76

Zoals wij in een vorige lezing zeiden: de mensheid is in twee groepen te verdelen, één groep is vervallen tot de één of andere vorm van atheïsme, een andere groep gaat zich moegestreden opnemen in de schoot van één of andere machtige religieuze beweging. 

En in beide groeperingen bevinden zich dan de enkelingen, 

die zich staande trachten te houden op de basis van de innerlijke God, terwijl zij hun weg individueel exploreren. 

Deze enkelingen verzetten zich tegen een uiterlijk godsbeeld en trachten zonder uiterlijke middelaar hun weg tot die Oerbron, als herinnering verborgen in hun heimwee, 

terug te vinden. 

Zoals u waarschijnlijk weet was het in vroeger tijden bij sommige priester-groepen verboden om de godheid, God, bij de naam te noemen. 

God had een onuitsprekelijke Naam. 

In oude geschriften wordt God dan ook dikwijls aangeduid door een aantal stippels. 

De historici - geïrriteerd door het onbekende - maakten van deze stippels een veronderstelde naam, vulden ieder voor zich een naam in. 

Hiermede de godheid reducerende tot een omlijnd begrip. 

Vanaf die tijd vergat men de abstracte idee Gods en vereenzelvigde men Hem met een figuur. 

God werd gelijk aan een machtige kracht, een Vaderfiguur die de godsdiensten der wereld beschermt. 

De Hermetische overlevering kent echter geen enkele Godheid, slechts een Oerbegin, een onuitsprekelijke Bron, waaruit alles is voortgekomen. 

De herinnering aan deze onuitsprekelijke Bron leeft in de Lichtzoon voort, hoewel hij zich steeds sterker vermengt met de trillingen der lagere natuur. 

Geen enkele Lichtzoon spreekt daarom van een Godsbeeld, maar altijd van het onuitsprekelijke, het Nirwana, de wind uit het Niets, het Tao, het onbeschrijflijke en onuitsprekelijke, het Licht, dat verbrandt, verwarmt, verlicht, belevendigt. 

Jezus Christus sprak over "Mijn Vader die in de Hemelen is." 

Oorspronkelijk staat er echter: Degene van Wie ik ben uitgegaan. 

In onze tijd is het Gods idee zozeer vereenzelvigt met een omlijnd beeld, dat het schier onmogelijk is de mens van deze idee los te maken. 

Hij zou zijn houvast verliezen. 

De grootste denkers, filosofen en wijzen spraken echter niet over "God", maar altijd over het Niet-Zijn, Tao, het Nirwana, de Bron. 

Wanneer de Lichtzoon terug wil keren tot zijn uitgangspunt, dan moet hij in zijn denken het onuitsprekelijke beeld, of de onuitsprekelijke Naam, terug brengen. 

Dit is hetgeen de massa nimmer zal kunnen, slechts de enkeling is daartoe in staat. 

Een Lichtzoon, die de belemmeringen van alle uiterlijke godsdienstige vorm heeft doorbroken komt altijd terug bij zichzelf en bij de bron in zichzelf. 

Vanuit deze bron exploreert hij dan zijn weg verder. 

Dat is een zelf-inwijding, die gebaseerd wordt op zelfontdekking, zelfherkenning, en eigen ervaringen. 

U kunt van de grote ingewijden lezen, hoe zij allen zelf hun weg baanden, totdat zij meenden Het gevonden te hebben, waarna hun nakomers zich aan dit HET vastklemden, zo menende eveneens tot de Bron gekomen te zijn. 

Om alléén te kunnen staan in deze huidige wereld van verdwazing en leugen, moet men waarlijk een ingewijde, een zelfinwijder zijn. 

Men zal innerlijk een bron moeten vinden om vanuit deze bron zijn individuele leven te verrijken. 

Zo niet, dan neemt de maalstroom de mens mede. 

Zelf-inwijding is een kwestie van het "onderzoek alle dingen en behoud het goede." 

Ieder mens moet daarom in staat gesteld worden tot dit onderzoek, met de consequenties daaraan verbonden. 

Zij die zich schuil houden binnen de bescherming van een uiterlijke middelaar durven deze individuele weg nog niet aan, die zo dikwijls tot wanhoop voert, warmeer de innerlijke bron niet als geleide dient. 

Deze innerlijke bron is de enige toeverlaat voor de individuele pelgrim en de vastbesloten "ketter". 

Deze Bron voerde hem op de brandstapel, of maakte hem tot verguisde. 

Waarna na zijn dood de menigte hem tot een verhevene uitriep. 

In de wereld brengt de innerlijke Bron de mens nooit verder, hij voert slechts de Lichtzoon nader tot die onuitsprekelijke kern, die hijzelf niet kan omschrijven. 

Boeddha baseerde zijn weg op de vier Waarheden, doch hij ging niet uit van een Gods idee. 

Het begin van iedere individuele weg ligt altijd in de wereld; het vormt een baanbrekende handeling; om verder te worden tot een innerlijke, individuele weg en de Lichtzoon op te trekken tot de Bron van zijn Herinnering.  

De Lichtzoon bezit nimmer genoeg Wijsheid om de grootse Wijsheid van het Tao over te kunnen dragen en hij beseft dit, hij gevoelt zich steeds onmachtig. 

Duidelijk is dit te herkennen in de woorden van Confucius, "de zoon des hemels", zoals zijn naam aanduidt.  

Iemand vroeg hem te vertellen wat de dood was; 

Hij antwoordde: 

"Als men niet weet wat het leven is hoe zou men dan de dood kunnen kennen"    

Iedere overdracht is betrekkelijk, altijd begrensd en daar waar het begrensde denken zich meester maakt van de onbegrensdheid, sterft het binnen de menselijke beperkingen. 

Het niet noemen van God, is voorkomen dat de mens God vernedert. 

Zo was het in de tijd van Hermes met de taal. 

De heilige taal bestond uit symbolen die de onbegrensdheid en de alomtegenwoordigheid uitbeeldden; de profane taal was een reeks van symbolen om de relatie tussen de mensen onderling te belevendigen. 

Een symbool moet in zich de abstractie dragen en nooit begrensd kunnen worden; het moet de mens boven de begrenzing uit kunnen trekken. 

De aloude Hermetische symbolen hadden die bedoeling, als tegenwicht tegenover de religieuze beperkingen, die zich egocentrisch op de alomtegenwoordigheid en de heiligheid van de Oerbron stortten om hun eigen beweging daarmee te sieren. 

Zodra het begrensde de onbegrensdheid grijpt, trekt deze onbegrensdheid zich terug. 

Zo is het ook met de godsidee en met de inwijding. 

God is een individueel bezit, en verandert met het bewustzijn van zijn bezitter. 

Zodra dit individu verandert in een Lichtzoon, verandert zijn God in de abstractie, in de onuitsprekelijke. 

Hierdoor komt de oer-eenheid tot stand. 

Er bestaat géén god der menigte, slechts een uiterlijk massaal godsbééld, dat niets te maken heeft met de onuitsprekelijke Bron. 

De individuele vrijheid moet de mens voeren tot de grootst mogelijke hoogten in de Godsidee; dàt is groei, dat kan een innerlijke weg zijn en dat voert tot inwijding. 

En het hoogste godsidee is altijd ongrijpbaar, zelfs voor de bezitter zelf. 

Op dat moment bezit hij deze God niet, maar hij wordt door deze God als bezit opgenomen. 

Dit is de hoogste vorm van Religio, waarvan de religieuze bewegingen een karikatuur schiepen. 

Als men van een mens zegt: "Zijn zaak is zijn god", dan betekent dat dat hij door zijn zaak wordt bezeten, nietwaar? 

Op dat moment is de mens niet meer vrij. 

De Lichtzoon die door de individuele abstracte onuitsprekelijke God word bezeten, als een innerlijke energie-bron, is eveneens niet meer vrij! 

Hij handelt uit een heilig moeten. 

En al zou hij willen, hij kan zich daarvan niet meer losmaken. 

Deze allerhoogste Religio herkent men in allerlei schakeringen op aarde, als een reflex door de beslagen spiegel, waarnaar de mens leeft. 

Daarom kan er over God nimmer gediscussieerd worden. 

Daar waar twee mensen discussiëren verschilt hun individuele Godsbeeld, en dààr waar het Godsidee tussen twee mensen gelijk is, discussieert men niet, want God is voor beiden onuitsprekelijk, tè hoog, tè ongrijpbaar. 

Ieder mens die de weg van zelfinwijding wil gaan moet zich plaatsen op zijn innerlijke beeltenis Gods, en vandaar gaat hij verder. 

Daarom ligt ieder begin bij een ander uitgangspunt. 

Het individu ontmoet zijn medemens slechts buiten het begrensde denken, binnen de beperking, luistert men slechts welwillend naar elkander. 

Een spiritueel contact tussen de koninklijke mensen valt echter altijd buiten de ego-begrenzing. 

Zolang de mens God vernedert in zijn denken, zal het Godsbeeld nimmer in staat zijn de mens tot die onbegrensde alomtegenwoordigheid van het Tao op te trekken. 

Dan blijft de strijd, de disharmonie, de discussie, de bitterheid. 

Slechts dààr waar het individu in staat is zich in zijn denken en gevoelen te verplaatsen in de onbegrensdheid, kan hij de trilling der Oereenheid ontmoeten. 

Het innerlijke heimwee dat de mens voortdrijft vermindert, zodra de mens zich vergooit aan de verdeeldheid en de disharmonie en het wordt versterkt zodra de mens intensiever geconfronteerd wordt met de goddelijke trilling. 

Hoe intenser het heimwee, des te sterker de drang naar spiritualiteit. 

Aan dit individuele proces kan geen buitenstaander iets veranderen. Men kan zijn naaste het heimwee niet aanpraten, noch de spiritualiteit. 

Hoogstens kan men het heimwee stimuleren, maar er moet reeds een innerlijke hunkering aanwezig zijn. 

En deze hunkering verschilt ook van mens tot mens.   

Die hunkering is gelijk aan zijn individuele god. 

Warmeer Boeddha zegt: "men moet om tot het Nirwana te komen het eigen verlangen doden.", dan bedoelt hij dat het versteende Godsbeeld, waarbinnen dit verlangen leeft, uitgeroeid, vernietigd moet worden. 

Het is het komen tot onbegrensdheid. 

Dit verlangen kan echter slechts vernietigd worden door het gààn van een inwijdingspad in zichzelf. 

Om het verlangen uit te doen, moet men dit verlangen kennen, moet men zijn eigen Gods idee kennen. 

De vier Waarheden van Boeddha zijn in zichzelf één. 

1. Smart is onafscheidelijk van het bestaan. 

2. Smart is de dochter van het verlangen. 

3. Het bestaan en de smart kunnen ophouden door het Nirwana. 

4. Om het Nirwana te bereiken, moet men het verlangen doden.  

Deze vier pijlers zijn niet van elkander te scheiden, en zij brengen de mens bij de onuitsprekelijke God, allereerst in zichzelf daarna vanzelfsprekend buiten zichzelf. 

Om deze innerlijke Onuitsprekelijke te vinden moet men de smart van het bestaan ondergaan, iedere stap wordt een smartelijk experiment.   

Doordat het eigen verlangen, de innerlijke godsidee, beperkt is, roept men de smart van het "verbreken" en het experiment tot zich. 

Totdat de innerlijke Godsidee, in denken en gevoelen onbegrensd, onuitsprekelijk wordt, een Trilling uit het Niets, een ongrijpbare aanwezigheid, een Nirwana. 

Dan houden smart en het bestaan op. 

De levensenergie, de levensdrang van de mens komt dan uit een andere Bron, uit de innerlijke, abstracte Bron. 

De wortels van zijn bestaan liggen niet meer in het beperkte verlangen of in de materie, de egocentrische gevangenis. 

Binnen deze vier waarheden ligt God, Tao. 

Elke uiterlijke godsdienstige manifestatie rukt de eenheid van deze vier pijlers uit elkander waardoor de onuitsprekelijke Godsbelevenis ineenstort. 

Het individuum, de Lichtzoon, herkent de absolute Harmonie achter deze vier boeddhistische waarheden daartoe behoeft men hem niet over god te spreken, noch over een weg des hemels. 

Evenals het antwoord van Confucius die abstracte wijsheid

bevat:

"Wanneer men het leven niet kent, hoe kan men dan zeggen wat de dood is?" 

Indien men de onuitsprekelijkheid, de onaardsheid van de Oer-eenheid niet kent, waaruit HET leven vloeit doorschouwt men evenmin de dood als aanzicht van de tijdelijke natuur. 

"De Vader en Ik zijn één", zei de Christus. 

De Lichtzoon, die tot begrip van de onuitsprekelijke God 

is gekomen, is één met deze Vader. 

Niettemin blijft zijn taal gebonden aan de tijdelijkheid en kan het wezen van deze Vader niet uitdrukken. 

Daarom begrijpt de door de tijdelijkheid gevangen genomen Lichtzoon die oer-eenheid nog niet, hij hunkert er slechts naar. 

Deze hunkering moet hij uitdoen, door te verwerkelijken hetgeen hij hunkert te doen. 

Daardoor verandert zijn hunkering van karakter, en zal tenslotte, als de Lichtzoon waarlijk een innerlijke weg bewandelt, opgelost worden in de Oer-eenheid, in het Nirwana. 

Het is de werking van de negatieve kern, het verlangen, dat de mens voortdrijft op aarde. 

Indien deze kern geen antwoord ontvangt wordt zijzelf een beeltenis, een positieve beantwoording. 

Dit is het godsbeeld, verheven of geketend aan de stof. 

Ieder mens heeft een godsbeeld, het is niet belangrijk in welke sfeer hij dit beeld opbouwt. 

Deze beeltenis vormt de tegenhang, het antwoord van zijn negatieve kern, zijn verlangen. 

Daarom moet ieder mens doen wat hij verlàngt te doen. 

Hij mag daarin nooit belemmerd worden, noch door een religie noch door een medemens. 

Zulk een belemmering is een kunstmatige barricade op zijn individuele weg. 

Blijft hij achter zulk een barricade opgesloten, dan komt hij nooit tot het verstaan van de onuitsprekelijke God of tot Tao. 

Hij kan de vier waarheden van Boeddha niet realiseren, want hij krijgt geen kans zijn verlangen, door het bestaan en de smart, te doden. 

Zulk een mens bestààt niet, hij wordt, als karikatuur van het hoogste Godsbeleven, bezeten door zijn bewaker, hetzij religieus, hetzij materieel. 

De individuele vrijheid is de grootste genade voor de Lichtzoon èn het grootste gevaar. 

Deze vrijheid bracht hem binnen de macht der bedriegers en der verstening, maar zij zal hem eveneens terug kunnen brengen tot die Goddelijke Vrijheid, die een gebondenheid is aan de Harmonie. 

Slechts de koninklijke mensen weten hetgeen deze gebonden Vrijheid betekent, want zij kennen het individuele Nirwana. 

Dit Nirwana bindt hen aan de alomtegenwoordige Trilling, hoewel deze verbintenis de absolute vrijheid betekent. 

Zodra dit Nirwana hen opneemt, hen tot bezit maakt,

verdwijnen smart en het bestaan, en sterft hun verlangen, want hetgeen zij verlangen is op dat moment een Realiteit. 

Al zou een ingewijde u de abstracte idee nog zo nader kunnen brengen, zelfs totdat u zich er één mede voelt, u zult moeten blijven zoeken, totdat u deze onuitsprekelijke eenheid zèlf kent. 

Dit "zoeken" is niets anders dan een zelf-inwijding, een weg van smarten, een ontdekking van de grond van het bestaan en het uitrukken van zijn levenswortels uit de tijdelijke natuur. 

Het vier waarheden worden gesymboliseerd in de omwending van de levensboom; zodra zijn kroon voldoende Licht ontvangt, kan hij zijn wortels uit de aarde trekken en die in de Hemelen gronden. 

Dan is het hunkerende verlangen dat de kroon uitbeeldde, vernietigd, daar de kroon nu naar de aarde gericht is en slechts uitzendt hetgeen de wortels in de Hemelen verzamelen. 

Dit is het universele Beeld, dat overal te herkennen is. 

Het beeld van de poortwachter, die Hemel en Aarde verbindt, omdat zijn verlangen geworden is tot Weten en Wijsheid. 

Moge de individuele vrijheid u hiertoe geleiden.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene