469 - de aarde, een genade

"Spreek tot de aarde en zij zal je onderwijzen." 

Boek Job (12-8) 

De aarde is altijd een stiefkind in de esoterie, want de aarde is slecht, de aarde is materialistisch en de aarde trekt ons naar beneden. 

Voor de spirituele mens is de aarde als de zuigende kracht van de  grond, die hem van de hemelen terughoudt. 

Er lijkt een soort wrok te bestaan waardoor de aarde wordt gekastijd en waardoor ook de mens, die veel aardse dingen bezit of een aarde-type is, beschouwd wordt als anti-spiritueel. 

Ach, wat is "spiritueel", in werkelijkheid is de aarde net zo'n kind des hemels als wijzelf. 

Met dit verschil, dat de aarde zich als een dienares des hemels gedraagt, terwijl wij meestal opportunistisch zijn. 

De aarde heeft een vurige kern, heeft een lichaam, dus een organisme vol met chemische bestanddelen en kan slechts bestaan, doordat kern en schil zich goed tegenover elkander gedragen. 

Ook dit kan van ons niet worden gezegd. 

De hemel vuurt ons aan, letterlijk en figuurlijk, de aarde troost en kalmeert ons. 

De hemel is de vader, de aarde is de moeder.  

Moeders lijken altijd wat in de verdrukking te komen. 

Hebben de esotericus en de arrogante spirituele mens er wel eens bij stilgestaan dat we zonder die aarde opgejaagd, tot gek wordens toe gekastijd zouden worden door de "herinneringen des hemels"? 

De lucht en de zon behoren tot de hemel, het water des hemels kan slechts bestaan door een samenwerking tussen aarde en hemel. 

Water en aarde zijn negatieve elementen, en "negatief" heeft een twijfelachtige klank, nietwaar, hoewel alles begint met het negatieve, het vrouwelijke. 

Dat wat "aards" is wordt nooit hemels, maar het wil wel door de hemelen worden omarmd of aangeraakt.  

Aards is ons lichaam; aards zijn onze emoties, en is ons kloppende hart; in het hart werken hemel (ziel) en aarde (hart) nauw samen. 

Slechts wanneer onze ineigen aarde zich verbeeldt eeuwig te zijn, komen er narigheden. 

Wij geven de aarde de schuld dat we "gevallen" zijn; zij heeft ons verleid en tot op heden kunnen we dat nog niet vergeten. 

Maar de aarde is onschuldigde, verleiding zat in onszelf en wel in datgene wat spiritueel aan ons is, want slechts in het spirituele huist de vrije wil.  

De aarde kent geen vrije wil, zij volgt vaststaande wetten.  

Minachten we haar daarom heimelijk? 

Vinden we haar daarom minderwaardig? 

Maar zonder die aarde zouden we nooit een Terugweg kunnen betreden, want de aarde onderwijst ons, geeft ons het voorbeeld, b.v. van bescheidenheid, dankbaarheid en trouw. 

Eigenschappen die een gevallen Lichtzoon meestal nauwelijks bezit. 

De aarde mist onze arrogantie, die ons tot de "val", verleidde, maar zij mist natuurlijk ook die "herinnering" aan de hemelen, die ons zo onrustig maakt. 

De aarde bewijst ons iets waaraan elke hoogmoedige ziel een hekel heeft: nl. "genade". 

Het is een genade dat wij op haar leven kunnen en zij staat ons  dat genadiglijk toe, tot schade en schande van zichzelf. 

Onze hoogmoed schrikt er niet voor terug, dat wat we als ondergeschikt beschouwen, te misbruiken, vandaar onze nietsontziende uitbuiting van de aarde. Niettemin blijft zij een geduldige, hoewel verzwakkende moeder. 

En zoals we met ons eigen lichaam omgaan, zo gaan we ook met de aarde om of omgekeerd; nu komen we in een stadium van fanatieke gezondheidsdrang, omdat we - met de aarde - ziek zijn geworden. 

De ervaringswet drijft ons daartoe en hierin zijn allen die op aarde leven inbegrepen, ongeacht, geloof, etiket en intelligentie. 

Voor Moeder Aarde zijn we allen gelijk; alleen de wijze doet hetgeen in het Boek Job staat: hij spreekt tot de aarde en laat zich onderwijzen. 

Er is geen alchemist, noch een voor-christelijke hermeticus geweest, die de aarde negeerde of minachtte. 

Haar wetten weerspiegelen zich in ons organisme; en in haar en onze cellen leeft de immanente godheid: Atoûm, atoom. 

Het atoom is de basis van alles; het atoom is eeuwig; daarin leven de herinneringen, maar ook de goddelijke wet die alles in stand houdt.  

Iemand die zijn organisme minacht, minacht de aarde eveneens. 

Men kan niet de schepping waarderen of aanbidden, terwijl men zijn eigen organisme verwaarloost. En als men zijn organisme verwaarloost, verliest de ziel een werktuig. 

Zoals het met de mens gaat, zo gaat het met de aarde, is een provençaals spreekwoord. 

Onze huidige vervuilde aarde is een teken van de menselijke minachting voor de Schepper en dus wordt het tijd voor een omwending. Maar weer door middel van die aarde, zonder haar is dit niet mogelijk.  

De aarde voedt de levenden en bewaakt de doden, als de gade Gods. 

De aarde, als tijdelijke dochter van de goddelijke natuur, heeft haar opdracht, zoals het organisme, ons lichaam, zijn opdracht heeft. 

Occultisten, esoterici, spiritisten en hoogmoedigen beletten hen die opdracht te voltrokkenen, dat is een grote fout, bijna een onvergeeflijke fout, die zich wreekt, volgens de natuurwetten. 

Wie heeft nooit bemerkt hoe welriekend de aarde is na een regenbui? 

Haar ziel geurt de godheid tegemoet en dat bewijst, dat haar ziel dicht bij die godheid staat. 

Dat wat goed is geurt aangenaam. 

De verhouding aarde en hemel is het grootste voorbeeld van harmonie dat de mens kent, want hier verenigen zich de tegengestelden in een aanvullende samenwerking. 

De aarde negeren is als onszelf verbranden, geestelijk en lichamelijk. 

De aarde dooft het vuur, bedt het water, kalmeert de luchten; de aarde IS - een zekerheid, een moeder.  

Als we geaard zijn, kan ons de bliksem niet verbranden; als we  geaard zijn, kan ons het occultisme, noch het spiritisme iets aandoen. De aarde beschermt ons. 

Vele z.g. spiritueel geïnteresseerden zijn niet geaard, willen dat ook niet zijn, want de "aarde" is minderwaardig. 

Deze houding wordt gestraft door "verbranding", het losgeslagen zijn, de onrust, de zenuwcrisis. 

Het huwelijk tussen de ziel en de aarde maakt het brein vruchtbaar en geeft geboorte aan de verbeelding (Thoreau). 

Een evenwicht tussen ziel en aarde dringt tot het vervolmaken van de aarde en tot het vrijgeven van de ziel voor haar hemelvaart. 

Deze harmonie maakt ons vreesloos, de angst voor de dood, en de angst voor het geestelijke falen vallen weg. 

Bij elk mens is te bemerken in hoeverre de aarde en hemel met elkander strijden of elkander kastijden. De rust van de aarde geeft de ziel geduld; en geduld is een vorm van liefde. 

De hoogmoedige is liefdeloos, de ontwortelde is liefdeloos, de ontaarde spiritualist is liefdeloos. De aarde kent de liefde tot het "zijn", zij is een ondergeschikte van de wetten der existentie. 

Het welzijn van haar schepselen is geen zorg, zij is er om hun "zijn" te verzekeren. 

Wij zijn, als onevenwichtige mensen, als wezens die niet willen leren van de aarde, altijd bezig met ons welzijn, hoewel we nauwelijks weten wat dit betekent, gezien onze discussies en onze therapieën. 

Wat is geestelijk welzijn, wat is lichamelijk welzijn? 

Wie van ons weet wat het betekent om te voelen dat "Ik ben?" 

Het totaal doorvoelen, in elke cel, tot in je ziel: dat je BENT. 

Dat is zekerheid; indien dit uitloopt op arrogantie, is het: kastijding door de vuren en de luchten, de ontaarding. 

Spiritualiteit mag geen ontaarding zijn, maar het harmonische "Ik ben"; ik ben een kind van hemel en aarde; de aarde geven wat haar toekomt, haar laten omarmen door de hemel, haar zich laten koesteren in de warmte van een goddelijke ziel.  

Wiens ziel koestert die aarde en beschouwt haar als de tijdelijke dochter? 

Wie kastijdt die "dochter" of negeert haar? 

Weet niemand dat het voor de ziel een "genade" is als zij een harmonisch werktuig heeft? 

Als in de ontspanning allerlei denkbeelden, of ideeën opkomen, is de ziel bezig zich te bewijzen (ik spreek over geestelijke denkbeelden).  

In een disharmonisch organisme krijgt die ziel geen kans, al forceren wij alles via intellect en wil. 

De aarde bestaat in het "Uw wil geschiede". 

Een houding, die de meeste mensen zwaarvalt, of die ontaardt in het willoze meebewegen. 

De aarde offert zichzelf, aarde-typen zijn veelal bescheiden, kunnen zichzelf wegcijferen; daar tegenover zijn zij egocentrisch, hun existentie is belangrijk. 

Maar een ziel, die op de terugweg is, is ziele-centrisch; de schepping is egocentrisch; zij moet wel terwille van haar bestaan. Spirituele mensen tonen dikwijls egocentriciteit in hun geestelijke streven. 

Egocentrisch zijn is: om een middelpunt heendraaien, vrijwel niemand is gode-centrisch.  

Als al mijn gedachten om een kern draaien, volg ik de oerwet van atoom en cel; het ligt er slechts aan waaruit die kern bestaat.  

Het is goed eens na te gaan, waar omheen onze gedachten cirkelen, wat het belangrijkste in ons leven is: onze existentie, onze immanente god of ziel, want er is altijd een kern die ons draagt, en wie of wat is die kern? 

Welke kern drijft ons tot bepaalde daden, wat bewijzen onze daden? 

Wat bewijzen onze interessen, wat bewijzen de soort vrienden die we aantrekken?  

Een kern bepaalt ons zijn, zoals het vurige hart van de aarde haar draagt, en de samenstelling en de aanwezigheid van haar schatten  haar evenwichtig houden. 

Hoe meer de mensheid haar schatten rooft en er niets voor teruggeeft, des te zwaarder de aarde zich zal kunnen weren tegen  verval. 

Een godvrezende ziel geurt welriekend; een gezond organisme geurt welriekend; een gezonde aarde geurt welriekend. 

En deze geuren harmoniseren de schepping.  

Welke kern draagt ons? 

Is die kern in staat haar schil gezond te houden? 

Is die kern in staat de universele wetten te herkennen en dus te volgen? 

Waarom strijdt de mens over goed en kwaad? 

Waarom maakt hij zich druk over materialisme of spiritualisme? 

Als kind van hemel en aarde is hij materieel en spiritueel, d.w.z. hij tracht het abstracte uit te drukken in het concrete. 

Hij tracht de hemel te weerspiegelen in zijn aarde. 

Dat is toch geen thema voor een dispuut? 

De hemelse weerspiegeling is moeilijk, zeggen velen. 

Waarom? 

Omdat de ineigen aarde niet deugt. 

Waarom deugt die aarde niet? 

Omdat willen, wensen, begeren en het zijn uit hun proporties zijn getrokken. 

Waardoor? 

Doordat de mens noch met de aarde, noch met de hemel sprak, en zich slechts liet onderwijzen door mensen die het ook niet wisten. 

Is er ergens een betere gemeenschap denkbaar dan binnen de schepping, en dan binnen in ons organisme? 

Wat praten we over "nutteloos" - is er iets op aarde nutteloos - is er in ons organisme iets nutteloos? 

Het is mogelijk dat wij ergens het nut niet van onderkennen, maar dat ligt altijd aan ons. In ons leven zijn er altijd tekenen, symptomen, die ons onderwijzen, maar we zijn dikwijls hun betekenis vergeten, of het past ons niet ze te herkennen. 

Ons intellect minacht dikwijls de natuur, indien we dat intellect centraal stellen; in de spiritualiteit krijgen we de natuurhaat, die diverse dogma's kentekenen. 

Maar het hart houdt van de natuur, zij kan er Gode in weerspiegeld zien, hoewel het weet dat de natuur God niet is, maar slechts een spiegelbeeld met zijn onvolkomenheden. 

Elk hart vindt rust in de natuur, bitterheid, onrust, hoogmoed, zij worden opgelost als we languit op de geurige aarde liggen en omhoogblikken naar de hemel, als naar een ver ideaal. 

Harmonie is het accepteren van hemel èn aarde, en dat doen we als ons lichaam de aarde voelt, onze ziel de aarde inademt, haar geur balsemt haar heimwee, en onze blik, waaruit de ziel straalt, de hemel vasthoudt. 

De aarde is noch goed noch slecht, zoals ons organisme en ons ego noch slecht noch goed zijn. 

Wij, gevallen goden, maken hen slecht, of proberen hen te vergoddelijken. 

De dwangneurose die ons dwingt "gode gelijk te zijn", hoewel we het recept daartoe verloren hebben, verziekt organisme en ziel. 

Wat doen we als we onszelf loslaten? 

Wat doen we als geen plicht en geen maskerade, en geen comedie ons beklemmen? 

Waarheen gaat onze aandacht, waarheen onze wens, waarheen   ons hart? 

Wie zijn we in feite? 

Waar jagen we achteraan? 

Waarvan zijn we zo vermoeid? 

Waar is dat zozeer begeerde welzijn? 

Wie voelt zich niet wel, alleen met aarde en hemel? 

Wie voelt zich niet wel, in de droombeelden die zijn hart verheugen? 

Als we ons "wel" voelen, ZIJN we! 

En dat is de eerste en ook enige opdracht die ons organisme kreeg. 

De ziel IS als zij over haar aardse werktuig kan beschikken, en het kan gebruiken om haar vleugels te herstellen, zodat zij kan wegvliegen, haar verloren hemel tegemoet, zodra het werktuig vervolmaakt is binnen zijn mogelijkheden.  

En dit gebeurt als het kan luisteren naar aarde èn hemel, en zich laat beleren door de aarde èn de hemel.  

Maar dikwijls moet het dan de lessen van mensen naast zich neerleggen, want wijzer dan enig mens is de tijdelijke dochter van de goddelijke Natuur, waarin het goddelijke zich weerspiegelt. 

Lees in het Boek der Natuur en wordt vredig in de overgave die de aarde ons voorleeft.

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene