460 - goochelen met God

"Niets is alles en alles is het volkomen niets." 

Japans 

Wij zijn gelukkige mensen zodra we de aangehaalde zin begrijpen. 

Zij komt uit het Japanse Boeddhisme, dat ook zegt dat "alle mensen in diepste wezen Boeddha zijn".  

Het is een alomtegenwoordig begrip dat we overal kunnen toepassen behalve in de dogmatiek.  

Zodra we grenzen trekken worden we aards, aards denkende schepsels; dan laten we het Godsbegrip achter ons en redeneren, filosoferen en discussiëren Hem dood. Elke leerstelligheid doodt Hem, doodt eveneens de Boeddha of de Lichtgeborene in ons.  

Het is onze bedenkelijke kwaal dat we alles omlijnd willen zien, dat we het met ons verstand of onze emotie grijpen willen, wij hebben niet zoveel vertrouwen in het zich "aandoen".  

God wordt ons aangedaan zodra wij goddelijk zijn. 

Boeddha komt over ons zodra we innerlijk Boeddha zijn.  

Noch God noch Boeddha hebben dan iets te maken met het dogmatische boeddhisme of het dogmatische christendom.  

Het is een gezegende ervaring als we het grenzeloze als een bliksemflits hebben beleefd, dan weten we dat het begrensde onwerkelijk is, een schijntoestand. 

Overal in de wereld wordt er op de ene dan wel andere wijze over God gesproken, over heiligheid, inwijding, verlichting; maar dit beredeneren brengt ons niet dichter bij het doel, integendeel, hoe scherper we het kunnen beredeneren, des te intenser wordt dit doel in onze hersens geïntegreerd. Daar ontstaat dan de leer, de filosofie, een interpretatie van God, waarmee Hijzelf niets te maken heeft.  

God lééf je, Boeddha lééf je. 

Dat wat, in dit moment, zegenrijk aan ons is, is God of Boeddha, komt uit die bron.  

In die diepe bron zijn Boeddha en God één; daar wonen geen afscheidingen en daar woont maar één waarheid, één Licht.  

Uit die éénheid komt dan de handeling, de bevrijdende gedachte, of het verlossende woord. 

Als we die éénheid, in een flits hebben ervaren, vragen we niet naar geluk of ongeluk, dan worden we evenwichtiger in het doorleven van de twee kanten van onze natuur. 

De oorsprong van geluk en ongeluk die moeten we grijpen, doorleven, ervaren, willen we komen tot die z.g. verlichting, inwijding of het "kwaad noch goed kunnen mij deren". In lof en blaam dezelfde blijven. 

Het God of Boeddha léven sluit dus direct uit dat een ander hèn voor je kan oproepen, je een voorbede kunnen zijn. 

Dat alles is mogelijk in de menselijke leerstellingen, maar niet binnen het goddelijke levensprincipe. 

Zoekende mensen bewegen zich op weg naar God, zoals zij menen, zij zijn één en al zoekersdrift waarbinnen geen gelegenheid bestaat voor die flits van Godservaren. 

We willen God of Boeddha of het Licht in ons trekken, in ons oefenen, dwingen bij ons binnen te gaan. 

Dat zijn we zo gewend vanuit onze menselijke samenleving: wij worden gedwongen - onder bedreiging of voorwendselen - om iets aan te nemen of iets te doen. 

Dat gedrag verleggen we eenvoudig naar het goddelijke; het:  "dwingt ze om in te gaan", is een menselijke uitspraak, nooit goddelijk.  

Sluit deze zin niet de vrije wil of de vrijwilligheid uit? 

Wij dwingen onze beeltenissen aan onze kinderen op; wij dwingen onze mening aan onze naasten op; van alle zijden wordt er een suggestieve dwang uitgeoefend om God te zien zoals hij of zij, die groep of die kerk, Hem ziet. 

Het krioelt van de gesneden beeltenissen, zonder dat er materiële vormen mee annex zijn. Deze gesneden beeltenissen zijn aantrekkelijk voor hen, die houden van voorgesneden, voorgekauwde voeding, hoewel dit een kinderlijke eigenschap is, van heel kleine kinderen. 

De onderzoekingsdrift wordt getemperd, verlegd door het geprepareerde geestelijke voedsel. 

Het is niet voor niets dat in een tijd waarin men protesteert tegen voedselbewerkingen, er tegelijkertijd een rebellie is tegen het dogma, tegen het goochelen met God. 

Is een voorganger die door het verwisselen, toevoegen of weglaten van een bijbelwoord, opdat de tekst beter bij zijn idee past, geen goochelaar? En de beste goochelaar heeft de meeste volgelingen, nietwaar? 

Het is vanzelfsprekend dat hier dan andere motieven in het spel zijn dan het voor- of verlichten; het kan ook een onstuitbare drang zijn om gelijk te krijgen. Maar waar blijft dan het God léven? 

Je leeft instinctief datgene uit waarvan je bezield bent en dat kunnen vele dingen zijn. Niemand behoeft je te dwingen je eigen ideeën op te volgen, indien die ideeën uit jezelf voortkwamen.  

Dat wat in je leeft komt altijd naar buiten, nietwaar? 

Het is totaal onbelangrijk op welke plaats we in de samenleving  staan, er komt een moment dat de "aap uit de mouw komt" of dat het "goddelijke zich bewijst".  

Het "goddelijke" kan vele facetten hebben; God is niet beperkt tot één aanzicht; God is alomvattend, alomtegenwoordig, maar alle uitingen komen uit die ene Oerbron. 

Daarom kunnen geluk en ongeluk uit die ene oerbron komen, en niemand van ons kan klaar en duidelijk vaststellen wat geluk of wat ongeluk is, omdat we de oerbron niet doorschouwen.  

Zowel geluk als ongeluk zijn tijdelijk, begrensd, en iemand die de oergrond ervaren heeft hecht geen waarde aan het begrensde, laat  zich er in ieder geval niet door beheersen. 

Waarom, zo kunnen we ons afvragen, hebben velen in zich het verlangen naar een beschermende groep, kerk of sekte? 

En dit verlangen behoeft zich helemaal niet op religieuze groeperingen te richten, psychologisch gezien wil iedereen ergens bij horen. 

Dat zie je aan de kledinggewoonten; en dat begint al in de jeugd. 

Wij delen onszelf in in groepen, omdat we niet alleen willen staan.

Alleen, waar tegenover? 

Zijn we bang? Voor wie, voor wat? 

Willen we ergens tegenaan leunen? Waarom? 

Van oudsher leefde de mens in groepen om zich tegen roofdieren en aanvallende stammen te verdedigen, nietwaar? 

Het "zich verbergen in een groep" is dus een zuiver verdedigend natuurinstinct. 

Een instinct waar natuurlijk op een zeer psychologische manier gebruikt van wordt gemaakt door allerlei groeperingen, die goed de psychologie hanteren.  

Zouden we echter God léven, dan zou deze groepsdrang wegvallen, want God bewijst zich door eenheid en op geen enkele andere wijze.  

Eenheid in jezelf, niet groepseenheid in de verdediging; die verdedigende eenheid houdt op in tijden van rust.  

Het gevaar vraagt de vereniging van de veelheid, gevaarloosheid bepaalt de mens bij zichzelf. 

Een godlevend mens heeft vertrouwen in zichzelf, in God, in Boeddha, in de Oerbron. Hierdoor zoekt hij nooit groepen, hoewel hij uitwisseling nodig heeft en ook animeert. 

Een groep verstikt de zelfontwikkeling, houdt zich altijd aan de groepsontwikkeling, een groep is net zo sterk als de zwakste schakel, nietwaar? 

Niettemin voelen velen zich heerlijk binnen de beschermende mantel van een groep, uitsluitend omdat zij hun eigen zwakte kennen of vermoeden. Nu is zwakte geen kwalijke eigenschap, maar met zwakte moet je net zo goed iets DOEN als met sterkte. Je zwakste kant is de kant waar je toegangsdeur zit.  

Je zwakste kant heeft dus te maken met je ontvankelijkheid en je suggestieve gevoeligheid.  

Maar je zwakke kant is ook heel dikwijls de kant van waaruit een innerlijke verandering geschapen wordt.  

En "veranderen" willen we allemaal.  

Ik hoor zo dikwijls dat de mens zich wil verbeteren, of veranderen of heiligen. Deze omwenteling gaat via je zwakke kant, die op dat moment dus je 'beste" kant of je "sterkste" kant kan zijn. 

Ontelbare mensen schamen zich voor hun z.g. zwakheid. 

Het betekent: daar ben ik kwetsbaar. 

Kwetsbaarheid is ook dikwijls: gevoeligheid. 

TE kwetsbaar zijn, is immers OVERgevoeligheid, en dan wordt het een ziekte.  

Je hebt echter ook: ONDERgevoeligheid en dat is eveneens een ziekte, hetgeen de z.g. sterke personen vergeten.  

Velen houden van groepen omdat ze daarin zwak mogen zijn, de groep is er immers om hen te verdedigen, 

Levensmoede mensen vallen maar al te dikwijls in de handen van groepsronselaars. Wij kunnen vermoeid worden van het "sterk" moeten zijn en we kunnen ons ergeren aan onze zwakten. Beide stadia zijn kwalijk en hebben niets te maken met spiritualiteit. 

Zij zijn menselijk, maar kunnen niet worden meegenomen in de spiritualiteit, in het grenzeloze. 

We moeten onszelf afvragen: wat we zoeken? 

Ligt ons zoeken op het menselijk-psychologische vlak? 

Dat is best, maar noemt het dan niet "spiritualiteit" of geef het nog een stralender etiket. 

Jezelf kunnen loslaten, kan te maken hebben met het verglijden in Boeddha of God. 

Jezelf loslaten lost elke vorm van angst op; angst komt altijd omdat je jezelf niet vertrouwt, omdat je bang bent bezeerd te worden, of beledigd. Angst heeft dus altijd met je ikje te maken, met dat zich ongelukkig of gelukkig voelende ikje. 

Buiten de ingewortelde angsten, stikken we in de ingesuggereerde angsten. Angst maakt ons afhankelijk. 

Aan elke levensvorm, aan elke levensgewoonte kleeft een angst.  

Dat is de keerzijde van onze existentie. 

Of we ons door die angst laten manipuleren is een ander hoofdstuk. 

Filosofie, esoterie, zowel als geld en goed kunnen heel goed gebruikt worden om de angst te maskeren. 

Ons zoeken kan steken blijven in de filosofie; wij kunnen ons van het God-léven afkeren, om te vluchten in oefeningen, in literatuur en methoden.  

De mens die spontaan leeft, leeft zichzelf; zijn innerlijke bewustwording komt dan via zijn z.g. "zwakke" zijde; een zwakke zijde die hij erkent, maar niet vereert, maar ook zijn sterke zijde zal hij niet bewonderen. Er is geen kracht zo bewonderenswaardig of hij wordt wel door een zwakke kant gereduceerd. 

Niemand is alleen zwak of alleen sterk. 

We moeten echter minder van onze sterke zijden gebruik maken en meer van onze zwakke.  

Je zwakke zijde kan b.v. zijn dat je te beïnvloedbaar bent, maar je kunt deze beïnvloedbaarheid ook uitbouwen tot intuïtiviteit.  

Het gaat er slechts om dat de mens zichzelf op de juiste wijze hanteert; als invloeden van buitenaf groepen, medemensen ons kunnen beïnvloeden, waarom kunnen we onszelf dan niet naar ons eigen inzicht beïnvloeden? 

Onze angst, die we verbergen in een groepsvorming b.v., zit ons dwars. We geloven niet in onszelf, wel in een groep of een autoriteit? 

Waarom? 

Omdat we noch de autoriteit, noch de groep door en door kennen, hun z.g. zwakten kennen we niet. 

En die kennen we bij onszelf.  

God léven is beginnen onszelf te leven; zolang we dat niet doen zoeken we heil in leerstelligheden, in menselijke, dus begrensde opvattingen. Je kunt naar God of Boeddha toeleven.  

Hoe? 

Door jezelf te zijn, door eerlijkheid tegenover jezelf, door je angsten te onderkennen èn te ontmoeten. 

En vooral: door Boeddha of God direct in je nabijheid, in je en om je te herkennen.  

Een zoekersweg begint altijd met op pad te gaan naar jezelf. 

Maar je moet op een gegeven moment daaraan wel voorbijgaan. 

Het is een stadium, een begin.  

Psychologie of welke therapie dan ook maakt nooit een verlichte van je. 

Verlichting ontstaat spontaan. 

De verlichting kent geen menselijke normen, hij kent wel menselijke, geestelijke adeldom.  Elk mens die iets van innerlijke adeldom bezit, heeft iets van verlichting: spontane innerlijke adeldom.  

Het mensen helpen, ongeacht je eigen risico's, ongeacht je eigen welzijn, is een stukje innerlijke adeldom.  

Geen enkele leerstelligheid kan je de verlichting schenken, ook niet als men je verplicht humanitair te zijn b.v.  Geen enkele verplichting ontsteekt je innerlijke, je geestelijke inspiratie, ontvlamt je.  

Datgene wat je bezielt, ontvlamt je.  

Een groep kan je troosten, ceremoniën kunnen je troosten, afleiden, misleiden, sussen.  

Maar zij kunnen je niet BLIJVEND bezielen, misschien een ogenblik injecteren, maar een injectie raakt uitgewerkt.  

Klagen we daar niet altijd over: Dat een geestelijke injectie veel te snel raakt uitgewerkt? 

Zij duurt langer indien er een aanrakingspunt was, dan blijft hij nawerken, niet bezielend, maar herinnerend.  

Gode-léven is de diepten en de hoogten ervaren en gode-zijn is je noch door diepten en hoogten uit de koers laten brengen. 

Het gode-zijn is hetzelfde als het Boeddha-zijn; het is een leefstadium waarin je je bewust bent van God of Boeddha. 

Dan klem je je niet meer vast aan welke uiterlijke vorm ook, noch aan medemensen of organisaties, dan klem je je überhaupt niet weer vast, want dan STA je werkelijk.  

Want, om met de Japanners te spreken, "de oorsprong moet je grijpen en alles wat eraan en er omheen is moet je laten vallen." 

Want niets is belangrijker dan het verglijden in God of Boeddha en we kunnen dat weten als we de flits-ervaring hebben gehad.  

En die komt weer!  

Als we maar alles erom en eraan negeren. 

Maar terwijl léven, spontaan leven. 

Staan in de ervaring van het zijn - het zèlf zijn, komt voor het gode-zijn. 

Als we dit nu werkelijk begrijpen, waar maken we ons dan zo druk over?

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene