69 - het geheimenis van de verloren eenheid

U zult bemerkt hebben dat wij de laatste weken veel met u spreken over de taak van het Geweten en de Intuïtie.  

Wij beschouwen deze twee innerlijke gaven als ziele-krachten, die slechts in die mens opstaan die een spirituele weg bewandelt. Het Geweten is het aloude, oerweten, dat verborgen ligt in de herinnering der ziel; de Intuïtie is de wijsheid waardoor het handelingsleven wordt geïnspireerd en van de mens een "wijze" maakt. 

Doordat ons de woorden: "de wortelstok van alle kwaad is onwetendheid" onder ogen kwamen, werden wij nogmaals geappelleerd aan het grote wereldomvattende misverstand omtrent de "onwetendheid" en het "weten".   

Christiaan Rozenkruis schreef als herinnering deze woorden neer: "De som van alle weten is niets te weten". Er ligt dus een schijnbare tegenstelling in voornoemde uitspraken! 

Niets is echter minder waar.  

De woorden uit de oosterse leer duiden op het oer-weten, verborgen in het Ge-weten, de woorden van C.R.C. duiden op intellectuele kennis, die bij de mensheid de plaats van het ge-weten heeft ingenomen. 

Wanneer de mens zijn leven met een zwijgend geweten doorgaat, is hij niet in staat goed van kwaad te onderscheiden noch de hoge wet der goddelijkheid te respecteren. Er is een binding verbroken tussen God (Geest) en mens (ziel). Vandaar de momenteel verregaande uitbuiting van de natuur en de toepassing van chemische geneesmiddelen. 

Daar waar het oer-weten ontbreekt zoekt de mens naarstig naar een imitatie, gelijk hij dat met alle dingen op aarde doet. Is zijn leven niet één grote imitatie van de volmaakte goddelijkheid, die hij verloren heeft? 

Het hartstochtelijke zoeken naar kennis, is de tragedie van de innerlijke armoede en het verlies der ineigen goddelijkheid. 

De "wortel van alle kwaad is gelegen in deze onwetendheid" en dit kwaad kan nooit worden uitgedaan door een overmaat aan intellectualiteit, zoals in deze moderne tijd het geval is.  Zelfs spiritualiteit is verzand in de intellectuele theologie, omdat de geestelijk leider niet meer steunen kan op een oer-weten, dat als een fontein uit zijn ziel omhoogwelt.  

Uit "de wortel van het kwaad" is in de loop dor eeuwen een forse boom gegroeid, die de mensheid door zijn gigantische wortels omvangen houdt en haar zelfs belet tot het "weten" terug te keren. Wanneer de mens tegenwoordig zegt: "ik handel naar eer en geweten", dan bedoelt hij daarmede altijd dat hij niet in tegenspraak handelt met de formele wetten, die niets te maken hebben met een ziele-weten. 

Is de huidige levensgang van het gros der mensheid niet een gevolg van gewetenloosheid? 

Een geweten-loos mens behoeft niet een misdadig mens te zijn, maar hij is ook altijd een onwetend mens. 

Hij draagt geen kennis omtrent de Wetten der Oerkosmos, noch omtrent de Wet des Levens, of de Verlossingswet. Hij leeft als een losgeslagen natuurlijk schepsel en lijdt onder de consequenties van zijn onwetendheid. 

Uit deze diepe onwetendheid is geen weg-terug meer te vinden, want de gewetenloosheid wortelt in het diepste innerlijk van het menselijke wezen en is daarmee vergroeid door een opeenvolging van reïncarnaties.  

De enige oplossing ligt in een pijnlijke verbreking van de "wortels van het kwaad" en daarmee een erkenning van de eigen "onwetendheid", hetgeen voor de moderne zelfgenoegzame, intellectuele mens altijd een zelfoverwinning betekent. Uit de overwoekering van de onwetendheid moet langzaam maar zeker het ge-weten worden vrijgemaakt, opdat de mens een nieuw licht zal zien schijnen over zijn levenspad. 

Daarom zijn de woorden van Zarathoestra zo ingrijpend waar: "Wee hij, die mijn bewustzijn verengt, zodat ik de vrije hemel niet meer kan zien!"  

De "onwetendheid" wordt door de leiders der mensheid bewust gehanteerd om de mens gevangen te nemen in "de wortel van alle kwaad". 

De machtige greep die de autoriteit heeft op een deel der mensheid, belet deze mens een terugweg te bewandelen tot het verrijkende, verruimende en verlossing schenkende oer-weten. Ieder die gevangen genomen wordt door een autoriteit, op welk gebied dan ook, wordt de werkzaamheid van het ge-weten ontnomen. Inplaats daarvan wordt hij gevuld met tweedehands-weten, dat nooit uit zijn eigen ziele-herinnering is opgestaan. 

Een onwerkzaam geweten vermag nooit een contact te leggen tussen Geest en ziel.  

Zij die hunkeren naar de voorschriften en wetten van een autoriteit, bewust of onbewust, bewijzen hiermee hun gebrek aan ge-weten. De verlossingsweg wordt dan niet van binnen-uit betreden en ligt slechts buiten deze mens, als een beschouwelijke weg. 

"Het Pad zijt gij!" 

"Het Pad ligt IN u," zijn de woorden van de wijzen. 

Wel, de weg groeit vanuit het ge-weten, hetgeen gelijk staat met het verbreken van schijn-verbindingen en het binnengaan in de individuele ervaringen, waar slechts het individuum lering van ondervindt. 

Dit is het funderen van een weg, die gaat, zoals wij eens zeiden: van hel tot hemel. 

Daarom ervaart slechts die mens de praktijk van een spiritueel pad, die te werk gaat volgens de hoge wet van Geweten en Intuïtie. En deze handelwijze kan wel eens lijnrecht ingaan tegen de wetten van de maatschappelijke en wereldse ordening. 

De angst werd eeuwenlang als zweep gehanteerd en vormt nu de kwelgeest die de mens afhoudt van een spirituele realisatie, volgens de innerlijke wet. 

Autoriteiten regeren en handhaven zich op basis van angst en onwetendheid.   

Het is lange tijd zo geweest dat gebrek aan intellectuele kennis onder sommige lagen der bevolking de groep der intellectuelen een machtspositie verschafte. 

Gebrek aan spirituele kennis schonk de kerkelijke hiërarchieën hun macht. In deze Aquarius-era ziet u echter hoe er een kentering te bespeuren valt; het verwerpen van spirituele dogma's voert de mens langzaam maar zeker tot een opgraving van een aloud weten, van een werkzaam ge-weten. Eerst nog zwak, maar allengs sterker. 

De tendens van de intellectuele zelfontwikkeling ondergraaft de macht van de zelfgenoegzame, autoritaire universitair geschoolde en tast de macht van de uitverkoren intellectuelen aan. Er zijn twee golfstromen merkbaar: een vermeerdering van de uiterlijke kennis door hen, die zichzelf, als persoonlijkheid, willen ontworstelen aan de greep der klasse-overheersing, en een zoeken naar een vergeten kennis, die begraven ligt in oude natuurwetten, in herinneringen, in wijsheid van wereldboodschappers.

Deze laatste methode tot kennis-verrijking wordt veelal gepraktiseerd door hen, die reeds een intellectuele basis bezitten, maar daze niet als "volkomen" kunnen aanvaarden. Er ontbreekt iets. 

Deze gewaarwording is kenmerkend voor de Aquarius-tijd, waarbinnen een Uranus-werking de gevoelige mens aandoet.  

Er is een onrust, omdat de bezielende werkzaamheid van de Geest de mens gaat ontbreken, hij gevoelt zich losgeslagen van iets, dat hij méént vroeger bezeten te hebben! 

De toenemende belangstelling voor kruiden, voor natuurgeneeswijzen, voor de geheimen van de oude magie en de herinneringen binnen de volksoverleveringen wijst duidelijk naar een hopeloos vastgelopen zijn in de imitatie. De leegte van de theologische studie, die slechts de letter als studie-object neemt, heeft de mensheid binnen een ommuurde gevangenis gevoerd, van waaruit hij "de vrije hemel" niet meer schouwen kan. 

Zolang de mens de "vrije hemel" niet ziet, kan hij niet weten waarnaar hij verlangen, streven of opklimmen moet. 

De "vrije hemel" is de stimulans om de mens tot de geestelijke Hoogten voort te stuwen. Daar waar deze "vrije hemel" hem ontnomen wordt door de reusachtige figuur van de autoriteit, van de leringen of voorschriften, zal hij binnen de ommuring van dogma's en beperkingen ronddolen, zonder werkelijk een opgang te kunnen verwezenlijken. 

De "weg tot God" of de "verlossingsweg der ziel", ligt altijd in de vrijheid, waarbinnen de mens nooit zijn eigen ontwikkeling zoekt, maar altijd God, het onbegrensde, innerlijke Weten wil opgraven. 

De "vrije hemel" als lichtende verte schouwen kan dan ook wel eens een gevangenschap van de uiterlijke mens betekenen, hoewel de innerlijke mens volkomen vrij is. 

U moet deze tegenstelling duidelijk verstaan. 

Het opdelven van het aloude ge-weten betekent tegelijkertijd de gebondenheid van de persoonlijkheid. 

Want hij zal zich ondergeschikt maken aan de wet van het ge-weten. Daarom noemt men de "weg tot God" een smalle weg, maar niet op de manier van de dogmatici, die deze weg zelf willen afbakenen door wetten en voorschriften.  

De breedte van deze weg wordt bepaald door de werkzaamheid van het ge-weten en daarom zal de weg, zich omhoog slingerende tot de top der Bergen, steeds enger worden.  

Maar dat wil niet zeggen dat de pelgrim zich afzondert van zijn medemensen, integendeel, maar er komt een onzichtbare muur tussen de onwetenden en de wetenden. 

Hoe kan hij, die leeft binnen de bewustzijns-verenging ervaren hoe de weg is. Hoe kan hij de rijkdom van het oer-weten herkennen, wanneer hem niet de kans geschonken wordt de bekoring, de aantrekkingskracht van de "vrije hemel" te zien?   

Waaruit zal voor deze mens de drijfveer tot het "gaan van een smalle weg" bestaan? 

Toch slechts uit de zweep van de angst, gehanteerd door de autoriteit, of gegroeid door eeuwen van theologisch denken? 

En zijn hemel, bestaat hij niet uit een denkbeeld dat buiten hem zelf geprojecteerd wordt, inplaats van de wijdse hemelse verten te ontvouwen die in hem zelf verborgen liggen? 

Na eeuwen van imitatie-kennis, en uiterlijke zaligheid, verbonden met een uiterlijk godsbeeld en een theologische hemel, zoekt de mens nu naar een innerlijke religieuze beleving. 

Omdat hij de zaligheid niet buiten hem heeft kunnen vinden en omdat hij aan zulk een bestaan is gaan twijfelen. Ervaring is de beste leermeester.  

De ledigheid van de theologische kennis dwingt de mens tot een omgooien van het roer, en dan kan hij zich wenden tot een occulte verwerkelijking, die het eigen zelf tot god verheft, of hij kan zich wenden tot een ontlediging, waarbinnen het ge-weten tot ontplooiing kan komen.  

De mallemolen van het denk-ritme waarbinnen de mens zijn eigen gevangene wordt, kan slechts verbroken worden door een erkenning van de eigen onwetendheid en een overgave aan de Stilte van het Grote Weten, waarvan een sprankje in hem zelf aanwezig is.  

Er zijn allerlei methoden ontwikkeld om dit denk-ritme stop te zetten, als een voortbrengsel van de "boom der onwetendheid". 

De oplossing ligt inderdaad in het "niet-weten", maar dit "niet-weten" naar het intellect wordt altijd vervangen door het "weten" der ziel. Uit dit ziele-geweten zoekt de mens haarscherp zijn weg tussen de vele obstakels en leugen, terwijl naast dit ziele-weten aan intuïtieve onderkenning groeit.  Zo kunnen een werkend geweten en een groeiende intuïtie haarscherp de oorspronkelijke Waarheid herkennen in geschriften, in boeken, in het gesproken woord.  

Uit duizenden woorden vindt men dan één woord, uit honderden geschriften vindt men dan enkele regels, uit vele medemensen herkent men dan één vriend. 

Er is geen weg zo moeilijk te bewandelen als de autonome weg, want de ziele-impulsen zullen tenslotte uit het eigen innerlijk moeten voortkomen. Daarom zijn het de enkelen, die deze weg volbrengen, u kunt dat in de historie verifiëren.  Zij zijn de sterken, de groten, degenen, die hun mede-mensen vermogen te bemoedigen op een individuele weg, zonder dat zij zich als leider op die weg opwerpen.  

Daarom zijn al die grote verwerkelijkers altijd bescheiden mensen geweest, want zij zullen nooit zeggen: "Ik kan......" maar zij zullen altijd zeggen: "Mijn vriend, gij kunt......." 

Hij die meent autonoom te zijn, en individueel een weg te bewandelen, is altijd degene die hetgeen hij bezit aan zijn mede-mensen uitdeelt.  Want de egocentrische vrijheid die het persoonlijke individu wil verwerven, is hem vreemd. 

De "vrije hemel" is niet van hem alleen, hij is van allen die ogen ontvangen hebben om te kunnen zien. Daarom plaatst hij zich nooit tussen een mede-mens en deze hemel, noch door eigen streven, noch door het uitvaardigen van wetten, noch door binden aan een organisatie. De verwerkelijkende mens zegt slechts: 

"Zie, mijn vriend, de vrije hemel spant zich boven u uit! Niettemin is zij in u, als een genade Gods." 

Het "zo boven zo beneden" is een wet van erbarmen en vrijheid. Gelijk buiten u de vrijheid van het alomtegenwoordige weten zich voortbeweegt door de trillingen der luchten, zo beweegt zich deze innerlijke vrijheid in u, als een her-opening van de oer-herinneringen, waarin zich de eeuwigheid weerkaatst.   

U in deze vrijheid stortende vergeet u de beperkingen en de gebondenheid van de persoonlijkheid en getuigt u niet van een engheid van de verlossingsweg, maar u spreekt dan van een Weg der vrijheid!  

Eng is de weg voor hem, die node afscheid neemt van de imitatie, vrij, lichtend en bewustzijnsverdiepend is de weg voor hem, die het ge-weten leert kennen als een schat der ziel. De autoriteit van de innerlijke, individuele God leidt de mens via de leer van Geweten en Intuïtie een innerlijke, spirituele wereld binnen. 

Vanuit zulk aan wereld wordt dan zijn denken verlicht, wordt zijn gevoelen verfijnd, en wordt zijn handelingsleven geïnspireerd. Hij beweegt zich binnen de vrijheid van zijn her-ontdekte innerlijke Rijk, en hij kan daaruit getuigen als een wetende, die zeggen kan: 

"De som van alle weten is dat ik niets meer weet", 

maar ook: 

"De huidige onwetendheid van de mens is de wortel van alle kwaad." 

In de ontmoeting van deze tegengestelden ligt het geheimenis van de verloren eenheid. 

U zult het ervaren, zodra deze woorden werkelijkheid voor u worden!

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene