463 - een gesprek tussen mens en God

"Wie God wil overreden is dommer dan hij die Hem negeert."

Mensen hechten teveel belang aan woorden, omdat men meent dat spreken de enige mogelijkheid is, om te converseren en de mens, juist door het spreken, boven het dier is verheven.  

Om je heen ziende, bemerk je echter dat juist deze gave het   meeste wordt misbruikt, en het minste wordt onderkend. 

Spreken is nl. een halve kunst, het behoort bij het zwijgen om er een hele kunst van te maken. 

Geconcentreerd spreken is weinig, maar puntig iets zeggen. 

Zoals de punten en komma's in een geschreven zin beschikken over de beduiding van het geschrevene, zij zijn de dragers van het zwijgen. 

Nu de grammatica en de rhetorica, als de twee oude goddelijke kunsten, verwaterd zijn tot schrijven en praten, heeft de mens een afstand geschapen tussen God en zichzelf.  

Het goddelijke, of de godheid hield nl. altijd contact met zijn schepselen via de hemelse of heilige Kunsten. 

Het gebed, als het z.g. gesprek tussen God en mens, weggevloeid in de religieuze babbel.  

In een tijd waarin er een strijd lijkt te zijn ontstaan tussen praten en zwijgen, duidelijk te herkennen in het z.g. uitpraten en het z.g. mediteren, blijkt een contact tussen God en mens te worden vereenzelvigd met de therapie rond het mens worden.  

Een gesprek tussen God en mens behoeft immers geenszins te gebeuren met de tong? Laten we vooral het begrip God hier niet vervangen door organisatie. Hetgeen we kunnen pakken en begrijpen, kunnen we door woorden volkomen uiteenrafelen. 

Hetgeen we niet begrijpen, blijft voor onze heiligschennis verborgen.  

Het heilige laat zich niet vernietigen door het onheilige; slechts het semi-heilige staat daaraan bloot. 

Degene die contact met God heeft bezit altijd een goed geweten, en een goed geweten houdt rekening met goddelijke wetten, die zich verre houden van vernietiging, maar altijd bezig zijn met transformeren, dan wel scheppen. 

Elk contact met God sluit een transformatie dan wel een schepping in. Niets blijft onberoerd door zulk een aanraking of wisselwerking. 

Degenen die dit niet kennen, bewijzen hun onkunde door hun methoden, daden en voorschriften. 

Een direct gesprek tussen God en mens verandert de laatste. 

Iedereen weet dat in noodsituaties men een bovenmenselijke hulpbron zoekt, vaak nadat alle menselijke hulpbronnen tevergeefs zijn aangeboord. 

In nood leert men zichzelf kennen, dan ziet men ook of er een innerlijke kern bestaat die beschermend, dan wel verdedigend werkt. 

Je kunt je, gezien de bewijzen, afvragen wat voor verschil er zou zijn tussen een esotericus-in-nood en een kerkelijk mens-in-nood. 

Hoewel de terminologie verschilt zullen beiden een bovenmenselijke bron aanspreken.  

De ervaring leert echter dat een esotericus-in-nood, zijn esoterische scholing laat vallen, om terug te keren tot het direct aansprekende woord. Nood ontmaskert, nood vraagt een direct contact, nood vraagt eenvoud. 

Waarom is esoterie niet één-voudig? 

Waarom is zij verworden tot duizend- en één terminologieën? 

Waarom is kerkelijke religie gekristalliseerd in de primitiviteit? 

Als je werkelijk hulp wilt hebben vanuit een geestelijke bron dan werkt slechts de éénvoud, een ongecompliceerd woord, en directe gedachte.  

Is dit niet zo? 

Staan esoterie en kerk dan tussen god en mens als obstakels? 

Een hart-in-nood stoort zich niet aan obstakels, het kiest zijn eigen richting of weg. Dat is ons geluk, maar ook - en dat is onze eigen schuld - ons ongeluk. Zodra onze schijnheiligheid en ons intellect ons hart regeren, laat het hart zich tot aan ziekmakens toe knechten.  

Althans in het dagelijkse leven. 

Een geknecht hart wordt in ieder geval een ziek hart; een geknecht hart kweekt altijd een ziek of een ongelukkig mens. En er is geen gesprek tussen God en mens mogelijk zonder medewerking van het hart. 

Hebt u wel eens iemand gesproken die zegt "zijn geloof te hebben verloren?"  D.w.z. zijn geloof in een oerbron? 

Niemand is beklagenswaardiger dan hij, het is een onvoorstelbare eenzaamheid, men is losgeslagen van een wezenlijke levensbron. 

Dit treft veel dieper dan het zich eenzaam gevoelen onder velen; hiervoor is de oplossing: je terugtrekken met jezelf. 

Maar losgeslagen zijn van een oerbron is tevens zich eenzaam gevoelen met jezelf. Dan ligt de oplossing nooit in levensgezellen, noch in isolement; integendeel, men vindt geen oplossing en wordt opgejaagd. 

Geen diertje en geen bloempje kunnen leven zonder licht. 

We weten allemaal dat scheppingen of schepsels die volkomen in het donker leven de meest lugubere zijn, kijk naar de zeebodem. 

Een mens is geschapen om door middel van licht en duister te leven, hun wisselwerking houdt hem levend. 

Dat is een natuurwet, maar ook een geestelijke wet. 

Het is de basis van de ademhaling, het in- en het uitademen.  

Als je de verbintenis met een oerbron hebt verloren, parasiteer je op een nog aanwezige reserve. Die kan nooit onophoudelijk duren. 

Als men zich beklaagt: "zijn geloof te hebben verloren", worden de symptomen van de ledigheid reeds voelbaar. 

Het wordt dan tijd voor een gesprek tussen God en mens. 

En dan komt het probleem: waar zoek je God? 

Het "geloof verliezen" heeft nl. ook iets te maken met de toestand  van het hart. En het is altijd het hart dat God weet te vinden, ondanks alles. 

Een bitter hart vindt God niet, hoewel het dichter bij God staat dan een hart dat God probeert te overreden. Vervloeken is nl. ook een contact. 

Als we God verfoeien, omdat hij ons "dit of dat" zou hebben aangedaan, wenden we ons - hoe dan ook - tot een oerbron.  

Als we bewust die God of oerbron negeren zijn we - diep in onszelf - bezig iets of iemand te provoceren. Dat is veel beter dan gebeden prevelen of formulen opeen te stapelen. 

De eerste schiet, naar zijn eigen gevoel, niet aan zijn doel voorbij, hij is bezig God te straffen. De laatste is slechts met zijn leer of/en zijn organisatie bezig. 

Het gevoel te hebben God te straffen of zich op Hem te wreken, betekent niettemin met God in gesprek te zijn. 

De lauwe kan zich tevreden stellen met aangeleerde gebeden of formulen en ceremonieën; de woedende wil direct contact met God. 

Woede komt uit het hart, geloof komt uit het hart, vrede komt uit het hart. 

Alles speelt zich in het hart af; Bethlehem wordt vernietigd dan wel herschapen in het hart. 

Zonder hart bereiken we Bethlehem niet eens, maar dolen rond, zijn we bezig met reizen naar een vermeend doel. Er zijn tallozen die teleurgesteld zijn in hun kerken of groeperingen, maar dat heeft niets met God te maken. Er zijn evenzovele mensen die een levensvulling vinden in hun kerken of groeperingen, maar dat heeft ook niets te maken met een gesprek tussen God en mens. 

Wie wéét waar God woont? 

Hij, die Hem heeft gevonden. 

Wie heeft Hem gevonden? 

Hij, die innerlijke vrede vindt en wijsheid uitdraagt. 

Dezulken vindt men in alle lagen van de bevolking. 

Men vindt hen in alle groeperingen, atheïsten, occultisten, kerkelijken. 

Bewijst dat niet dat God onze sekten, kerken en methoden negeert? 

Is dat niet teleurstellend voor hen, die menen God binnen hun beweging of kerk te hebben? Of houden zij zich tòch niet met God bezig? Met wie dan? 

Met hun eigen theorieën, met hun heiligen en voorgangers? 

Een gesprek tussen God en mens is onontbeerlijk om innerlijk  levend te blijven. 

En dan is het - voorlopig - niet belangrijk of we een woedende conversatie met Hem hebben dan wel een dankbare. 

Het is niet zoals ons geleerd werd dat wij Gode kunnen beledigen,  dat zou tè belachelijk zijn; wij kunnen hoogstens ons afsluiten en daarmee hebben we altijd onszelf.  

En die reactie op zulk een afsluiting in ons hart, ons denken en ons organisme, zouden we dan - kerkmensen zijnde - als wrake Gods kunnen bestempelen, hetgeen natuurlijk primitief is, want een Oerbron kent noch wrake, noch bevoorrechting. 

Hij is!  En wat wij daarmee doen is onze zaak. 

Wij behoeven Hem niet te zoeken, zoals menigeen meent, want hij  IS.  We moeten ons daarvan slechts bewust worden.  

Hoe? 

Meestal door eens duidelijk, eerlijk en serieus met onszelf te praten. Iedere mens kan weten dat hij verbonden moet zijn met een kosmische instraling, of met een opladen vanuit een Bron. 

Hoe hij dit noemt is totaal onbelangrijk. 

God laat zich niet misleiden door termen; dat doen alleen mensen.  

Een gesprek met God zet elke mens weer op zijn benen, ook de ongelukkige dan wel zieke mens.  

Het gaat er slechts om of iemand redelijk kan zijn. 

Redelijk ben je als je hart meespreekt. Als hart en hoofd in evenwicht zijn .Zowel emotionele als intellectuele mensen kunnen zeer onredelijk zijn. 

Woedende mensen zijn onredelijk, dweperige mensen zijn onredelijk, dogmatische mensen zijn onredelijk. 

Wij zijn, meestal, onredelijk tegenover de oerbron. 

Of alles is Zijn schuld, dan wel, alles komt van Hem. 

Ofwel Hij bemoeit zich met niets en niemand, en dat is ook Zijn Schuld.  

Zowel de religieuze - als de a-religieuze mens - schuiven alles op Hem, nooit op zichzelf. Onze vrije wil houdt in., dat we alles kunnen omzetten naar ons eigen inzicht.  Helaas!  

Er is géén menselijke organisatie, zelfs nauwelijks een mens, die zijn medemensen zulk een gevaarlijke vrijheid gunt. 

Gevaarlijk voor zichzelf en anderen, gevaarlijk voor alles wat mensen in stand houden, maar niet gevaarlijk voor goddelijke dingen of datgene waarin Gode leeft of doorstraalt; daarin voltrekken zich de goddelijke wetten, die altijd op hun tijd ingrijpen, hoewel mensen dit niet begrijpen. 

Wij maken ons, in diepste wezen, zorgen over de instandhouding van onszelf, alsof wij daarover te beslissen hebben.  

De kosmische wetten hebben het laatste woord, altijd. 

En onze angst daarvoor doet ons "ach en wee" roepen, omdat velen weten wat we ontketenen. Wij ontketenen te weinig goeds, eenvoudig omdat het overgrote deel der mensheid geen goede verstandhouding met de Oerbron of met God heeft, ondanks het platlopen van religieuze of occulte of ceremoniële bijeenkomsten. 

Deze kleine minderheid is zo zwak, dat zij het evenwicht tussen Oerbron en schepping niet in stand kan houden. 

Wellicht gaat alles nog goed doordat zij iets bewerkt.  .

En dat "iets" zijn spaarzame vlammetjes van individu tot indvidu, een vlammenreeks die door alle bewegingen en door alle rassen loopt. 

Een vlammetje waarvan men zich wellicht niet bewust is, omdat de vlam levend blijft door het geestelijk voedsel, een waardig voedsel, en dat kan een goede kool zijn, maar ook een fel brandend stuk hout. 

Als bewakers van zulk een levende geestelijke vlam, weten we wat haar levend houdt. Iedereen ondergaat immers wanneer hij innerlijk rijker wordt, wanneer innerlijk armer, of wanneer hij dichtgeslagen wordt? 

We staan daar echter te weinig bij stil, we laten ons zo léven, door allerlei onbelangrijke, dikwijls onbenullige dingen. 

Zelfs geld en macht zijn onbelangrijk. Macht bevredigt het ego, niet de werkelijke mens. Geld bevredigt het machtsgevoel, maar maakt ons innerlijk niet gelukkiger. 

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om menselijke maatstaven aan te leggen met betrekking tot de maatschappij, en met betrekking tot medemensen. 

Menselijk gezien bestaat er slechts onrecht. 

Van bovenaf bekeken, op de hoogte zijnde met het wiel van geboorte en dood, met de eeuwigheidsfactoren, is dat nog de vraag.  

Wij willen allen in dit leven gelukkig zijn, met welk recht? 

Waaraan hebben we dat verdiend, als we niet beseffen wat we in vorige levens hebben uitgespookt? 

Met welk recht, als we niet beseffen hoezeer we de vanzelfsprekende natuurwetten verkrachten, met welk recht als we ons afsluiten van geestelijke lichttoevoer? 

Met welk recht, als we onszelf, onze wetten, onze bewegingen en  onze maatstaven hoger achten dan de Oerbron? 

Met welk recht, als we niet meer onderkennen kunnen, wat het belangrijkste is in het leven? 

Welke arrogantie schrijft ons voor dat we een "goed" leven moeten hebben? 

In een eerlijk, zeer intens gesprek met God of de Oerbron komen we beslist te weten, waarom we ongelukkig zijn of er iets mis is in ons leven. 

Alles is nl. gebaseerd op wisselwerking, en er kunnen slechts twee oorzaken zijn voor ongelukkigheid of narigheid: ofwel er is geen wisselwerking en dus levenloosheid met alle gevolgen van dien. 

Ofwel er is een wisselwerking met een verkeerde bron, die altijd echter tot de tijdelijkheid zal behoren. 

Gelukkig maar, want zo heeft alles op aarde een einde. 

Daarom noemen we "geluk" voorbijgaand, omdat ons gelukheidsbesef samenhangt met aardse dingen. 

Dat zouden we onszelf eens moeten bekennen.  

Zulk een bekentenis kan degradatie - in onze eigen ogen - inhouden, maar wat dan nog? 

Wie willen we een rad voor de ogen draaien? 

Onze medemensen, onszelf, de Oerbron? 

De Oerbron stoort zich niet aan onze schijnhouding, en verder is alle schijn, zoals alles op aarde, een tijdelijke situatie.  

Als deze ophoudt, zitten we op de blaren. 

En als we op de blaren zitten komt onze wrok, onze angst, ons hulpgeroep, soms ons inzicht.  Gelukkig. 

Maar de blaren kunnen ook aanleiding worden tot dat gesprek  tussen God en mens. 

Misschien een verhit gesprek, maar altijd een contact, een hernieuwd contact, dat uitlopen kan in herkenning, dankbaarheid, wijsheid.  

Dat heet: levenslessen, dat heet rijpen, groeien, gemodelleerd worden naar Gods evenbeeld.  

Als we maar reageren. 

Men zal nooit kunnen zeggen: God is goed. 

Men zal wel kunnen zeggen: God is Liefde. 

Maar dat beseffen we pas als we weten wat Liefde inhoudt. 

En dat weet niemand, voordat hij de zweep van de ingrijpende levenslessen heeft gevoeld.  

En hoe meer eelt we op ons hart hebbe des te harder de zweep zal slaan, want laten we nooit vergeten, dat geen bemoeienis, onverschilligheid betekent. 

En laten we ook nooit vergeten dat de zweep wel eens kan slaan, omwille van leringen die we in vorige levens hebben genegeerd.  

Een Oerbron is geen kastijder en geen trooster, hij is allebei.

Het ene heft het andere op. 

Zodra we contact hebben met die Oerbron zijn we rijp voor beide zijden. 

Uit beide leren we - beide verwachten we. 

Een "gesprek met God" opent sluizen die onvermoede gaven over ons uitstorten. Of onze benen dan sterk genoeg zullen zijn moeten we bewijzen. 

Spreken met God is weten wanneer je zwijgen moet.  

Maar één ding bezit deze mens: de zekerheid dat het geluk hem nooit zal ontvlieden, wat ook komen moge!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene