roomse abten en geestelijken die de graaf van Toulouse om een lijst van de ketters verzochten voor de poorten der stad weggehoond. 

Daarom vestigde Montfort zijn aandacht allereerst op Carcassonne. 

Carcassonne, trotse burcht van Roger Talhafer, een jonge man van nauwelijks 20 jaar. 

Hij was bezitter van Carcassonne en Béziers, twee steden die een belangrijke episode in de strijd der Katharen zouden spelen, en hoewel Roger tot aan dat ogenblik getuigenis gaf van een ondoordacht optreden, waardoor Béziers de inzet werd voor een bloedige machtsstrijd, waaraan slechts vrouwen en Joden ontsnapten, bewees hij later een trouw beschermer te zijn van het Katharisme. 

Zijn leeftijd is beslist mede de oorzaak geweest voor zijn ondoordachte handelen, dat hij later echter ruimschoots goed maakte. 

Een burggraaf van 20 jaar, omringd door intrigerende edelen, was een zwakke figuur in het politieke schaakspel; op de achtergrond hield de bisschop van Carcassonne belangrijke troeven in  handen, hij was de figuur die de touwtjes van het spel in handen hield en hij kon zowel Roger, als de koning van Aragon, Alphonse, ook een twintigjarige knaap, een halt toeroepen. 

Beide edelen stonden onder directe invloed van Bisschop Bernard, die dan ook de volle verantwoording voor de wandaden toekwam. Roger van Carcassonne trouwde met Aladaïs, een dochter van Ramon de Vde van Toulouse. 

Zo ontstond er een binding tussen deze twee Katharen-steden, die belangrijk zou worden voor de toekomst. 

Veertig jaren later, als zestigjarige burggraaf, schaarde Roger zich volledig aan de zijde van de Kathaarse bisschoppen die zijn kasteel in- en uitliepen en bood hij onderdak aan de Kathaarse vluchtelingen uit Toulouse en Foix.. 

In Montpellier vergaderden ondertussen de initiatiefnemers van de kruistochten.  

Ramon-Roger, zoon van Roger van Carcarsonne begaf zich te paard naar Montpellier om te trachten een vrede te bewerkstelligen, doch hij werd heengestuurd met de woorden dat slechts de overgave van Toulouse en Carcassonne deze vrede zou  kunnen bewerken. 

Ramon-Roger weigerde en keerde naar Béziers terug. 

"Maak u gereed voor de verdediging!" riep hij zijn burgers en edelen toe, "ik ga hulp halen!" 

Béziers was altijd tegen de roomse heerschappij gekant en had zich geheel overgegeven aan het Katharisme. 

De tegenstanders van het Katharisme werden buiten zijn poorten gezet, pauselijke legaten wenste het niet te ontvangen. 

Béziers was bereid onder te gaan met zijn geloof! 

Het zou zijn historie met bloedige letters in de annalen der geschiedenis vastleggen. 

Op het verzoek van de bisschop van Montpeyroux om de ketters in de handen van de kruisvaarders uit te leveren, antwoordden de consuls van Béziers: "Liever dan onze broeders uit te leveren of onze stad te verlaten, verdrinken wij in zee." 

(Béziers ligt aan de Middellandse Zee) 

Op 21 juli 1209 stond het kruisleger van tienduizenden soldaten voor de poorten van Béziers. 

Door een klein toeval konden zij de bezette poorten binnengaan en niemand ontsnapte aan de moordlust van de pauselijke soldaten; vrouwen, kinderen, grijsaards en geestelijken werden wreed vermoord. 

Op bevel van de legaten van de paus was er een bloedbad ontstaan dat geschiedenis maakte, evenals de woorden van één der baronnen onder de kruisvaarders: "Maar hoe moet ik de katholieken van de Katharen onderscheiden?" 

Doodt hen allen!", riep de abt van Citeaux, "God zal de zijnen er uitkiezen!" 

Het volk dacht zich te redden door de kerken als toevluchtsoord te kiezen, de priesters door zich in de ambtelijke gewaden te hullen, doch niets heeft hen kunnen redden, en zo werden in de basiliek van Madeleine 7000 mensen gedood; in de kerk van St. Nazaire kwam nog een groter aantal om. 

De priesters die de mis wilden lezen voor al deze doden werden doorstoken tijdens de lezing. 

Zelfs bij de Saracenen, zo meenden de toeschouwers, zagen zij niet zulk een slachtveld, waar geen hand meer bij machte was om de doodsklok te luiden voor de velen die stierven op bevel van de paus en de zijnen. 


Tegenwoordig zijn de herinneringen aan zulk een bewogen episode schaars, moderne bouwwerken verdringen burchten en kathedralen en kloosters, en de nederige huisjes der handwerkslieden waarbinnen zoveel gefilosofeerd werd en waar  vooral onder de wevers vele Katharen werden gevonden, zijn veelal ineengezakt.  

De straatjes waren smal, de huizen hadden een schemerig interieur en de tijd leende zich om een leer door te geven van mond tot mond; de handen werden vriendschappelijk op elkaars schouders gelegd, doch achter hun druk lag een diepere betekenis.  

De ketterij had niet slechts woorden nodig, maar vooral trouw, kameraadschap en de bezielende daad. 

Er zijn nog enkele plaatsen in Frankrijk die de herinnering aan de vervolgingen der ketters in hun straatnamen dragen, zoals men dit kan zien in de oude stad Carcassonne, dat door vele restauraties beschermd werd tegen het verval der eeuwen. 

Namen uit oude tijden vertellen de toeristen van een verleden, dat velen wellicht niet kennen. 

Met de historie van de ketterij wordt nu veel geld verdiend; Carcassonne, waar vele stenen verhalen kunnen over een tijd waarin de naam van Jezus Christus werd misbruikt voor het uitroeien van waarachtige christenen. 

Is er in de loop der tijden iets veranderd? 

De methoden veranderen, de decors wisselen, maar het brein des mensen blijft hetzelfde: maar al te dikwijls een haard van gif en haat, een bruisende kolk van onchristelijke emoties.  

Wanneer men over de verdedigingsmuur loopt en de gids de werking van de martelwerktuigen hoort uitleggen, wanneer men omlaag kijkt in de ondergrondse kerker, waar eens Ramon-Roger op de langzaam naderbij komende dood lag te wachten, en men uitziet over de wijdse omtrek rond Carcassonne, waar het Franse landschap koket zijn schoonheid tentoonspreidt, dan komen de beelden uit het verleden onbedwingbaar op de bezoeker aan.  

Roger en Adalaïs waren rijke grondbezitters, hun bezittingen reikten tot de Middellandse Zee en de Pyreneeën; hun zoon Ramon-Roger werd opgevoed door een Kathaarse leraar. 

De burcht van Carcassonne werd uitsluitend door Katharen bewoond en zo hoopten de kruisvaarders hier een rijke buit aan ketters te vinden. 

Vooral de abt van Citeaux, leider naast Simon de Montfort, verheugde zich op de buit. 

Hij staat in de historie bekend als een fanatiek verdelger, en men beschrijft hem dikwijls als een wellustig toeschouwer en uitvinder van de martelingen. 

Sadisme gaat vaak hand in hand met fanatisme. 

Ook hierin bracht de tijd geen verandering. 

Beschaving is maar al te dikwijls een uiterlijk vernis; religie, politiek en zelfs de kunst zijn in staat dat vernis te verwijderen, waardoor de ware aard van de betrokkene zichtbaar wordt.  

Bij de abt van Citeaux was dit duidelijk het geval.  

Hij ging de kruisvaarders voor, een kruis hoog in de hand geheven en aarzelde niet om dit teken der Opstanding te gebruiken voor de vernietiging der archaïsch gnostieke ideeën, die de Opstanding uit de dood van het ego leren.  

Zowel de abt van Citeaux, als de bisschop van Osma en Dominicus kwamen uit Spanje, waar zij het kloosterleven vaarwel zeiden, omdat een teruggetrokken leven hen niet aantrok. 

Allen waren zij uit op rijkdom, macht en aanzien. 

Zij verzorgden de magische zijde van de kruistochten en brachten keer op keer door hun gezang van het: "Veni Creator Spiritus" de soldaten onder hun magische ban. 

Om zulk een leger van diverse pluimage te overheersen is er meer nodig dan militair gezag, er is magie nodig, een verlammende magie. 

De drie uitgezochte monniken verstonden deze kunst uitstekend. 

Onder hun eentonige gezang trok het leger op naar Carcassonne, vijf dagen lang trok het door het land, terwijl de burgers zich achter de muren van hun haardsteden verscholen, want iedereen wist wat dit gezang betekende: bloed, brandstapels, martelingen, ontbering. 

Wanneer het Franse land ligt te blakeren onder de warme zomerzon vibreren de latijnse klanken na tegen de strakblauwe hemel; de uitkijkpost op de muren van Carcassonne meldde een naderende stofwolk in de verte, de burgerij van Carcassonne verstijfde van angst, het massacre van Béziers lag nog vers in het geheugen. 

De jonge Ramon-Roger was verbitterd; Béziers was uitgemoord, zou nu zijn stad Carcassonne volgen? 

Hij was bereid tot het bittere einde te vechten, terwille van de honderden Volmaakten die binnen zijn muren woonden. 

De abt Pierre de Vaux-Cernay, assistent van de pauselijke legaat en toeschouwer van de bloedbaden, schrijft over Ramon-Roger: "De prins van Carcassonne is jong en vriendelijk. Hij houdt van allen, zijn leenheren vrezen noch wantrouwen hem. 

Hij is 25 jaar en wees geworden." 

Zijn vrouw Agnes en de baby hadden een toevluchtsoord gevonden in het kasteel van Foix, en nu zag hij het leger naderen dat zijn stad wilde verwoesten. 

Carcassonne had niet voor niets de naam dat het onneembaar was. Belegerde Karel de Grote de stad niet 7 jaren tevergeefs? 

Zou zij zich nu moeten overgeven aan de pauselijke legaat? 

De eerste stormloop werd afgeslagen; in de vroege ochtend zag men de priesters tussen de soldaten doorlopen en hoorde hen het "Veni" zingen, waarop de soldaten zich in de rivier de Aude stortten en deze overtrokken. 

Op het ultimatum, dat twaalf ridders de stad mochten verlaten, maar dat de rest van de edelen en de bevolking zouden worden vermoord, weigerde Ramon-Roger in te gaan. 

De strijd ging voort onder de aanvurende kreten van de priesters, die zich de buit zagen ontgaan. 

Steeds opnieuw werden de vermoeide soldaten aangevuurd, totdat de watervoorziening de beslissing bracht.  

De watertoevoer naar de stad werd door de kruisvaarders afgesneden en de putten vielen droog. 

Een epidemie bedreigde Carcassonne. 

De handen der verdedigers werden zwak en onzeker door ziekte en dorst. 

De uiteindelijke val van Carcassonne kwam tot Ramon-Roger door de mond van zijn oom Beaudoin, erfgenaam van Toulouse, strijder voor Rome. 

Hij overreedde zijn neef een overeenkomst aan te gaan met de kruisvaarders. 

Na lang gepraat besloot Ramon-Roger op zijn voorstel in te gaan en vertrok met 100 ridders naar het legerkamp. 

Almaric, abt van Citeaux, wilde Ramon-Roger als gijzelaar vasthouden tot de val van Carcassonne, en legde dit voorstel aan zijn kruisvaarders voor. 

Deze stonden versteld van dit verraderlijke plan. 

Maar hetgeen hij voorstelde gebeurde en Ramon-Roger werd gevangen gezet in de tent van de graaf van Bourgogne. Deze list was de doodsteek voor de verdediging van Carcassonne. 

Alle verdedigers van Carcassonne, ridders en burgers vluchtten de volgende nacht de Zwarte Bergen in om daar de strijd voort te zetten. De volgende morgen kwam er geen antwoord op de sommatie van de Montfort om de poorten te openen. 

Carcassonne was een ledige en dode stad geworden, dat zijn lot zwijgend afwachtte.  

Ramon-Roger werd in de kerker van zijn eigen kasteel geworpen en ging een jarenlange lijdensweg tegemoet. 

Zo ontkwam Carcassonne aan het bloedbad van Béziers en werd zij in de komende tijd de trotse stad van Simon de Montfort, hem overgedragen door Almaric, de abt van Citeaux. 


De inname van Carcassonne ging als een mare door Frankrijk, boden snelden langs kronkelige paden om de boodschap verder te brengen, de mensen fluisterden het verbijsterd achter hun hand. 

Wanneer Carcassonne gevallen was, welke burcht zou dan stand kunnen houden tegen Rome? 

In het land van Olmes lagen drie kastelen: Lavelanet, Pérelha en Rocafixade. 

De Heer van Pérelha beheerde tevens de burcht Montségur, die aan zijn voet bewaakt werd door de drie genoemde kastelen. 

Momenteel is er slechts van Rocafixade nog een ruïne over, vanwaar men kan uitzien naar Montségur. 

Ramon de Pérelha was geschokt door de gevangenname van zijn vriend Ramon-Roger van Carcassonne. 

Zij waren gezamenlijk door dezelfde Kathaar grootgebracht en met hen Roger-Bernard van Foix. 

De val van Carcassonne deed de Kathaarse bisschop Gauceli het verzoek tot Ramon de Pérelha richten om Montségur te herbouwen als Kathaarse vesting.  

En zo geschiedde. 

Het  kruisleger trok van dorp tot dorp, overal een spoor van vuur, rook en vernietiging achterlatende. 

Het werd de hoogste tijd dat Montségur in gereedheid zou worden gebracht  

Daar Simon de Montfort enkele nederlagen geleden had bij de sterke kastelen, zoals Quéribus, dat na de val van Montségur nog als toevluchtsoord gold, besloot hij enkele kleine plaatsjes in te nemen. 

Er zijn er méér vernietigd dan de huidige overblijfselen zouden vermoeden. 

Men heeft de herinneringen uitgewist, of schone kathedralen als blikvangers op de oude ketterse brandpunten geplaatst. 

Niettemin vindt de onderzoeker altijd nog wel iets. 

Quéribus, de onneembare vesting op de rotspiek, domineert nog heden zijn omgeving en in zijn "gotische zaal" is het alsof de laatsten der Katharen daar nog rondwaren. 

Peyrepertuse flankeerde Quéribus van verre, triest zijn de afbrokkelende ruïnen van dit eens zo enorme kasteel, dat zovele doortrekkende Katharen binnen zijn muren mocht herbergen. 

Troostelozer nog is het echter in de kleine plaatsen, waar heroïeke daden werden verricht door vrouwen en mannen die hun God niet wilden verraden. 

Zowel de moed als de lafheid weven het gewaad der historie en het fanatisme en de zachtmoedigheid verbergen er hun edelstenen in, de eerste schijnen schoon, maar veroorzaken ellende en dood, de tweede glanzen bescheiden, maar schenken de drager innerlijke vreugde. 


Hugo van Alfar, verdediger van de burcht van Penne, had alom de wreedheden van de Montfort gezien en gelastte de burgerij te vertrekken toen de mare van de aanval van Montfort hem bereikte. 

Daarna stak hij de burcht in brand en trok zich terug in de vesting, waar hij de aanvallers opwachtte.  

Drie maanden ging de strijd duren.  

Toen riep Simon de Montfort zijn broer Guy te hulp, die zich reeds op de bestorming van de Montségur voorbereidde. 

Van alle zijden riep Simon zijn legers tezamen om het kleine Penne te vernietigen. 

Hugo van Alfar zag zijn ridders strijden met de moed der wanhoop. 

Dan stelde hij de Montfort voor Penne aan hem uit te leveren, zo de strijdende ridders vrijuit zouden mogen gaan. 

Montfort gaf zijn toestemming. 

Zo trokken de ridders onder de bezielende leiding van Hugo van Alfar uit Penne weg en kozen de richting van Montségur, waar de geestelijke activiteit van het Katharisme zich had geconcentreerd. 

Penne is tot op de dag van vandaag een citadel, echter een citadel van Rome. 

Men heeft een kruisweg op de oude heuvel van de burcht gemaakt, en daar waar het Katharisme eens voor zijn leven streed, daar bidden nu hun vervolgers en de vele onwetenden, die zich waarschijnlijk verbazen over de combinatie van ruïne en de maagd Maria. 


Er zijn nog vele plaatsnamen aan de rij van kathaarse bolwerken toe te voegen: Lavaur, geleid door zijn burchtvrouwe Géralda, zag onnoemelijk veel leed; Hauterives, Cordes en Foix, waarnaast zich de kruisberg bevindt waar honderden Katharen naar beneden geworpen werden; Latour, Minerve waar nog een Place des Martyrs bestaat; Saverdun, Pamiers, Prouille waar eens een Kathaars nonnenverblijf stond en waar nu een protserig klooster opgericht is, op dezelfde plek. 

Daar is Saissac, het vriendelijke plaatsje, waar Bertrand de Saissac de geneeskunst naast zijn geestelijke taak uitoefende. 

Al deze edelen zijn vermoord, of op de Montségur verbrand, dan wel voor hun stadspoorten opgehangen of neergestoken op de muren van hun trotse burchten. Mirepoix, eens een machtig kasteel onder leiding van de Kathaarse Heer van Mirepoix, eert zijn geschiedenis door een kruissteen uit de oude gewelven. 

Het Croix des Cathares noemen heden de bewoners dit nog. 

Het Kruis der Katharen is hier enigszins een Malthezer kruis; de Katharen bedienden zich van diverse kruissymbolen, slechts nooit van het latijnse kruis. 

Het kruisteken zagen zij als een symbool van kosmische eenheid, het kwam tot hen vanuit de verre oudheid en het speelde verschillende rollen in hun leringen. 

Het vierkante kruis is een symbool van harmonie, het vierarmige kruis is een teken van inwijding. 


De burcht van Termes is eveneens een belangrijk Kathaars bolwerk geweest. De Heren van Termes waren ridders, maar één van hen was een volmaakte Kathaar geworden en vond op deze burcht bescherming van zijn broeders. 

Het kruis aan de oude ingang van Termes stond er voor enkele jaren nog als een eerbewijs aan het Kathaarse verleden. 

Het stadje Minerve, een lijdensweg die alle beschrijving tart, enkele herinneringen getuigen van haar heldendom; een sfeer van beklemming grijpt de bezoeker aan als hij de plaats betreedt waar eens de brandstapel werd opgericht: de Place des Martyrs. 

Het is onmogelijk al deze plaatsjes aan het oog voorbij te laten trekken, maar zij laten hun herinnering achter in de harten van hen, die Simon de Montfort op zijn kruistocht volgen; ook heden, zodra men hen ziet liggen, blakerende in de helle Franse zon, omringd door hun muren, geflankeerd door hun ruïnen, is het verleden niet geheel verdwenen, integendeel, het leeft voort in het bloed en de harten van hen die een vage herinnering bezitten. 

Deze mensen worden onweerstaanbaar tot hen aangetrokken, niettegenstaande het lijden de herinneringen vergezelt. 


Zo bestaat er in Albi, de Rozentuin, een eenvoudige, maar wonderlijke tuin, gelegen aan de Tarn. 

Eens stond naast deze tuin een burcht, nu een museum. En een monstrueuze kathedraal verdringt elke herinnering aan haar. 

Albi werd bekend om zijn Albigenzen, een andere naam voor Katharen, want Albi was leidinggevend. 

De roomse bisschop van Albi werd door de Heer van Albi in de gevangenis gezet en zo heerste een Kathaarse bisschop over de stad. 

In deze tuin werden de Kathaarse bijeenkomsten belegd, men vergaderde er 's nachts, men voerde er lange gesprekken, men belegde bijeenkomsten in het gehele land. 

De tuin van Albi vormt de enige herinnering; de Tarn glijdt langs haar oude muren en fluistert nog steeds hetzelfde lied, niemand die haar geheimen kan ontfutselen, maar er was een dag waarop haar stromen rood waren van bloed, bloed van hen, die streden voor het behoud van een aloude, gnostieke idee, een gedachte die heden geen verbijstering meer verwekt, maar waartegen tot op de dag van vandaag de "mannen in het zwart" zoals Jacques Bergier hen wenst te noemen, strijden. 

Albi, tuin vol rozen! 

Iedere roos biedt haar geur aan een volmaakte Kathaar aan, en liefdevolle handen verzorgen de herinneringen, want ook in Frankrijk zijn er velen die zich het Kathaarse verleden herinneren; daarom waart er tevens de angst rond, angst en een onuitwisbare herinnering aan een geest die de dood overwon. 

Op de Montségur, het statige en trotse bolwerk der Kathaarse Volmaakten maakten zich velen gereed om Guy en Simon de Montfort een slag toe te brengen.  

Want ook Montségur gold als onneembaar, haar naam was niet voor niets Mont Securus, Berg der Zekerheid. 


Montségur, berg der zekerheid, het is geen kasteel, maar een belevenis. 

Een ervaring die men in zijn leven geproefd moet hebben. 

Een burcht die in de geschiedenis reeds naam gemaakt had als Zonnetempel, hoog verheven op een bergtop, uitziende naar de Pic St. Bartholomy, één der hoogste bergen van Frankrijk, waarover de beruchte vluchtweg gaat, die de Katharen genomen hebben toen zij hun "schat" in veiligheid brachten in de grotten van de Sabarthez. 

Daarom speelden de grotten van de Sabarthez ook na de val van Montségur een belangrijke rol in de Kathaarse geschiedenis, echter slechts tijdelijk. 

Ook hier werden alle Katharen, die zich als een grotgemeenschap rond de grot van Lombrives geschaard hadden, vermoord, ingemetseld in hun zo geliefde grot, de hongerdood stervend, hand in hand, een kring vormende op de natte vloer van Lombrives. 

Zo althans troffen de overwinnaars later hun lijken aan, veel later ontdekte men dat er een geheime uitgang uit de grot bestond. 

Door deze uitgang zijn sommigen naar Italië gevlucht, o.a. naar Sirmione.  

Montségur ligt op 1207 meter hoogte en werd door verschillende restauraties gedeeltelijk intact gehouden. 

Het wordt omgeven door de schone, soms ongenaakbaar aandoende bergen van de Pyreneeën. 

's Winters ligt er op de omliggende toppen sneeuw en een ijzige wind componeert zijn lied door middel van de spleten in de ruïneuze muren. 

Het is een burcht die het onderwerp vormt voor de vreemdste verhalen en sagen, hij is het pelgrimsoord voor diverse gelovigen en een boeteplaats voor hen, die zich aan het bloedige verleden schuldig gevoelen.  

Verder zoeken bij tijd en wijle schatzoekers naar de "verloren" schat der Katharen, doch niemand heeft deze ooit gevonden. 

Er doen allerlei gissingen over deze schat de ronde en men kan erover peinzen, terwijl de smalle, grillige weg omhoog langzaam wordt beklommen.  

Eens gingen de paarden langs deze weg en stonden er overal cabanes, hutten, op de flanken van de fiere berg, hutten waarin de Katharen woonden. 

In het verre verleden behoorden deze bergen tot de beroemde heiligdommen der Druïden, die hun leringen predikten aan de enkele magnetische waterbronnen die de berg kent, of in de spelonken overschaduwd door eikeloof. 

Mont Securus werd gebouwd door de Romeinen en viel afwisselend in de handen van de Gothen, de Franken en de Arabieren; daarna werd de burcht opnieuw veroverd door Karel de Grote, en tenslotte werd hij in het jaar 1230 het eigendom van Esclarmonde van Foix, burggravin van Gimoez. 

Deze heilige bergen werden in de vijfde eeuw door de Priscillianen opgedragen aan Bartholomeus en zij zijn altijd een plaats van verering en heiligheid gebleven. 

Heer van Montségur was Ramon de Pérelha, toegewijde vazal van de graaf van Foix, onder zijn energieke leiding groeide de burcht uit tot een waarlijke veste. 

Aan zijn voet lagen Rocafixade, Lavelanet en Pérelha, drie bewakers die de kruisvaarders zouden moeten tegenhouden. 

Vele Katharen, volmaakten, toegewijden, gelovigen en ridders vonden een toevlucht op de Montségur. 

Allereerst kwamen zij in Lavelanet, dat in de historie een druïdisch heiligdom was geweest, het kleine altaar; en tenslotte volgde men de loop van de Ers verder en kwam men in Montségur zelf, het grote altaar. 

Het kleine altaar draagt geen herinneringen meer, maar op Montségur wordt het boek der herinneringen vrijwel dagelijks doorgebladerd. 

De burchtweg tot Montségur slingert zich hoog over de berg, de wandelaar adembenemende uitzichten biedend. 

Zou Ramon de Pérelha, op die gedenkwaardige dag, toen hij aan het hoofd van vele Kathaarse vluchtelingen dit pad nam als laatste uitkomst, zich om het uitzicht bekommerd hebben? 

De spanning zal tastbaar rond de berg hebben gehangen, daar waar velen zich toebereidden op het sterven of overwinnen. 

En allen wisten wat dit sterven zou gaan betekenen. 

Er wordt verteld dat de Katharen zich zodanig uit hun lichaam konden vrijmaken dat zij angst en pijn niet voelden, maar men zegt dat de reïncarnaties van de Katharen een onbeschrijfelijke angst op de 16de maart ondergaan; de dag voorafgaande aan de verbranding van de Katharen van Montségur. 

Wie zal kunnen oordelen over de gevoelens van een ter dood veroordeelde? 

Wie zal weten hoe het leven in zulk een mens zich als een tastbare bal tezamen bundelt in het hoofd, in de ingewanden, in het hart? 

Wie van alle overlevenden, en van de heden ten dage levende mensen, heeft het recht om te oordelen, te beoordelen en zich te buiten te gaan aan veronderstellingen? 

Angst vergezelt ieder wezen dat op tegennatuurlijke wijze sterft; daar tegenover staat de kracht van de overgave aan het geloof, aan de geest, en het zich daarin zodanig inleven dat het heden wordt vergeten, wordt teruggedrongen in het onderbewustzijn en de glorie van de offerande voor zijn God spreidt zijn vleugels over de zwarte vlerken des doods.  

Niettemin verschuilt deze dood zich in alle schuilhoeken der rotsen, wanneer Ramon de Pérelha zijn groep voorafgaat, langzaam, langzaam, want onder hen waren grijsaards, vrouwen, kinderen en gewonden. 

Hun blik richtte zich op de onverzettelijke muren van de burcht waarop de uitkijkposten op hun hoede waren en hoop zal er in hun ogen zijn te lezen, hoop en afwachting, moed en vastbeslotenheid, maar nog geen vrees. 

Deze mensen werden niet slechts bevochten om hun verwerping van de roomse sacramenten, om hun revolte tegen de moeder-kerk, neen, hetgeen de kerk hen voornamelijk ten laste legde was hun "individuele zelfstandigheid". 

Zij waren schijnbaar "zonder leiding", zo schreef een Dominicaan in 1600, "en toch vonden zij elkander." Dat is het grote gevaar voor een religie die het dogma en de autoritaire macht als zweep gebruikt. 

Individuele vrijheid die beheerst wordt door het gerichtzijn op hetzelfde doel, het tezamen daarvoor vechten, sterven en prediken. 

Zonder dat er schijnbaar een autoritaire macht aan het hoofd staat.  

Dit is autonome vrijheid, gebaseerd op innerlijke adeldom. 

Paus Innocentius begreep, dat indien hij deze ketterij niet massaal uitroeide, de wereld binnen enkele jaren het Katharendom inplaats van de roomse hiërarchie aanvaard zou hebben. 

Zo citeert het de volgeling van Dominicus, de bezeten intelligente roomse vervolger, die stierf met de woorden: "Zwaard, zwaard, verlaat uw schede", op de lippen. 

Het Katharisme moest ten koste van alles worden uitgeroeid, en in dezelfde slachtpartij werden Waldo en zijn Waldenzen omgebracht, want dat ging in één moeite door, zo schrijft de dominicaan openhartig. 

De Volmaakten in de groep van Pérelha wisten wat hen wachtte, wanneer het einde zou komen, en er zijn volgelingen geweest die zulk een uitzicht niet konden verdragen.  

Daarom sloegen zij de hand aan zichzelf en de historici meenden dat dit het "endura", de "overgave" der Katharen was.  

Niets is minder waar! 

Een ingewijde Kathaar, een Volmaakte, kon nooit meer terugkeren tot de staat van gelovige; hetgeen hij beloofd had zou hij moeten voltrekken en zo kon het gebeuren dat temidden van deze wrede vervolgingen een mens zijn zwakte onderkende en liever stierf dan verrader te worden. 

Alle berichten die tot ons gekomen zijn, werden opgetekend door de inquisiteurs en zijn vaak gekomen uit de mond van zwakke lieden, van verraders of van schijnbare Katharen. 

Want de Volmaakte Kathaar zweeg liever dan dat hij één detail van zijn leer en zijn leven verraden zou. 

Men stelde hen veelal op de proef door hun een dier te geven om te doden, weigerden zij, dan werden zij als "ketter" gebrandmerkt en de vuurdood was hun lot. 

De Volmaakte Kathaar doodde niet. 

Faalde een Kathaar op de weg van zijn Volmaaktheid dan nam hij uiterlijk afscheid van zijn geloof, omdat hij zich verder als onwaardig beschouwde en bracht zijn leven verder door in afzondering. 

Daarom was de proeftijd van degene die zich tot Volmaakte geroepen voelde, lang en zwaar. 

Gedurende 15 jaren moest hij bewijzen zich aan de regels van een Volmaakte te kunnen houden. 

In de Sabarthez vonden de inwijdingen plaats in de grot van Bethlehem, nadat een Kathaar zijn beproevingen had doorstaan. 

Bethlehem is nog het meest schone en indrukwekkendste overblijfsel tussen de Kathaarse grotten der Pyreneeën, niettegenstaande haar bescheidenheid. 


Ramon de Pérelha had vernomen dat nu Montségur zou worden belegerd en zo verzamelde hij de zich schuilhoudende Katharen  en de ridders, de moedige Kathaarse bisschoppen en de trouwe edelen, en beklom de weg naar de laatste vesting: Montségur. 

De heren van Dun, van Fanjeau, van Foix, van Lavelanet en van vele andere burchten vergezelden hem, alsmede zijn familieleden. 

Laten wij met hen de poort van Montségur doorgaan en wachten op hetgeen komen gaat en vernemen hetgeen voorbijgegaan is in dat bloedige jaar 1243, waarin de belegering begon. 

Na maanden van belegering hield men rond Kerstmis 1243 rekening met de val van Montségur; de binnenplaats lag vol gewonden; de Volmaakten gingen rond om hen te troosten en te verzorgen. 

De oude bisschop Bertrand Martin ging onvermoeid van mens tot mens, zijn geestelijke kracht tot hen uitstralende, zodat de vrees en de pijn zouden wijken. 

Steeds opnieuw sprak hij vol liefde: "Moge God u tot een Goed Einde geleiden", het bekende woord der Katharen, een opperste zegening. 

Want dit Goede Einde is niet de pijnloze dood, de hemel waar men vreugde en licht zou willen ontmoeten, neen, dit Goede Einde is die opgang van de ziel in het oorspronkelijke gebied der zielen, vanwaar zij eenmaal neergedaald is in de Chaos, en een prooi werd van de strijd tussen licht en duister. 

Niet alle Katharen geloofden in een dualistische God, d.w.z. in een eeuwig bestaande tweeledige Godheid van goed en kwaad, daarnaast waren er anderen die spraken over de ene God van Liefde, waarin het kwade ondergaat, wegsmelt onder de gloed van de liefde. 

De Kathaarse leer is in brokstukken tot ons gekomen en zij werd niet door de inquisiteurs begrepen. 

Daarom gist men tot aan vandaag nog naar de essentie van hun predikingen.   

Maar hun leven getuigde voor hen. 

Een leven van eenvoud, oprechtheid en zachtmoedige wijsheid. 

In deze laatste dagen van de Montségur heerste er geenszins verslagenheid tussen de witstenen muren, hoewel de pittige geur van kruiden zich vermengde met de weeë geur van bloed, heerste er bedrijvigheid. 

De schat der Katharen werd veilig gesteld, weggebracht over de Pic van de Bartholomy en niemand weet waaruit deze schat bestaat. 

Boeken? Aardse rijkdommen? Ritualen? 

Men gist slechts. 

Doch ook de Katharen kenden de zielegelofte om het "geheim der geheimen" niet aan profanen over te dragen. 

Alle vervolgden verborgen hun "schatten" en na hen werden zij wedergevonden door andere generaties, die zochten naar het verborgen geheimenis, maar hetgeen versluierd wordt door de geest blijft verborgen en zo kent de moderne mensheid vele boeken die nooit ontsluierd zullen worden, indien zij niet reeds vernietigd werden.  

De rots van Montségur heeft reeds zovele gevechten gezien, zijn vorm bleef onaangetast, verschroeid werd zijn begroeiing, neergehaald werden zijn muren, maar de rots van Montségur  bleef daar staan als een eeuwige getuige; op zijn top draagt hij de ruïnen van het heiligdom Montségur en ziet hij de bezoekers komen en gaan, ziet hun emoties, hun veronderstellingen, hun nauw verholen spot. 

Het jaar 1243 ging moeizaam voorbij voor de bewoners van Montségur en het jaar 1244 brak aan, het jaar dat nimmer uit de annalen gewist kan worden, want het bloed van 200 Katharen schreef het neer op de bladzijde die nimmer vergaat. 

Een herder pleegde het verraad van zijn leven door de belegeraars te vertellen waar de zwakste plek van Montségur zich bevond. 

's Nachts sloeg men toe, onverwacht. 

Onderhandelingen volgden, en vele verdedigende ridders gingen vrijuit, waaronder Ramon de Pérelha, Pierre-Roger de Mirepoix en vele anderen. 

Geen Kathaar vertrok. 

Enkele verdedigers bleven achter bij vrouw en kinderen, die niet wilden vluchten, omdat zij zich Katharen gevoelden.  

Kijk rond op deze binnenplaats. 

Dit is geen toeristische bezienswaardigheid, dit is Montségur, de berg der ketters en iedere ketter zal hem eren. 

Er bestaan heden geen ketters meer, zult u zeggen. 

Vergist u zich niet! 

Brandstapels zijn uit de tijd, maar er zijn nog vele andere kwellingen te bedenken voor hen die zich niet in het keurslijf van de grote machten willen laten opsluiten. 

Het individu dat in vrijheid de smalle, principiële Kathaarse weg bewandelt, is nog steeds een éénling, een vervolgde die met de vinger wordt nagewezen, of wordt bespot, of die men op allerlei manieren tracht weg te werken. 

Er zijn zoveel middelen die het licht niet verdragen kunnen, maar die bedekt worden door schijnheiligheid, zoals in vroeger dagen de geestelijken het "Veni Creator Spiritus" zongen om het geknetter der vlammen en hun slechte geweten te overstemmen. 

De Dag der Crémats nadert op Montségur. 

De brandstapels werden opgebouwd aan de voet van de burcht, daar waar de zon de schitterende kleuren van het Franse landschap streelt. 

Doch op die dag kon ook de natuur niet pronken met haar schoonheid, de stilte van de gespannen afwachting heerste. 

Het ochtendgloren vond de groep Katharen op de binnenplaats, staande, hun handen op de rug gebonden, vrouwen en kinderen, volmaakten, ridders; in sommige ogen heerste angst, maar nog is de oude, bisschop Bertrand daar. 

Hij nam de angst van hen. 

Dan daalden zij onder de bewaking van de fanatieke monniken het slingerende pad af tot aan de groene velden, zij zongen, ook de monniken zongen "Veni Creator Spiritus", de klanken werden tot heel ver voortgedragen en de Pyreneeën schreiden. 

De burgers van de Pyreneeën vernamen de zang en zij baden, een gebed zonder woorden, want de verrader stond naast hen. 

Toen de eerste Kathaar de brandstapel beklom zwol het Katharenlied aan, sterker, steeds sterker werden de klanken, zij weefden zichzelf in een kleed van klanken, lichtende woorden die eenmaal door de velden weerklonken, wanneer de herders-jongens elkander toespeelden, het "Veni Creator Spiritus" was niet meer te vernemen, zelfs de soldaten zwegen. 

Zij waren met 200, misschien met meer, God weet het. 

Zij groepten tezamen, schouder aan schouder, op de vuurberg die hen doodde en zij vonden God levend in hun harten. 

Moge het Goede Einde hun deel geworden zijn! 

Hetgeen voorbijgegaan is komt weder, omdat het leeft in de harten van hen die nooit vergeten kunnen. 

De Diepe Vrede van Bethlehem sluite zich toe over allen die lijden omwille van hun God! 

Diepe Vrede, Montségur, wij groeten u met eerbied!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene