74 - de gemeenschap der koninklijke mensen

In een tijd als de onze komen vertrapte en verworden idealen van grote zielen wederom naar voren worden in de hand gehouden, betast, bestudeerd, herkend. 

Een massale zoekersdrift begint de massa der mensheid in beweging te brengen. 

De grijnzende afgrond van de innerlijke leegte, drijft velen van hen in de armen van spirituele charlatans, hypnotiseurs en profiteurs. 

De versplintering van de oer-eenheid van de Opperkracht bracht de dood van de god der mensheid. 

Het niet-weten en het niet-onderkennen, de fatale eigenschap van de menigte, wreken zich op hun schepper. 

In de eeuw van het individualisme wordt in het maanjaar de massa bijeengedreven, terwijl de autonome eenlingen elkander zullen gaan herkennen, omdat zij opvallen in hun isolement. 

De stroom van het maan-water, het mystiek, magische element overspoelt de menigte en neemt haar gevangen in een alles verstikkende greep. 

Daarin heeft het geen nut te vechten, geen nut zich te verzetten, en een algehele vermoeidheid, evenals een extase, gedragen door willoosheid, zal de massa opnemen. 

In deze golf van extase vindt de idee van de commune, van de gemeenschap, gemakkelijk ingang. 

Alléén: de menigte verkracht de spirituele idee en werpt zich op de daarin schijnbaar besloten mogelijkheid van de gemakzucht. 

Gemakzucht, willoosheid, zich laten meevoeren, zich vastklemmen aan een autoriteit, dat zijn de drijvende elementen achter de massa-hysterie die het religieuze leven der mensheid binnentreedt. 

De maan-eigenschap, de sterke egocentriciteit viert ook in het spiritualisme hoogtij. 

De leiders parasiteren op hun volgelingen, en de volgelingen zullen hun leiders uitputten. 

Beide zoeken eigenbelang, voeding, kracht voor het eigen zelf, maar in spirituele zin, zo meent men. 

Doch de kern waar omheen alles draait is het eigenbelang, het profijt, de maandrift die het licht van de zon zoekt om zichzelf daarmee te verlichten. 

De autonome spirituele mens, oriënteert zich echter geheel anders: hij acht zichzelf koninklijk, licht-bezittend, zonder hierdoor arrogant te worden, en houdt dit licht in stand.  

Wij lazen onlangs een boekje van de verguisde arts-spiritualist Frederik van Eeden, waarin onweerlegbaar duidelijk gezegd wordt, wàt de spiritualist zoekt: 

"Hij wil voor zichzelf slechts datgene wat hem in staat stelt het heiligste in hem in stand te houden." 

De spiritualist zoekt op geen enkele wijze zichzelf te vullen met de kracht van een ander, want hierdoor benadeelt hij de ander; hij zoekt  zichzelf te verrijken, want ook hierdoor wordt hij nimmer gedwongen een medemens, op wat voor wijze ook, te bestelen. 

Achter elk groot fortuin schuilt een misdaad, zo zegt Balzac. 

Hij zoekt slechts het heiligste in hem "in stand te houden". 

Dat is een autonome werking, die slechts voltrokken kan worden door de waarheid op te nemen, te accepteren, èn uit te dragen. 

Dààr waar de Waarheid regeert wordt iedere vorm van profijt, van egocentriciteit, verworpen. 

De spirituele mens, die deze autonome werkzaamheid wil demonstreren, riskeert altijd de haat, de spot en het onbegrip van de massa, de maan-menigte. 

De door de geestelijke zon geïnspireerde mens, omvat de wereld gelijk de zon, maar hij blijft koninklijk, zichzelf respecterend, de onderworpenheid van de maandrift afwijzend.  

De zonne-mens, het individuum, baart uit zichzelf de maan en geleidt deze, schept uit zichzelf de devotie, de vruchtbaarheid, en de geleidende trilling, om zo tot een volkomen harmonie te komen. 

Daarom is de individuele spirituele mens koninklijk, waardig èn devoot bescheiden. 

Hij weet dat zijn koninklijke waardigheid, geïnspireerd, aan hem in bruikleen gegeven werd. 

Om zulk een individuele spirituele levenshouding te bewaren, zal de mens de gaven van de spirituele bezieling moeten bezitten. 

Hij vreest geen aantasting van zijn waardigheid, omdat deze niet gegrondvest ligt in de zintuigelijke bezittingen 

en de menigte, de doorsnee-mens, zal zijn gaven niet begrijpen. 

Zijn waardigheid is als een onaantastbaar talent, dat tegelijkertijd uitdeelt en tot zich neemt. 

Hij wendt zich echter nimmer tot de onbegrijpende, want waartoe woorden verspillen aan niet-gelovenden, waartoe energie vermorsen aan de menigte, die slechts de eigen egocentrische hunkering wil voeden.  

Wanneer wij ertoe zullen overgaan, en daarom haken wij in op de woorden van de dichter-schrijver- arts en gnosticus Frederik van Eeden, tot het stichten van een leefgemeenschap, dan wordt het leven van van Eeden voor ons plotseling zeer actueel. 

Vol idealen, bezield door een gnostieke idee, stortte van Eeden zich in het stichten van een leef-gemeenschap, op basis van de herkenning en de eenheid der "koninklijke mensen", doch zij die hem omringden waren verre van "koninklijk" en doodden zijn laatste hoop, putten zijn wilskracht' uit, en bespotten zijn spirituele bezieling. 

Als een vermoeid, totaal gebroken man liet hij zich tenslotte in de armen van de altijd wachtende moederkerk vallen, 

de kerk, die hij voorheen zo had aangevallen. 

Het is een einde, zoals Paracelsus kende; het is een einde zoals zovelen kennen, spiritualisten, Gnostici, autonome vechters. 

Moegevochten, uitgeput door het maan-parasitisme, verjaagd, gehoond, gebroken vinden zij geen weerstand meer tegen de overspoelende golfslag van de maanvertegenwoordigster: de roomse kerk, en geven zich dodelijk vermoeid over. 

Geen enkele - weldenkende Gnosticus - zal deze groten van geest een verwijt kunnen maken omdat zij ten prooi vielen aan de tegenkracht. 

Hij, die staat zie toe dat hij niet valle. 

Allen, die zich boven de massa uitwerken, en bewijzen dat zij geestzonne-lichtkracht bezitten, worden aangevallen door de hyena's, en levend verscheurd. 

Zij, die door de massa aanbeden worden, harmoniëren met de massa, met hun zucht naar afhankelijkheid, met hun honger naar afgodendienst. 

Er is geen meester dan Hij, die in u is. 

En de enige opdracht die de zonne-mens bezit, is deze Meester levend te houden, in stand te houden. 

NIET door geroofde kracht, niet door geleende kracht, maar door een eigen individuele innerlijke werkzaamheid. 

Zij, die op deze wijze innerlijk werkzaam zijn kunnen zich verenigen op individuele basis. 

Dat is het vormen van een spirituele leefgemeenschap. 

Men kan beter drie geestzonne-mensen op basis van de innerlijke spirituele regels bij elkander voegen, dan twintig maan-mensen, die elkander zoeken op basis van de egocentrische maandrift. 

Uit de drie zonne-mensen groeit een vibrerend, activerend, hulp schenkend krachtveld; uit de twintig maan-mensen groeit een mediamiek, een gevangennemend, inspinnend ademveld. 

Daarom zoekt de spirituele zonne-mens nooit de menigte, 

maar slechts zijn gelijke, opdat hij begrip, wisselwerking, 

activiteit ontmoet. 

Een leefgemeenschap van spirituele mensen, is daarom altijd een actief veld, waarbinnen vraag en antwoord, 

woord en wederwoord, in harmonie aanwezig zijn. 

De harmonische samenwerking der tegengestelden is aanwezig, omdat iedere zonne-mens IN zichzelf, zowel zon àls maan vertegenwoordigt. 

Het vormen van zulk een gemeenschap is niet voor de massa-mens, want hij is niet autonoom, noch is het iets voor de arrogante, zichzelf aanbiddende mens; zulk een arbeid is slechts weggelegd voor hem, die weet te geven en wéét te ontvangen. 

Hij zal zichzelf geven zonder het heiligste te vermorsen en hij kan ontvangen, zonder het heiligste te laten ontheiligen. 

Een juist evenwicht tussen geven en ontvangen is de gave van de geïnspireerde spirituele mens. 

Hij die niet kan geven bewijst niet los van zichzelf te kunnen komen, hij die niet kan ontvangen bewijst geen liefde te kunnen aanvaarden.,

Beide vormen komen voort uit een innerlijke onevenwichtigheid, men bezit de arrogante egocentriciteit van de perfide zonnekracht, waardoor zowel gèven als ontvangen moeilijk worden, òf de willoze, afhankelijke instelling van maankracht, waardoor geven een vorm van mede-bewegen met de massa vertegenwoordigt, en ontvangen een wijze van indrinken der massale offeranden wordt. 

De harmonie tussen geven en ontvangen, is als de harmonie tussen vraag en antwoord. 

Vraag en antwoord, geven en ontvangen zijn twee werkende, levende trillings-concentraties, die geen van beide de overhand mogen hebben, maar elkander moeten ontmoeten in een explosieve, alles doordringende krachtimpuls. 

Is de vraag intensief, spiritueel, ontdaan van alle eigenbelang, dan is het antwoord spiritueel bezielend, en in de mens borrelt een bron van spirituele kracht, van inzicht, van autonome werkingen op. 

Dan komt er een spirituele activiteit tussen vrager en beantwoorder, dan ontmoeten de geïnspireerde zonne-mensen elkander en zo bouwen zij een activerend spanningsveld, waarbinnen slechts de geestzonne-mensen het zullen kunnen uithouden. 

Iedere autonome spiritualiteit, uitgaande van de innerlijke individuele Meester, ontmoet op basis van de spirituele regels de Meester in den naaste. 

Er is een oer-trilling, die in zichzelf één is, en die éénmakend werkt. 

De uiterlijke individuen kunnen hemelsbreed verschillen, de innerlijke oerkracht van hun ineigen Meester, verbindt hen niettemin. 

Deze éénmakende werking kan nooit wegvallen, zij selecteert slechts degenen die tot haar werkzaamheid behoren. 

En dat zal één op duizend zijn, en tien op tienduizend. 

Deze woorden zijn niet voor niets gesproken. 

Hij die zich doodstaart op de liefde en de aanbidding van de massa, zoekt - gelijk de maan - het reflectie-element, opdat hij zich daarin kan weerspiegelen. 

De eerste gave van de autonome, spirituele, geestzonne-mens is de kracht om alléén te kunnen staan, zonder medestanders, zonder vrienden, zonder leider, zonder welke hulp schenkende entourage ook. 

Hetgeen echter niet betekent dat hij zich in een isolement opsluit uit angst voor zijn tegenstanders of uit angst voor de hoon der menigte. 

De spirituele mens kent geen angst, noch voor hen die hem in de rug aanvallen, noch voor hen die hem in het gezicht uitlachen. 

Maar hij heeft hen niet van node, gelijk de zon geen enkele planeet van node heeft, maar uit zichzelf straalt, geïnspireerd door een innerlijk vuur. 

Deze mens vrààgt geen weerklank, maar ontvangt ongevraagd weerklank, zoals de vogel zijn lied ten hemel zendt en de bloem zich in vreugde opent. 

Ieder schepsel, en iedere schepping in de natuur sluit zijn activiteit toe, sluit zijn wederkracht, zijn reactie-vermogen, zodra de maan zich aan de nachtelijke hemel aftekent. 

Dit moet u te denken geven. 

De maan werkt slechts in wanneer de tegenactiviteit sluimert.  

Dit kunt u herkennen in iedere maan-godsdienst, en in iedere maan-magische groepering. 

Het individuum moet zichzelf toesluiten, wil de maankracht ingang vinden. 

De geest-zonnekracht maakt open, splijt de aarde, om het zaad te leggen, de maan vraagt toesluiting, afhankelijkheid. 

Let u vooral ook op deze werkzaamheid bij iedere vorm van meditatie. 

Er is een afhankelijke en een onafhankelijke meditatie. 

De onafhankelijke meditatie vormt - in de kandidaat zèlf - vraag èn antwoord. 

De afhankelijke meditatie is slechts een vraag, een onophoudelijk vragen totdat de grens van de negatieve openstelling IS gepasseerd, met alle kwalijke gevolgen daaraan verbonden. 

Ook deze ongelimiteerde, extatische overgave, dit hunkerende, hongerende vragen, waardoor de mens zichzelf, zijn koninklijke waardigheid en zijn onafhankelijkheid vergooit, zult u in het maanjaar overal kunnen herkennen. 

Wanneer de mens juist mediteert, wij zeggen liever: zich inkeert komt binnen het juiste ogenblik een antwoord. 

Daartoe behoeft hij geen enkele geforceerde grensverbreking te realiseren. 

De Zoon des Lichts bezit in zichzelf de gaven der Oerkracht, maar deze zal hij zelf moeten ontginnen, zonder geroofde lichtkracht, hetzij van zijn gelijken, hetzij van een vermeende meester. 

Het blootleggen van deze gaven brengt smart mede, èn verguizing, van hoon en vernageling aan een levenshouding waarvan het ego gruwt. 

Zij, die deze autonome werking niet kunnen aanvaarden, noch willen uitdragen kunnen zichzelf nimmer tot de Lichtzonen rekenen. 

En als zulk een Lichtzoon aan het einde van zijn leven vermoeid ter neder zinkt, en uitroept: "Eloï, Eloï, waarom hebt gij mij verlaten?" wie onder zijn broeders zal hem dit aanrekenen?  

Op zulk een moment kan men een lans nemen en hem doorsteken, daar zijn weerstand is gebroken. 

Er is gèèn Zoon des Lichts, geen Gnosticus in de gehele wereldgeschiedenis te vinden, die niet door de menigte werd verguisd, die niet door haar werd gekruisigd, gedood, bespot, en tenslotte gebroken. 

Doch ten allen tijde is het slechts de uiterlijke mens geweest die men brak, en doodde, en verbrandde, en hoonde. 

Het Woord, zijn daden, zijn doelstelling, zijn gedachten, drijven voort op de trillingen der kosmos, en bereiken het nageslacht, en ook hèn, die enkelingen, die verstáán zullen, wanneer hun tijd gekomen is. 

Een Lichtzoon werkt niet mèt de tijd, hij werkt in de eeuwigheid, verbindt verleden, heden en toekomst, en vlecht verder aan de gouden Draad van Ariadne, ook als zijn uiterlijke lichaam reeds lang vergaan is tot stof. 

De bezielende inspiratie werkt zelfstandig voor hem, en lokt een weder-roep uit. 

Zo was het tijdens zijn leven en zo zal het nà het stoffelijke leven van de Lichtzoon blijven. 

Want de inspiratie der ziel kènt geen afgescheidenheid, noch persoonlijkheid, zij IS. 

En daar waar de maankrachten haar willen gevangen nemen ten eigen bate, vlucht zij heen en laat de maankracht dood achter, giftig water dat zichzelf afbreekt en waarbinnen parasieten leven. 

De gezamenlijke ziele-inspiratie van de individuele Lichtzonen laat altijd zijn sporen achter voor hen, die nà hen komen. 

Zij die de Gouden Draad ontdekken zullen deze individueel moeten oppakken en individueel moeten verder vlechten, want het is slechts de éénling, de koninklijke mens, 

die door kon dringen tot de Minotauros en hem versloeg. 

Versta deze symboliek en verrijk uw inzicht daarmede.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene