455 - golems, robots en klonen

"God maakte de vrijheid, de mens heeft de slavernij gemaakt."  

Chenier 1787 

"De leeuwerik zingt schoner in de nachtelijke eenzaamheid dan aan het venster van de koningen." 

Vauvenarges 1746 

De mens kan zichzelf verlagen indien hij zich ongelukkig gevoelt, hij prefereert soms een slaaf te zijn inplaats van de nachten eenzaam door te brengen. 

Dit bewijst dat hij de grootsheid van het menselijke zijn niet verstaat en zijn slavernij past bij zijn karakter: wie als slaaf leeft, is geboren om het te zijn.  

Menigeen laat zich vormen naar de beeltenis van de ander, daar waar hij vergeet dat hij reeds de beeltenis Gods in zich draagt. 

Wat maken we onszelf ongelukkig uitsluitend doordat we ons ware wezen, onze opdracht en onze afkomst niet kennen.  

Zich onderwerpen aan de medemens is slechts toelaatbaar indien er een affectie bestaat, die berust op eerbied. 

Hierdoor zal degene die de onderworpenheid toestaat nooit misbruik maken van zijn macht. Integendeel, op het moment suprème zal hij de onderworpene stimuleren om zich vrij te maken. 

Niet iedereen kan zijn vrijheid direct in de hand nemen, voor velen van ons bestaat er eerst een tijd van onderworpenheid.  

De onderworpenheid betekent: de kudde, die gemanipuleerd wordt door het individu. 

Uit de kudde losbreken betekent consequenties aanvaarden, je  losmaken van een voorgedrukt patroon en het invullen van je eigen wetten.  

Dit gedrag riskeert de keuze tussen wetteloosheid en een binding  met een innerlijke wet, ingeschapen in dat eeuwige individuum dat  het signaal gaf om los te breken uit de menigte. 

Een golem, een robot en een kloon missen dit individuum, zij leven uit de inspiratie van hun menselijke schepper en sterven met hem. 

Is het niet een feit dat velen hun bezieling, hun z.g. geestelijke gedrevenheid zien wegsterven met de dood van hun menselijke meester of leider? Hun robotschap heeft dan afgedaan, zij gaan meestal op zoek naar een andere leider om opnieuw gekloond, geprogrammeerd te worden, omdat uit henzelf geen programma opkomt. 

Is bij de computer niet altijd de programmeur belangrijker dan de computer zelf, een afhankelijk apparaat? 

De menigte is een enorme computer afhankelijk van de programmeurs die haar weten te hanteren.  Een groep idem dito. 

De programmeur is een eenlin, een unicum, en hij beschikt over dat speciale programma voor dat ene apparaat, die ene groep, die menigte van deze of gene volksaard. 

Spiritualisten, mystici, als ze theoretisch blijven, hebben ook hun eigen programmeurs die inspelen op hun specifieke geaardheid en hen daardoor manipuleren, bedienen kunnen. 

Het programmeur worden - in eerste instantie van jezelf - betekent eenzaamheid, het alleen staan in de stormen, de hitte, de chaos. 

Dat vraagt een houvast, een innerlijk houvast, want elke menigte, elke groep, elke slaaf, zijn evenzovele vijanden van hun meesters of leiders. Een niet strak in de hand gehouden apparaat ontspoort. 

Alleen de gedisciplineerde, beheerste, innerlijk vrije mens, die van nature koninklijk is, ontspoort niet. 

De onrijpe slaaf, die door een omstandigheid losgerukt is van zijn meester, gaat zich te buiten aan hetgeen hij heeft gemist: macht, rijkdom, materie, losbandigheid. 

Men kan in veel dingen losbandig zijn, geestelijke losbandigheid betekent eten van elke ruif, drinken uit elke drinkbak, ongecontrôleerd jezelf voeden met goed en slecht, en vooral onbeheerst alles proberen.  

Dan raakt het menselijke instrument, de natuurlijke computer ontwricht, er is niemand die hem leidt, het wordt het slachtoffer van de afwezigheid van een leider, en wordt onbestuurbaar. 

In hoeverre zijn we zelf onbestuurbaar geworden door gebrek aan innerlijk leiderschap, door een afwezigheid van de koninklijke? 

Onbestuurbaar worden betekent zwalken, zonder doel, zonder begrip van afkomst en taak.  

Is dat een waardig mens-zijn? 

Is dat een spiritueel bewustworden? 

Maar als je in je leven niet èèns hebt gezwalkt, weet je niet wat het betekent houvast te hebben. En als je steeds slaaf bent geweest, weet je niet wat het betekent overgelaten te worden aan de getijden des levens. 

Houvast bezitten in vrijheid is zoveel méér dan geborgenheid; zoveel meer dan een imitatie-ouderschap onder de dekmantel van enige orgranisatie. 

Innerlijke zekerheid bezitten is een reisverzekering voor het hele leven. Wat ook komen moge, wat je ook ontvallen zal, welke eenzaamheid je ook ontmoet, en welke vijandigheid je ook vernietigen wil. 

Wie is eenzaam? 

Is men eenzaam door gebrek aan aanspraak, door gebrek aan iets of iemand die de ervaringen deelt? Of is men eenzaam omdat de beklommen bergtop boven alle andere uitrijst? 

Alleen-zijn is nog geen eenzaamheid, zoals we allen weten. 

Eenzaamheid is een innerlijke zijnstoestand. Alleen-zijn is uitsluitend een gebrek aan medemensen om je heen. 

Het zich eenzaam gevoelen kan ervaren worden als slaaf, in de menigte, maar ook als leider of programmeur.  

Mensen kunnen deze eenzaamheid niet oplossen. 

Eenzaamheid behoeft niet als pijn te worden ervaren, het kan ook een constateren van een feit zijn, niet meer - niet minder.  

Een individu is altijd eenzaam, hij is een beslotenheid in zichzelf, en dat weet hij, ervaart het daarom niet als pijnlijk, maar accepteert het feit. 

Eenzaamheid is het stadium waarin niemand je kan bereiken. 

Hoevele scheppen een kunstmatige eenzaamheid in en om zichzelf, omdat ze afstand bewaren, om allerlei redenen? 

Gevoelsarme mensen ondergaan hun eenzaamheid als een bevriezingssituatie. Arrogante mensen ondergaan hun eenzaamheid als een provocatie. Als we geen eenzaamheid meer kunnen voelen, zijn we golems, kloons, computer, de uiterlijke gelijkheid schept een verbintenis. 

Je eenzaam gevoelen heeft altijd iets met de ziele-staat te maken,  hetzij ten goede, hetzij ten kwade. 

Eenzaam is de mens die zijn hand niet naar zijn medemens kan uitsteken, dan wel zijn eigen hand niet voor deze kan ophouden. 

Er is een wet die bewerkt dat elke uitgestoken hand een andere hand vindt; de eerste stap moet van iemand zelf uitgaan. 

Warmte ontmoet warmte; koude ontmoet koude; de eenzaamheid van de koninklijke mens ondergaat hij niet als smart, maar als een fase.  

Kennen degenen die zich van de menigte losmaken niet allereerst een stadium van eenzaamheid? 

Zij behoeven niet alleen te zijn, maar kunnen wel eenzaam zijn. 

Eenzaam doordat hun gevoelens een ogenblik zijn geblokkeerd.  

Eenzaam doordat men opnieuw gaat zoeken in zichzelf, om zichzelf. 

Hij die eenzaamheid kan gevoelen, voelt zich pas bevredigd indien hij zijn eenzaamheid met andere eenzamen kan delen. Op basis van de eenzaamheid, niet op die van het alleen zijn. 

De wereld is vol met eenzamen en men vindt ze overal, en dit is blijvend op een zoekersweg omhoog.  

Kan men dat smalle zoekerspad groepsgewijze lopen, kan men en masse omhoogklimmen? 

Neen toch?

De brede weg is voor de groepen, de smalle voor de individuen, die eenzaam durven te zijn, met een leegte achter zich en een verre horizon voor zich. Hebben we ooit bedacht toen we begonnen met zoeken dat er risico's aan verbonden zijn? 

Dat er een moment kan komen waarop alles uit onze handen zou kunnen vallen, alle tijdelijke waarden? 

Nee, dat hebben we niet, want niemand weet wat zoeken betekent voordat hij eraan begint.  

Zoeken is niet flaneren, zoeken is gericht naar iets speuren.  

En je gaat van ontdekking naar ontdekking; zoeken is vreugde, de eenzaamheid daarmede annex blijft onopgemerkt, pijnloos; hij wordt gevuld door het bezig-zijn met datgene wat je hoopt, wat je zoekt en wat je innerlijk ergens aanwezig WEET. 

Dat weten is vervulling, een stuwkracht, een troost.  

Dit weten te delen met mede-eenzamen is een bevestiging, een koesterend bad. 

Innerlijk weten heft eenzaamheid op, precies zoals het uiterlijke alleen-zijn opgeheven wordt door een partner of vriend(in). 

Innerlijk weten is een verbondenheid met een oerbron, een geworteld zijn in een oerbodem. Niemand is eenzaam die in die oerbodem staat, althans, niet eenzaam naar menselijke maatstaven.  

Zulk een eenzame is koninklijk; de menigte benijdt zijn koninklijkheid, maar kan deze niet met hem delen. Haar nijd verwijdert haar van hem. 

Als je Kennis, innerlijke kennis of Gnosis, delen kunt met een medemens heb je het stadium van menselijke computer verlaten, deze ingeschapen kennis bevestigt de gemeenschappelijke oergrond of bron.  

Wie staat ons nader dan een mede-ziel? 

Familiebanden kunnen immers vervlakken, kennissen kunnen je ontvallen, vrienden kunnen vijanden worden, maar mede Kennisdragers vinden altijd een contact waardoor zij elkander raken, benaderen kunnen.  

Is die innerlijke Kennis af te bakenen door een leer, een groep, een dogma? Neen. 

De Druïde zegt dat zo mooi: "De zielen worden gelijken door de herinnering aan dat wat is geweest." 

Herinneringen - ook in het leven - scheppen banden.  

Onuitwisbare herinneringen scheppen onverbrekelijke banden.  

De innerlijke Kennis belevendigt hen, deze Kennis speelt de rol van de geur, de geur van onsterfelijkheid, eeuwigheid, goddelijkheid. 

Zij, die met ons deze innerlijke Kennis delen staan bij ons in een "goede reuk".  

Niemand kan die Kennis aanleren en de hoeveelheid is niet belangrijk, sleehts de aanwezigheid telt.  

Men kan met velen in eenzelfde groep samengekomen zijn, niettemin is het mogelijk dat slechts enkelen deze Kennis samen delen. Deze Kennis betekent evenzeer "macht" als de gewone kennis, zoals men zegt.  

Macht over jezelf, over je twijfels, je onvolkomenheid, je vrijheid, je ontrouw. Macht over al die oerzonden die je van deus in demon willen ompolen.  

Elke oerzonde is vernietigend, totaal transformerend, zoals we weten, in de slechte zin. Oerkennis als de oerdeugd is eveneens ompolend, in de goede zin. 

Oerkennis strijdt altijd met de jaloezie. 

De transformatie geschiedt nooit onder invloed van iets lichamelijks, maar iets geestelijks, net als in de geneeskunde. 

Het geestelijke transformeert deus in demon en omgekeerd. 

Onze ziel, geslachtofterd door een oerzonde, dan wel gestimuleerd door een oerdeugd, begint met onze transformatie, die altijd aan een transfiguratie voorafgaat, nietwaar? 

De wedergeboorte in Deus is het teruggaan naar de oerschreeuw van de ziel. 

De moderne rebirthing-therapie probeert dit lichamelijk na te bootsen: Één ding hebben ze gelijk, het teruggaan naar de geboorteschreeuw.  

Sommigen herinneren zich hun ziele-geboorteschreeuw en voor hen is die transformatie gemakkelijker, dan voor de onbewusten en onwetenden.  

Als drager van een oerkennis, veel of weinig, beseffen we waar het mis met ons ging, beseffen we dat niet, dan zijn we de herinnering aan onze afkomst verloren.  

Dan moet je eerst je wortels zoeken; die wortels in de oergrond bevestigen; dan pas kun je stilstaan en omhoogzien.  

En omhoogzien is onze natuurlijke en geestelijke opdracht. 

Alles beweegt zich naar het licht, nietwaar? 

Zelfs de eenzamen zoeken licht. Ook de geïsoleerden zoeken licht of hunkeren naar licht. 

Als het zoeken naar licht ophoudt, stagneert, dan wel bevriest of een kringloop wordt, is er iets goed mis met ons. Elke beweging behoort gericht te zijn op licht, meer licht; dat is het gedrag van de individuen, nietwaar? 

De menigte kan zich in het donker bewegen, blind in de rondte  lopen, als een molenpaard, maar de eenling, de programmeur, de Kennisdrager richt zich op licht, lichtende Kennis, lichtende Hoop, lichtende verten, lichtende ervaringen.  

Dat is de signatuur van de eenling, het individuum. 

De menigte, de hulpbehoevenden, de lichtontberenden klampen zich aan hem vast en wee hem, als hij zich door hen omlaag laat trekken, dan wordt hij vertrapt.  

De menigte is meedogenloos in haar zucht naar bevrediging. 

De eenzame loopt dit risico nooit, dat is zijn uitverkorenheid; uitverkorenheid is verantwoordelijkheid; uitverkoren ben je zodra je de menigte verlaat, maar dan eerst moet je de proef doorstaan.  

Of je je eenzaamheid, je kennis, je koninklijkheid, je hoge mens-zijn kunt hanteren, verdragen, beheersen.  

Menigeen valt in de valkuilen. 

"Hij die staat, zie toe dat hij niet valle!" 

En hij die wéét dat hij gevallen is, ziet toe dat hij zich weer oprichte. Want vallen is niet erg, maar het blijven liggen is een onwaardigheid. 

Slaven, geketenden kunnen zich nooit oprichten, hun ketens zijn te zwaar. Maar de vrijen, de koninklijken, wat let hen zich op te richten na iedere struikeling? 

Het zijn de koninklijken die voortgaan met opgeheven hoofd, als eenzamen de berg beklimmend, wetend dat zij niet alleen zijn, beseffend dat zij voortdurend geroepen worden: 

"Kom terug Zoon des Lichts. Kom terug.  Het Licht zal je welkom heten."

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene