445 - de vruchtbare oergrond

"De natuur maakt geen sprongen." 

Leibniz 


"Een landschap heeft een ziel." 

Amiel 


Alles heeft een oorsprong, er is niets zonder wortels; zelfs de elementen zijn voortgekomen uit een oergrond. 

Er is altijd een oorzaak en de schepsels die hun eigen oorsprong niet kennen voelen zich ontworteld. 

De natuur geeft allen een vader en een moeder; er is een spreekwoord dat zegt: "Hij, die niet gevoed werd aan de tafel van zijn vader, is nooit voldaan."    

In de spirituele kringen kent men de zoekers, mensen, die nooit voldaan zijn aan de tafel van de natuur, omdat zij op de ene dan wel andere manier WETEN dat de natuurlijke ouders niet hun werkelijke scheppers zijn.   

Er is in ons een drang naar verzadiging; weten verzadigd, innerlijke vrede verzadigd, en voedsel verzadigd.    

Geestelijke zoekers zijn mensen die alle soorten verzadiging uitproberen en toch niet zat worden. Zodra zij echter iets vernemen dat uit hun oergrond komt, gevoelen zij een bevrediging; net als met een geboorteplaats waarmede men binding houdt, is het met onze Oergrond, die duidelijk onvergetelijk blijkt te zijn.   

De teug vergetelheid werkt bij hen dus ten dele, er blijft een herinnering; oerherinnering, herinnering aan de oergrond. 

Uit die herinnering komen van tijd tot tijd beelden voort ons opwekkende, dan wel troostende, dan wel irriterende beelden.  

Allerlei uitspraken die betrekking hebben op de natuur of op de mens en zijn aarde zijn eveneens van toepassing op die oergrond. Ook zijn er uitspraken die ons te denken moeten geven indien we menen dat we de natuur als oergrond zouden hebben: de natuur kent geen sprongen. 

In de natuur ontwikkelt zich alles geleidelijk.  

En iedereen weet heden dat er NOOIT een duidelijk bewijs is gevonden voor de oorsprong van de mens; er waren in lang vervlogen tijden mensen als nu, er waren ook halve aapmensen, maar heden zien we hetzelfde: er zijn fijn ontwikkelde wezens en er zijn half-ontwikkelde, half menselijke wezens. 

De wetenschap test vaak zijn ontdekkingen aan uitzonderingen, achtergebleven enkelingen, misdadigers dan wel gedegenereerden, en hun maatstaf geldt dan voor iedereen. 

Er blijkt geen duidelijk bewijs voor het ontstaan van de mens vandaar de hypothese dat de mens uit een totaal ander gebied komt, een buitenaards gebied. 

Een theorie waarmede vele geestelijke zoekers genoegen kunnen nemen, omdat het een oplossing geeft voor hun innerlijke onvrede.  De kerkmens zegt: "Wij waren bij God in de hemel", een overtuiging die dicht bij de esoterische inzichten ligt, maar die wetenschappelijk natuurlijk onaanvaardbaar is.  

Esoterici baseren zich meestal op de Legende van de Lichtzonen: er zijn dus mensen die uit de hemel kwamen, 

En hier raken sommige wetenschappelijke stromen en sommige esoterici elkander.  

Voor deze opvatting zijn nl. bewijzen, alleen blijft de gloeiende vraag: Wie kwamen uit de hemel en waar precies kwamen zij vandaan. En, last but not least: waren deze wezens beter dan degenen die zij op aarde ontmoeten. 

Een esotericus beroept zich graag op deze "afstamming", omdat, uit de overleveringen blijkt dat deze hemelwezens intelligenter waren dan de aarde-mensen.   

Een ding vergeet de esotericus dan: deze hemelwezens hebben schuld aan de degeneratie, de lichtloosheid en de geestelijke misdadigheid waarmede wij tot aan vandaag te kampen hebben. 

Ten tweede zal het aan deze hemelwezens liggen of er ooit een einde zal komen aan de anti-spiritualiteit en de schijn. 

Iemand die zijn oorsprong kent, zal, naast het zoeken naar meer gegevens, deze oorsprong verraden door zijn gedrag, soms zelfs door zijn kennis. 

Een mens verloochent zijn oorsprong niet, zouden hemelwezens dat dan doen? 

Over een aanwijsbare oorsprong valt niet te discussiëren, indien er dus zo heftig over het voor of tegen van onze oorsprong als Lichtzoon wordt gediscussieerd, betekent dat, dat wij er geen duidelijke blijk van geven.  

Waarom niet? 

De natuur beleert ons, alle planten, dieren en mineralen getuigen duidelijk van de natuurwetten, alleen de mens maakt hierop een uitzondering: het lichaam, het belet hem die wet te volgen, en zijn mens-zijn blijft hangen tussen een half dier en/of een halfgod zijn.  

Hij weet niet wie hij is. 

Weten wij wie we zijn, en wat we zijn? 

Zegt het woord: "hemelwezen" dan wel "dier" ons wat? 

We gevoelen ons beledigd als we een "beest" worden genoemd, uitsluitend omdat we de natuurwetten niet kennen en beesten als iets lagers zien.  

Wij zijn meer dan de dieren, want wij hebben een verstand.  

Wij zijn meer dan de medemens, want wij zijn esoterici, of wetenden, of ingewijden. 

Waaruit blijkt dat?

Een natuurlijk mens verraadt altijd zijn oorsprong, zijn afkomst; het lijkt dat bij hemelwezens of Lichtzonen die Afkomst dermate zwak resonneert, dat hij die kan wegdrukken of zelfs grotendeels kan vergeten.   

Hoe komt dat? 

We kunnen zeggen: door de druk van de materie. 

Maar beseffen we wel dat we die druk in de oertijd, en nu zelf hebben geschapen? 

Dat wij, Lichtzonen, verantwoordelijk zijn voor de huidige situatie waarover wij ons beklagen? 

Is het niet de hoogste tijd dat we openlijk uitkomen voor onze oorsprong, en dat niet alleen, maar dat we ons realiseren dat onze oorsprong geestelijk is? 

In die oude legenden houdt de Schepper en zijn engelen duidelijk bemoeienis met die hemelwezens; Hij straft hen omdat ze de hemelse Kennis geopenbaard hebben aan de aardse wezens.   

Er staat duidelijk dat de aardse vrede daarna was verstoord, er kwamen allerlei uitwassen en dus zou het een eerste noodzaak zijn dat wij, als we menen van deze hemelse wezens af te stammen, de hand in eigen boezem steken, als we zeggen dat het op aarde zo'n hel is.  Nogmaals: alle scheppingen en schepselen houden zich aan hun ingeschapen wetten behalve de mens, sterker: behalve de z.g. Lichtzoon, hij, die intelligent is, omdat hij meent BOVEN de natuur te staan. 

Geestelijk zoeken kan zich op allerlei manieren uiten, nietwaar? 

Zelfs in geestelijke arrogantie. 

Die dan zorgt voor een geestelijke stilstand.   

Wij zijn arrogant, omdat we menen beter of hoger te zijn dan de natuurlijke wezens, hoewel we er geen blijk van geven, integendeel, meewerken aan de chaos. Of doen we dat niet? 

Wij laten ons voorstaan op een aangeleerde kennis, want ingeschapen kennis dringt tot ingeschapen wetten. 

En wij bezitten, naast de natuurwet een andere ingeschapen Wet. 

Die Wet werkt via ons ge-weten en onze intuïtie. 

Wij behoren onderscheidingsvermogen te hebben waardoor we ons nooit zullen verzadigen aan schijnspiritualiteit. 

Onze natuurlijke mens zal van de aarde houden, van de natuur, zal de natuurwetten in acht nemen, maar wat doet de Lichtzoon-in-ons? 

Bewondert hij zijn natuur, neemt hij zijn wetten in acht? 

Hij weet dat deze natuur tijdelijk is, dat zijn natuurlijke mens tijdelijk is en hij beseft dat die Lichtzoon daarmede moet existeren, hier op aarde; hij behoort te beseffen dat die natuurlijke mens part noch deel heeft aan het verraad dat de Lichtzonen eenmaal pleegden tegenover hun Schepper. 

Hoe duidelijk zien wij, als Lichtzoon, de feiten liggen? 

In hoeverre trekken we daaruit onze consequenties? 

In hoeverre bekennen we schuld?  

En in hoeverre lossen we deze in?  


Goed.  

Wat kunnen we dus doen om meer Lichtzoon te zijn?

Ten eerste: onze oorsprong nooit loochenen. 

Ten tweede: deze bewijzen door woorden en daden. 

Eerst daden - dan woorden. 

Geen aangeleerde toespraken, geen citaten, maar woorden die van binnenuit komen. Dat wat van binnen uit komt verraadt onze afkomst. 

Indien we werkelijk beseffen wat er in een ver verleden is gebeurd zullen we bescheiden zijn.   

Bescheiden, maar wetend, meewerken aan een verbetering.  

Een situatie scheppen waardoor Lichtzonen gemakkelijker ontwaken, waardoor zij elkander vinden en waardoor zij hun arrogantie verliezen.  

Geestelijke zoekers - dus geen zwervers en amusementmakers - zijn altijd geïnteresseerd in hun oorsprong. 

Een geestelijke zoeker weet niet wat hij zoekt.  

Er zijn allerlei dooddoeners, maar wat hij precies zoekt weet hij niet, kan hij niet weten. 

Je kunt "God" zoeken, maar wat en waar Die precies is weten we niet.  Het is een begrip dat het hoogste omschrijft. Het is een begrip voor het onaardse, het is een begrip voor onze mogelijke oorsprong. 

Het God zoeken is ouderwets geworden, vroeger zochten vele esoterici God, hoewel zij kerkelijke belijders waren.  

Hun Godsidee vereenzelvigden ze dus niet met hun kerk. 

Dat zal geen enkele Lichtzoon kunnen, omdat hij de oorsprong zoekt, geen imitatie, geen gesneden beeltenissen.  

Wij zijn uitsluitend door beeltenissen omringd, vormen, geschapen naar een Idee. 

Wel, de Lichtzoon, als hij op zijn best is, zoekt de Idee, de Inspirator. 

Uit de Idee is alles voortgekomen, ook de Lichtzoon.   

De Idee is niet met aardse zintuigen waar te nemen.  

De Idee kan men innerlijk beluisteren, men kan hem ondergaan, men kan hem bijna lijfelijk voelen.   

De Idee is nooit in vorm uit te drukken, alles is slechts zeer ten dele.   

Daarom blijven we zoeken, omdat alles ten dele is; wij hebben niet genoeg aan een deel, we zoeken meer. 

Voelt u nu hoe het onmogelijk is om gevonden te hebben. 

HET vinden betekent niets dan een splinter herkennen. 

Een werkelijke zoeker zoekt naar de herkomst van de splinter.   

De Idea Creatoris die de spiritualist toestaat iets in zijn scheppingen te leggen is onbegrensd, onnoembaar, onomvatbaar.  

Is dat niet God? 

En proberen we niet als Lichtzonen, deze God, een sprankje daarvan, in onszelf vast te houden? 

Je identificeren met deze Idea Creatoris is veel meer dan je ermee te verenigen; het is: herkennen. 

Herkennen en weten. 

Hierna nog slechts op zoek gaan naar hetzelfde: de Idea Creatoris. 

Je hebt dan vergelijkingsmateriaal.   

We zijn gelukkig indien we vergelijkingsmateriaal hebben, want we hebben dan een stuk oorsprong in handen; bovendien zijn we nooit alleen in deze wereld; er zijn meerdere Lichtzonen die denken en voelen als wij en op zoek naar de Idea Creatoris, door schade en schande wijs geworden, door ervaringen gelouterd, maar ook: onfeilbaar herkennend wat vals en wat waar is. 

Onfeilbaar de valse geesten afwijzend, de juiste accepterend; onbevreesd zoekend tussen alle mogelijke valse profeten of er wellicht één juiste profeet is, die altijd bescheiden op de achtergrond staat. 

Een ware Lichtzoon kent geen aardse belangen, d.w.z, hij versterkt noch verrijkt zijn materiële bezittingen.   

Hij is tegelijkertijd een geestelijke zoeker, en een getuige. 

Hij wil niet eens medestanders winnen, maar hij getuigt - ondanks zichzelf - want is hijzelf niet steeds op zoek naar meer. 

Hij weet immers dat hij nooit de voleindigheid zal bereiken, dat hij nooit God, de Idea Creatoris, zelf zal worden?   

Hij zal nooit menen dat hij er IS. dat hij alles weet of bezit; hij blijft ten dele en weet dat.  

Hierdoor kan hij dus nooit arrogant worden.  

Maar met het weinige dat hij heeft zal hij woekeren.  

Denk aan de gelijkenis van de talenten.   

Lichtzonen zoeken elkanders gezelschap, want zij inspireren elkaar en zij bemoedigen elkaar, maar zij vermijden zich sektarisch op te stellen, want het zoeken vindt plaats in heel die wereld, uit het herkennen vindt men gelijken.  

Zo zal de ene Lichtzoon hier zoeken en de andere daar en de ene zal een totaal ander etiket dragen dan de andere, maar er is iets dat hen verbindt; een band die toestaat dat zij zich uiterlijk van elkander verwijderen zonder dat de verbinding breekt. 

Het "herkennen" is de zekerheid die de tolerantie schept. 

De onzekerheid schept het fanatisme, dat de zwakte overschreeuwt. 

Er zijn bezittingen die onaards zijn, die door geen mens kunnen worden ontstolen.  Een bezit dat uitsluitend afhankelijk is van ons eigen gedrag, niet van anderen.    

Het is ook uitsluitend van onszelf, niet van anderen, het groeit of vermindert door en met onszelf, niet via het gedrag van anderen.   

Het blijft bij ons waar we ook zijn, waarheen we ook gaan.   

Dat bezit bezielt ons en behoedt ons en het is totaal onbelangrijk of een medemens het ziet of niet ziet, erin gelooft of niet, als wij maar beseffen dat we het bezitten, waardoor we ons kunnen gedragen als een schepping van de Idea Creatoris. 

Dan kunnen we zeggen: 

Ik weet dat ik uit God ben en eens tot Hem terugkeer.   

Precies zoals anderen zeggen: we zijn uit stof en tot stof zullen we terugkeren.   

Dan is dit leven toch niets anders dan een brug tussen twee eeuwigheden? 

Waar maken we ons dan zo druk over?

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene