465 - kerstlezing 1983

Het wordt een Kerstmis om te overdenken en te mediteren, niettegenstaande velen het feest zien als een uitbundige tijd.  

De jaren '80 staan in de voorspellingen niet zo mooi aangeschreven, menigeen verwacht ieder ogenblik een catastrofe, het einde van dit jaar laat dan ook menige strijd zien, waarvan sommigen menen dat  dit wel eens het begin van het einde zou kunnen worden.  

Toch zullen de gezangen van vrede en liefde weer opklinken, in menig opzicht blijkt een mens zeer volhardend te zijn; misschien zou je het wel hardleers kunnen noemen immers, vrijwel niemand leert iets voordat hij de gevolgen heeft gevoeld.  

Voor degenen die inzien dat Kerstmis met zijn devote geloofsuitingen, totaal niets te doen heeft met het reële menselijke gedrag in dit rumoerige heden is het Joelfeest natuurlijk beter te aanvaarden. 

Tenslotte bevinden we ons in de donkerste dagen, en uiteindelijk komt de zon zo rond 22 december weer terug. 

Op mensen kun je niet vertrouwen, op de natuur wel, al doet ze lang niet altijd wat we haar vragen of bevelen.  

Er zijn wetten die zich niet storen aan menselijke ingrepen, gelukkig, en deze zetten zich door ondanks alles.  

Het is mogelijk dat dit één der laatste rustige Kerstfeesten zal zijn, we hier in het westen kunnen vieren en dus kunnen we twee dingen doen: ze luid mogelijk onze eigen onrust overschreeuwen, dan wel ons bezinnen en ons voorbereiden op de donkere dagen die we elkander zullen bereiden. 

Het zou mooi zijn als we rond Kerst eens zouden vasten, in elk opzicht; vasten van onze nutteloze of vernietigende gedachtenstroom; vasten van onze slechte gewoonten, vasten van onze slechte voeding, dit ook in lichamelijk en geestelijk opzicht. 

In de verre oudheid was de laatste dag van het jaar altijd een vastendag; een geestelijke terugblik, waardoor een nieuw jaar werkelijk nieuw begonnen zou kunnen worden.  

Maar wie zou er nu, nu Kerstfeest een eetfeest is geworden, willen vasten? 

Een eetfeest ook in religieus opzicht, want zijn de kerken niet voller dan ooit? Laten we deze dagen doorbrengen in dankbaarheid, dankbaarheid is één van de minst ontwikkelde gaven der mensheid; dankbaarheid om wat we Nu hebben, dankbaarheid omdat we ons Nu nog kunnen bezinnen en ons Nu nog kunnen herstellen.  

Dankbaarheid is de gave van de bescheidenen en Kerstfeest is eigenlijk het feest van de devote, bescheiden, dankbare mens.  

Grote persoonlijkheden zijn zelden dankbaar, omdat ze eigenlijk van het standpunt uitgaan dat ze - dat wat ze bezitten - hebben verdiend; en als ze dan tegenspoed krijgen zijn ze hevig verontwaardigd. Rampen worden dan ontvlucht, niet werkelijk doorleefd en zo omgezet in lering.  

Wat zouden we uit een Kerstmis kunnen leren? 

Heel veel!  

Het is nl. het Boek der Natuur dat wordt opengeslagen en iedereen, die wil, zou erin kunnen lezen. In deze donkere dagen worden we met onze neus op het wezen van de duisternis gedrukt; wie houdt van de nacht, de stilte, de eenzaamheid, de inkeer? 

Wie houdt van het verborgene, de plaats waar zowel schoonheid als afschuwelijke lelijkheid schuil kunnen gaan? 

Wie durft zijn eigen duisternis te ontmoeten? 

Wie schaamt zich over zijn tranen In de nacht?   

Hebben we er ooit bij stilgestaan dat het duistere er is om te groeien, om te herstellen en te harmoniseren? 

Hebben we ooit ons eigen duister gewaardeerd, of beschouwden we het als slecht, zwak, en moesten we het negeren? 

In dat wat duister in ons is, wonen onze geheimen, slechte zowel als goede. In de stilte en de duisternis. komen die geheimen boven, hun   aard verklaart onze reactie.  

De sentimentaliteit rond Kerst is niets anders dan een extra verbergen van de eigen duisternis en het, ondanks onszelf, geconfronteerd worden met de eigen zwakte.  

Vinden we emotionaliteit, sentimentaliteit, mystiek, geen zwakke uitingen? 

Het hele jaar zijn we flink, vinden we dat we dit moeten zijn, rond Kerst mogen we zwak zijn. Je kunt deze tijd eigenlijk een natuurlijke therapie noemen, het laten uitklinken van de schepping, waarin alle schepselen, of ze willen of niet, meedoen.  

Vandaar dat een negeren van de natuurlijke wetten - de duisterste tijd rond Kerstmis - ons in het nieuwe jaar zet als gespannen, onbevredigde, mokkerige mensen.  

Opzien tegen een nieuw jaar is immers al een teken van gespanenheid, van het niet-accepteren van de natuurlijke wet. 

In de natuur gedragen de seizoenen zich volgens de kosmische structuur, er is in hen niets dat daartegen in opstand komt.  

Een nieuw jaar is de voorbode van een wedergeboorte, de lente; iedereen weet dat dan hernieuwde kracht wordt gevraagd. 

Wel, iemand die in de donkere dagen niet uitgeklonken, tot stilte gekomen is, bezit nooit voldoende kracht om een hernieuwde krachtsinspanning te volvoeren.  

Dat is de aversie tegen een nieuw jaar, de aversie tegen januari, de aversie tegen die eerste bladzijde van de kalender, de aversie tegen het licht. In werkelijkheid heeft voor hen de geestelijke nacht niet lang genoeg geduurd, omdat zij er geen profijt van trokken.  

Vrijwel niemand onderkent nl. dat nacht of duisternis de "afwezigheid van beweging" betekent, en dit in psychisch, organisch en lichamelijk opzicht.  

Even voor Kerstmis is die "afwezigheid van beweging" op zijn sterkst. En wat doen we? 

We steken eerder de lichten aan, we proberen dit duister te verjagen, we bereiden inspannende reizen voor, we werken over, we doen boodschappen voor het Kerstfeest, kortom, we bewegen ons in gedachten, emoties en handelingen, intensief. 

En menigeen laat zijn gedachten vooruit snellen naar "het" feest, wat dit dan ook betekent; en ook dit vooruitsnellen is een intensieve mentale handeling, die reacties oproept in heel het organisme.  

Dan is het vanzelfsprekend dat we geestelijk en lichamelijk moe zijn als januari met zijn soms strenge, pittige, harde zondoordrenkte  dagen komt en dat we zeggen: "Ik wou dat het lente was."

Ja natuurlijk! 

Als de lente er is, zijn de geboorte-weeën van de natuur vrijwel voorbij. Dan wordt de geboorte zelf gevierd.  

Dan is het duister weer op de loop voor het licht.  

Waarom houdt een mens niet van de duisternis; waarom schuwen velen de nacht; waarom verbergen velen hun werkelijke wezen? 

Is dat voortdurend vluchten niet een intensieve inspanning, een onmogelijke levensinstelling, willen we gelukkig en vredig blijven? 

Dan brallen onze monden straks "vrede op aarde" en onze zielen wenen bittere tranen en onze hoofden en onze harten smeken aan het begin van het jaar: Ik wilde dat het lente werd. Of: ik wilde dat ik  eens lekker ziek werd, dan kon ik in bed blijven. 

Is de winter niet de tijd van yin, de tijd van het vrouwelijke of negatieve beginsel? 

Is de yin of dit vrouwelijke niet de eerste aanraking met de geest of de inspiratie? 

Waarom voelt menigeen zich zo leeg, zo onbevredigd, onvoldaan of incompetent? Omdat zij voorbijgaan aan de mogelijkheid van de inspiratie, zij rennen achter alle mogelijke tweedehands-interessen aan, maar vergeten hun eigen inspiratieve gaven.  

Allees wat verborgen, rustig, harmonisch, ongrijpbaar is, heeft iets te doen met inspiratie. Fel licht inspireert niet, het demaskeert.   

Alle extroverte dingen vragen kracht, hoe minimaal ook.  

De nacht vraagt volkomen afwezigheid van beweging, van inspanning; een opladende nachtrust is die waarin we totaal onbewust zijn. 

Het onbewuste doen geeft een heel andere reactie, dan het bewuste doen. Het onbewuste doen wordt ook niet aangerekend, zoals de Bijbel en andere esoterie zegt.  

Het onbewuste handelen is in werkelijkheid GEEN handelen, omdat er geen contact is met het bewustzijn, het NU.  

Als ik iets onbewust doe ben ik er met mijn gedachten, met mijn ego niet bij. Dat wat je onbewust doet is een signaal van je werkelijke zelf. Onbewuste handelingen vertellen iets van je karakter, van je gezond zijn, van je ziek zijn, van je materialisme of je spiritualiteit. Ook hier is het dus het verborgen, de nacht, die bepalend worden. 

Waarom negeren we dan de nacht, waarom zingen we haar weg, waarom feesten we haar weg, waarom werken we haar weg?  

Tallozen ergeren zich aan hun onbewuste handelingen, waarover zij zich schamen.  

Waarom? Omdat die waarlijk vertellen wie ze zijn, omdat ze de schijn doorprikken.   

Kerstmis, als bezinningstijd, is het feest van de bescheidenen en de oprechten. Van hen, die beseffen dat nu alle eer moet komen van de verborgenheid. En zij die graag bijbels-christelijk denken over Kerstmis, laten ze zich wel realiseren dat het kindeke in wikkels lag en iedereen die wel eens een kind in wikkels heeft gezien weet dat zulk een schepseltje volkomen beweegloos moet liggen, dat het wordt belemmerd in al zijn handelingen.  

Als bij ons zulk een Chrestoskind is geboren, dan staat ons nog heel wat herziening van onze inzichten te wachten om dit kind springlevend te maken.  

Windsels kunnen het nl.  ook verlammen, windsels kunnen het verstikken dan wel laten vergroeien.  

En januari kan komen met felle winden, ijzige koude, en een zon, die tegenover dat ijs nog niets kan doen. Het is nog steeds de strijd tussen duister en licht. Een strijd die eigenlijk pas gestreden is als de langste dag aangebroken is. 

Dan moeten we dus vol lichtende kracht zijn, dan moeten we blaken van levenslust, van inzicht, van herstellingskracht, dan moeten we elk donker moment door die kracht kunnen overwinnen of omzetten.  

Dan zullen onze nachten dus slechts oponthouden zijn tussen lichtende dagen.  

Is dat zo? 

Hebben we tijdens de donkere tijden zo intens ingeademd, dat we nu vrijwel constant kunnen uitademen? 

Ademen we rond Kerstmis geestelijk in? 

Beschouwen we de winter als een tijd van inademen? 

Wat hebben we allemaal al gepland? 

Waar gaan we allemaal achteraan rennen? 

Waarmede trachten we ons te vullen? 

Een inademing is een levensnoodzaak en dat waar we achteraan lopen, is dat een levensnoodzaak? 

Wat verstaan we onder Kerst-feest? 

Wat betekent voor ons een feest? 

Is inademen geen feest? 

Is de inademing geen reden tot dankbaarheid? 

Staan we ooit stil bij de natuurwetten, die ook ons beheersen? 

Hij, die voor de duisternis vlucht, is bang voor de inademing; daarvoor is altijd een motief te vinden.  

Hij, die niet van de winter houdt, van de nacht, van de stilten, hij is een extrovert mens, hij heeft de neiging tot energie-verspilling, tot het zich inspannen voor onbelangrijke dingen. 

Hij, die houdt van de stiltes, de rust, de intieme winteravonden, hij heeft de neiging tot isolement, introvertie, tot inademen en zelfvergiftiging door opsparen. 

De ene wil feesten, andere wil zich mystiek kunnen laten gaan tijdens de feestdagen.  

Als ze reeds disharmonisch zijn zoeken ze compensatie, dus het tegendeel van wat ze zijn en doen.  

En zo gaat elkeen een zeer individueel Kerstfeest in en doet het er niets toe wat anderen zeggen of aanraden, men doet wat men belieft  te doen.  

Deze reactie zal kenmerkend worden.  

Schijn ophouden rond Kerst wreekt zich in de navolgende tijden. 

Wreekt zich natuurlijk eigenlijk, want hij die de schijn ophouden wil, zal dit ook in zijn gewone dagelijkse leven doen.  

Het sentiment is een uitlaatklep voor overbelaste zenuwen, het sentiment is geen gevoelsbewogenheid, het is een eenvoudige natuurlijke reflectie van het organisme dat gestressed is.  

Menigeen zal zich rond de Kerstdagen over zichzelf verwonderen: hoe kinderachtig of kwezelig ze doen.  

Is daarvoor ook niet het balmasqué, het carnaval? 

Een afreageren van het gestresste organisme en hoe meer deze gebruiken in zwang komen, des te overspannen de mensen zijn.  

Men verlangt nl. naar de ongedwongenheid van het kinderlijk zijn, maar we vergeten dat dit kinderlijk zijn nog heel veel andere zijden heeft, spirituele, ontvankelijke, intuïtieve en ook wijze zijden.  

Niemand kan Kerstfeest, als natuurlijk gebeuren, negeren.   

Ook ons organisme zal daarop reageren en soms komen depressies, soms komen onlustgevoelens, soms vluchten we in de koesterende omarming van troostende feesten of een troostend samenzijn.  

Dit alles zegt dat de mens niet meer weet wie en wat hij is, niet meer weet hoe hij functioneert, niet meer weet wat zijn eigenlijke opdracht is.  

Zouden we daar niet eens snel wat aan gaan doen, ieder voor zich? 

Zouden we voor die schaduw kunnen vluchten, of zouden we ook hier gebruik maken van die schaduw? 

En ons haasten met rijp te worden door te beginnen met een inkeer, een bezinning, een verkennen van ons eigen duister.  

Wij wensen u een vruchtbaar Kerstmis en Chrestos-herdenking die u zal heugen en u zal schragen in het komende jaar 1984 

Vrede zij in u.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene