92 - Goud en antimonium

Vanuit het rijk van de zeven metalen zouden we moeten doorsteken naar het land van de geestelijke trillingen. 

Goud vertegenwoordigt de zon als top van het materiële rijk.  Ge zon is - als licht- en energie-bron voor de aarde, het eerste aanrakingspunt voor de geestelijke trillingen.  

Dit is een opvatting die zo oud is als de wereld en die wij dan ook in diverse oude boeken, zoals het geschrift van Henoch, tegenkomen.  Het spirituele goud, de geestelijke zon die in het individu als een concentratie van hart- en hoofdkracht zijn ziele-gaven benut, is de directe verbintenis met de geestelijke wereld. 

Er is echter een overgangsfase tussen het goud en de geest, zoals wij ook kunnen spreken van de doorgang, de poort van Saturnus. 

Deze saturnale poort, waaraan Christiaan Rozenkruis moest waken, staat in binding met het antimonium; een zilverwit metaal met een sterke glans en van kristallijnen structuur.  

Antimonium is het geheime medicijn van Paracelsus en het neemt in de Alchemie een eerste plaats in. 

Dit achtste metaal wordt aangewend om de zes metalen: lood, ijzer, kwik, koper, zilver en tin uit hun magnum mater te voorschijn te halen. 

Antimonium, zo zegt men, is een overgang tussen de metalen en de niet-metalen; hoewel het dichter bij de metalen staat. 

Men noemt het in de alchemie, de filosofische Saturnus, en het staat zowel met Saturnus als met de zon in verbinding. Het is het enige metaal dat uit zilvererts het goud kan vrijmaken. Deze eigenschappen zal de spirituele mens te denken geven. 

Het goud stond dicht bij ons, wij kennen het, wij weten wat we ermee kunnen doen, maar het antimonium is slechts gedeeltelijk bekend. 

In de handel wordt slechts het stervormige antimonium-kristal als zuiver antimonium erkent, terwijl de alchemist meent dat slechts de spirituele mens, met behulp van God, het antimonium als medicijn kan aanwenden. 

Bezit men deze kennis eenmaal dan stijgt zijn medische werking boven alle andere medicijnen uit en heeft men geen enkele meer van node. 

Antimonium is als de wachter aan de poort, die binding zoekt met alle metalen in de mens, en tenslotte het goud, de ziel, afscheidt uit het land van de maan of de ondergeschikte reflecterende materie. 

In waarheid zal de toebereide spirituele kandidaat altijd wachten totdat het antimonium hem verbindt met de geest. 

In het antimonium bevindt zich eveneens het kwikzilver, dat in staat is het goud te onderwerpen. De eigenschappen van dit antimonium zijn spiritueel en zij krijgen verbinding met de materie, via het goud. 

Niemand - op zeer enkelen na - is in staat het hoogste goud uit zichzelf te sublimeren, en daarom kent de mens de werking van het antimonium niet. Zou hij dit schoonste goud bezitten dan was hij terzelfder tijd in het bezit gekomen van het medicijn: antimonium. 

Men moet uit dit antimonium het gif trachten af te scheiden, maar ook dat is onmogelijk zonder dat de mens het karakter van het antimonium kent. Zodra hij antimonium wil leren kennen gaat hij zich begeven tussen het zichtbare gebied en het onzichtbare gebied. Antimonium bezit grotendeels de eigenschappen van tin, materieel aangewend in verband met de metalen verhardt het hen, zoals de egocentrische Saturnus de mens kan verharden.  

Het is zijn taak om de metalen uit hun magnum mater op te heffen, en uit de diepte van de aarde omhoog te heffen.  Materieel wordt het hiertoe reeds gebruikt, spiritueel is dit onmogelijk, gezien het geen toegang vindt tot de innerlijke metalen in de mens. 

Ook het antimonium, evenals het goud, wordt slechts eenzijdig benut en daarom keert het tot zijn tegendeel en verhardt, inplaats van de mens door de poort te voeren. 

Zou er een edel spiritueel goud-metaal in deze mens gevonden worden, dan zijn alle metalen direct gereed om uit het donkere aarde-lichaam omhoog geheven te worden. 

Het antimonium is dus in werkelijkheid nog onontdekt, zoals men nog niet begrijpt hoe Paracelsus zijn heelkracht aanwendde. 

In de oude Chinese geneeskunst was Antimonium eveneens bekend, en de Chaldeeën gebruikten het als medicijn, zowel als voor het vervaardigen van vazen. 

Daar waar antimonium wordt aangewend is er sprake van een verbintenis met het onzichtbare gebied. 

Tin ordent de mens, het voegt hem bij het gebied waarin hij thuishoor, antimonium zoekt de mensen die in het spirituele gebied thuishoren.  

In deze vermaterialiseerde wereld is er geen plaats voor het edele goud - dus helemaal niet voor de werking van het antimonium. 

In de verre oudheid kende men het, omdat men dichter bij de edele werkingen van het goud stond. Nu kent men het het beste als legering, vermengt met een ander metaal, om hardheid te verkrijgen. Maar het wordt altijd gebruikt om iets over te brengen, in het lettermaterieel, bij de vuurwerkmakerij, bij de verfstoffen. 

Antimonium is een overdrachts-metaal, hoewel men zijn bedoeling niet verstaat, zodat het zich vermengen moet met mindere metaalsoorten. 

Als het universele medicijn bevat het de trillingen uit het rijk buiten de zevenheid, en het kan de ziel, het goud, bereiken, om haar te genezen. 

Het onderwerpt de hoogmoedigheid van het klatergoud, het is een onaards gif, evenals een onaards medicijn. 

Het is gelijk Saturnus, tweevoudig, of de "terra nigra", of de Saturnus philosophorum. 

En zijn uitwerking is afhankelijk van het goudgehalte van de mens. Het scheidt het goud van het zilver. Goud dat in de greep ligt van het zilver is nog niet autonoom, maar behoort tot de disharmonie die ondergeschikt is aan de verbeelding. 

Goud, dat gebed ligt in zilvererts, is afhankelijk van de verbeelding, die het zilvererts of het maan-metaal doorgeeft. 

Maar het goud dat door het antimonium afgescheiden wordt is autonoom, een individuum geworden. Zulk goud kan de poort doorgaan, een dergelijk individuum bezit een vernieuwd denken, dat direct in binding staat met het rijk achter de poort. 

Dit denken kent de eerste-hands kennis, het heeft geen behoefte aan medewerkers, in dit gebied, het arbeidt slechts samen met antimonium, als de poortwachter. 

Het individuum of het goud wordt dus werkelijk eenzaam, verheven op een enorme hoogte, zodat zelfs het maanmetaal, het zilver, zich aan hem onderwerpt. 

Deze beeldspraak kunnen wij doortrekken tot het zo populaire gezegde: "spreken is zilver, maar zwijgen is goud." Twee edele metalen, twee vormen van uitdrukken. Het zilver geeft weer - onbewust en direct - hetgeen het waarneemt, zoals een spreker kan doen. Veel woorden worden onbewust gesproken, impulsief reflecterend hetgeen in het denken omgaat; of hetgeen in het hart omgaat. 

Goud hult zich in het zwijgen van de adeldom, men kan hautain zwijgen, maar eveneens zwijgen door een innerlijke adel. Er zijn vele soorten van zwijgen. 

Er is het ledige zwijgen, omdat er een leegte verborgen moet worden, de klatergouden werking is het intelligente zwijgen, omdat men het innerlijke goud niet wil degraderen. 

De edele spraak, als het edele zilver, is altijd een tweede rangs gave, want het berust op de zwijgende, verborgen bron van het ziele-goud. Goud en zilver, zoals men hen ook in de aarde vindt, gaan dus vaak samen. Er is een wisselwerking tussen zwijgen, goud, en zilver, spreken, en de afscheiding tussen beide maakt het antimonium. 

De wijze, edele, verheven mens wordt aan het spreken, aan het "babbelen" onttrokken. Hij kan dit slechts wanneer het antimonium actief in hem is. 

Dit is een handeling vanuit de achtvoudigheid. 

De inspiratie, spiritueel gesproken, om te kunnen zwijgen en spreken op het juiste moment, is een impuls vanuit het gebied àchter de Poort. 

Deze mensen zijn zeldzaam. Er verbergen zich velen achter geleuter en gepraat, maar even zovelen verbergen zich achter de stilte van het hautaine en ledige zwijgen.  

De geheimen van de zeven metalen kennen we pas volkomen wanneer wij, als individu, gehoor geven aan de edele karakteristiek van deze metalen. Wij behelpen ons in deze wereld met het woord, als doorvoerkanaal, het woord is één van de hoogste en duidelijke uitbeelding, het woord is een maan-uitdrukking. 

Men kent in onze imitatie-religieuze maatschappij "meesters van het woord", in alle opzichten imitators, doorgevers van beeltenissen. 

Er is een manier om, zonder het woord, tot een doorgave te komen, ook niet met behulp van wilsoverdracht, maar eerder door geleiding van het individuele antimonium, dat ook wel eens, de geremde Mercurius of zoals de alchemisten zeggen "onze" Mercurius genoemd wordt. 

Het antimonium legt Mercurius, als boodschapper aan banden, concentreert hem in één gebied, zonder die kwikzilverachtige heen- en weerbeweging van het Boven naar Beneden. 

Als Mercurius zich slechts in éénzelfde trillingsgebied behoeft te bewegen, omdat het individuum zich opgetrokken heeft in de hoogste sfeer, is hij samenwerkende met antimonium. 

Waaruit blijkt dat in het denken, gevoed door àlle metalen en stralende met een edele goudglans een hoge geestelijke gave èn een universeel medicijn besloten ligt. 

Het denken is een middelpunt van vele activiteiten, helend, heiligend, ziekmakend, verderfelijk. De imitatie-religies weten dit heel goed en werken in veel gevallen met de denk-kracht. 

Hun denken onderwerpende aan de maan-stralingen en zo beeltenissen doorgevende aan afhankelijke aanbidders. 

Zodra men het denken gevangen geeft, aan wie dan ook, wordt men een slaaf, want het is dan minstens zo ontvankelijk als het hart. 

Het denken is dikwijls gemakkelijk gevangen te geven wanneer het hart zwak is, het hart maakt het denken plooibaar, een ontoegankelijk hart maakt het denken gesloten. 

Het besloten worden binnen een cirkelgang van geïnjecteerde gedachten maakt de mens het slachtoffer van willekeurig welke inspiratie-bron. Is de mens onafhankelijk dan kan hij slachtoffer worden van zijn eigen hart, zijn verborgen emoties injecteren zijn denken en hij wordt de gevangene van zichzelf. 

Het antimonium is het enige metaal dat deze ommuring kan doorbreken, en dat betekent dat de trilling vanuit het Hoogste Gebied het enige medicijn is dat het denken kan onttrekken aan de inbeelding van het zieke hart. 

Een ziek, emotioneel gestoord hart of gemoed vergiftigt het denken, de onvolledige ziel wordt verziekt door een verkeerde metaal-legering. 

In de astrologie wordt er van uitgegaan dat het zilver een symbool is van de ziel, en het goud een symbool van de geest. Geest en ziel liggen tezamen gebed in hun magnum mater, maar de zilveren ziel is nog niet de autonome ziel, slechts de doorgevende, de ontvankelijke ziel. 

De symbolische weergaven wisselen van tijd tot tijd, hoewel de overeenkomsten altijd kloppen. 

In de astrologie kent men als hoogst bereikbare: het goud. 

In de alchemie kent men slechts het samengaan van zilver en goud; als hart en hoofd of als ziel en geest, waarna het universele medicijn: antimonium zijn zelfstandige werk kan doen. 

Goud is het hoogst bereikbare binnen de poort der zevenheid, goud is de schoonste uitdrukking; antimonium is kleurloos, een doorzichtig wit, kristalwit. 

Het streven naar het goud, materieel, spiritueel, bewijst altijd dat men vecht voor een top BINNEN de zevenvoudigheid.  

Het niet-zijn is kleurloos, hoewel glinsterend als kristal, rein, doorzichtig - en dus nooit protserig. 

Het overgrote deel der mensheid prefereert de zichtbare gouden schittering boven de onpersoonlijke ondefinieerbare kristalschtittering. 

God, de hoogste Trilling, is het ontbrekende element, de ontbrekende schakel binnen de disharmonie der zeven metalen, die elkander bestrijden of zichzelf verheerlijken, zonder de Goddelijke Tinctuur tot heelmaking te bezitten. 

Als de poortwachter de kandidaat NIET heeft uitverkoren voor zijn opdracht, gaat het feest der spitum lauficummakers gewoon door.  

Het antimonium zoekt binding met het spirituele goud en heft het op in zijn eigen kristalhelderen straling, dan geeft dit edele goud zijn eigen gouden tint over, en zij worden één.  Saturnus, de wijze, het antimonium, en het individuum, de Christusziel, het goud. 

Het goud en het Universele medicijn zijn één. 

En in dit grootse einde kan men eveneens zeggen: Hij, de Vader en de Zoon, Christus, zijn één geworden, gelijk zij één waren, voordat de wereld was. 

Laat de taal der metalen u tot een lering worden!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene