441 - de onsterfelijke echo

"Onsterfelijkheid betekent aan een eeuwig werk arbeiden." 

Renan 


Wie heeft niet als kind naar de echo geluisterd, wie was niet nieuwsgierig naar de respons op zijn eigen stem? 

Wie verheugde zich niet in een langdurige echo als een herhaald antwoord? 

In het zich amuseren met de echo wordt het spel tussen vraag en antwoord herkend, een wisselwerking tussen het negatieve en het positieve.  

Er zijn vragers en er zijn beantwoorders.   

Iedereen die met een luisterend publiek te maken heeft, weet dat er vragers zijn die vragen om het vragen; maar ook zijn er luisterenden die zich liever de tong afbijten dan ooit te vragen. 

In dit gedrag verschilt de esoterische of spirituele mens nauwelijks van de massa-mens.  

Om te vragen moet men zich enigszins kunnen verdeemoedigen, het is altijd een bekentenis dat men iets niet weet.    

Hetzelfde idee ziet men bij de beantwoorders die allerlei uitvluchten verzinnen, zelfs moedwillig leugens gebruiken om maar niet te zeggen: "Ik weet het niet."   

Dat zijn de beantwoorders die liever hun masker ophouden, die praten om het praten, die een rol opvoeren zoals de vragers om het vragen een rol spelen. In het spel met de echo kunnen beiden ongestraft vragen, onbestraft luisteren, ze ontvangen beiden een bevestiging van zichzelf.  

Hebt u wel eens bewerkt hoe vrijwel iedereen tussen vacantiefoto's zijn eigen beeltenis zoekt, of tussen artikelen zijn eigen artikel, dan wel commentaar? 

Velen zoeken een bevestiging van zichzelf, van hun goede hoedanigheden; en dit uitsluitend omdat men vreest in onzekerheid te vallen. 

Vragen om het vragen, praten om het praten zijn vormen van innerlijke onzekerheid en dus ook van innerlijke armoede.  

Er is, vanuit de alomtegenwoordige informatiebron, doorlopend een bevredigend antwoord aanwezig, om ons heen, in het Al, in onszelf.  

Maar we hebben verleerd te luisteren, of we hebben verleerd stil te zijn, ons te verenigen met dat Al, in ons en buiten ons. 

Dan zoeken we een antwoord bij de naasten. 

Een gekleurd antwoord en veelal een onbevredigend antwoord. 

Iemand die een dringende vraag heeft, dus die in nood zit, krijgt ALTIJD antwoord. 

Door de omstandigheden, door een voorval, door een samenloop. 

Er blijft geen vrager met lege handen staan, INDIEN zijn vraag edel, dringend en vooral waar is. Velen weten echter dat elke waarachtige vraag een antwoord krijgt, maar dat slechts intellectuele vragen lang of immer onbeantwoord kunnen blijven. 

De onsterfelijke echo is als een alomtegenwoordig antwoord dat door ons innerlijk in woorden wordt omgezet.  Zodra dit gebeurt krijgen we dat gevoel van innerlijke vrede en ontbreekt ons niets meer. 

Kent u dat? 

Hebt u al eens ervaren dat vraag en antwoord in uzelf, dan wel in de directe nabijheid liggen opgeslagen. 

Vragen wordt, in de psychologie, vereenzelvigd met een groeistadium: het kind komt op een bepaalde leeftijd in de vraag-periode; het vraagt om het vragen, of het is op ontdekkingstocht in het rijk van de volwassenen en meent nog dat een volwassene alle vragen kan beantwoorden, omdat zij weten. 

Deze veronderstelling loopt vrijwel altijd uit op een teleurstelling.   

Waaruit we kunnen concluderen dat de volwassene ergens in zijn groeiproces is blijven steken. Ook een geestelijk geïnteresseerd mens kan dit overkomen, indien hij tot dan toe genoegen nam met antwoorden van derden, met niet geverifieerde conclusies.   

Niet voor niets is de basis van alle waarheid: intuïtie, empirische kennis en minitieus onderzoek.   

Dat geldt niet slechts in de wereld van de wetenschappers, het geldt op alle niveau's. 

De intuïtie is als de vraag, maar de empirische kennis is als het antwoord; en het minitieuse onderzoek is de definitieve bevestiging. 

Waarlijk intuïtieve mensen verkeren eigenlijk doorlopend in een vraagstadium. 

Is het zoeken iets anders dan vragen? 

Zijn we niet op zoek, intuïtief, naar een verloren kennis, een verloren beeltenis?   

Vraagt onze ziel niet doorlopend naar het waar en het hoe? 

Deze wisselwerking gaat volkomen buiten ons intellect om; intellectueel zoeken is het van hier naar daar snellen om gevuld te worden met aan te leren kennis.    

Maar het intuïtive zoeken dat zo intens subtiel in zijn werk gaat, is als een innerlijke vraag die aangesloten wil worden op een universele, geestelijke antwoordbron. 

Zulk een vraag wordt altijd bevredigd.  

Dit sluit niet uit dat daarmee de vraagperiode zou zijn afgelopen integendeel, het innerlijk van zulk een intuïtieve mens is een Graalbeker, die gevuld kan worden. 

Daartoe behoort men intellectueel "ledig" te zijn, niet onwetend, maar ledig; waar het brein in al zijn activiteit arbeidt kan dit intuïtieve vraagmoment niet ervaren worden.  

Je kunt je wel eens vergissen en terwijl je mond vraagt, een zacht verwijt voelen: "Dat wist je toch al?" murmelt dan je ziel. 

Maar je gefrustreerde ikje wenst dan, om de ene of andere reden, op te vallen en er komt een a-spirituele zelfs, bezien vanuit de geest, oppervlakkige vraag, die de vrager totaal niet siert, integendeel, hem ontmaskert. In zulk een moment praten we door  de echo heen. 

Een enkele ervaring zou voldoende moeten zijn om ons, in dit opzicht, volwassen te maken.  Een mens kan niet alles weten, zucht iemand die achter intellectuele kennis aanloopt en vermoeid moet ophouden; de intuïtieve zoeker weet dat hij alles KAN weten; omdat hij informatie ontvangt vanachter de oppervlakkige uiterlijke kennis, hij kan aan de vorm voorbijgaan om de ontstaansbron zelf te bevragen.   

Elk bewust levend mens is immers verbonden met zijn Oerbron? 

Is die Oerbron niet hetzelfde als de eeuwige beantwoorder van al zijn vragen?  Is hij niet zijn onsterfelijke informatiebron?    

Het gaat er slechts om, en dat is natuurlijk het schijnbaar moeilijke punt, hoe bereik ik die bron. Maar ook deze vraag komt voort uit gebrek aan intuïtie en empirische ervaring. 

En gebrek aan intuïtie sluit een geestelijke ont-wikkeling uit. 

Iemand, die gek is op zichzelf, is doof voor de intuïtie, de eerste stap voor zelf-ontplooiing. 

lemand, die op de vlucht is voor zichzelf ontneemt zichzelf de geestelijke informatie. 

Intellectueel antwoord en intuïtief antwoord gaan volkomen langs elkander heen. Intellectuele inlichtingen behoeven bepaalde terminologieën, intuïtieve informatie behoeft niets dan trilling. 

Een geestelijke, eerstehands informatie wordt slechts onbegrijpelijk als de ontvanger deze niet juist kan vertalen voor zijn naasten.  

Elke geestelijke informatie verbindt de geestelijke informaties van alle wijzen uit alle tijden.  

Hadden zij niet allen één informatiebron? 

Hieruit volgt dat je dus elke afbrekende, slopende discussie vermijdt.  

Discussies zijn als onderling vloekende kleuren die niettemin worden samengevoegd. 

Iemand, die graag discussieert speelt een spel met zichzelf, wil machtsvertoon en voedt zich met de nederlaag van de ander. 

Zodra in een kring van geestelijk zoekers iemand een universele geestelijke informatie overdraagt, zal elke zoeker de juistheid daarvan kunnen bevestigen.   

Dat is eenheid. 

Hierin is de ene niet meer dan wel minder dan de andere, maar de Oerbron, de eeuwig gevulde Vaas, verbindt.  

Verliezen we ons niet vrijwel altijd in bijkomstigheden die nimmer de kern raken? 

Elke uiterlijke binding, die we leggen, maakt ons kwetsbaarder, kan ons tot prooi maken bij een discussie. Het uiterlijke kan bevochten worden, het innerlijke nooit.    

Discussiërenden zijn als de veel geciteerde bijbelse "zwijnen" die de parels niet waardig zijn. 

Hebt u ooit een parel in zulk een zwijnentrog geworpen en de pijn gevoeld toen uw parel vertrapt werd? 

De kenners herkennen echte parels en de intuïtieven vermoeden  de echtheid van de parel. Daaruit ontstaat eerbied.   

Een begrip dat we momenteel in deze niets ontziende tijd te veel missen. We projecteren onze mogelijke eerbied op schijnwaarden, maar de intuïtieve eerbied, de onderkenning wanneer iets onze achting verdient lijkt gestorven.  Het "achten" verdwijnt. 

De woordspeling met het getal "acht" is diepzinnig.   

De "acht", de verbintenis tussen boven en beneden schijnt te verdwijnen. In de vorm van de acht herken je eveneens dat vragen en antwoorden, de vraag is beneden, het antwoord boven. 

Daar tussenin ligt de smalle doorgang - het achten - het stil zijn - het luisteren. 

In de onderste nul van die acht zijn de zoekers, allen op zoek naar die doorgang hoewel de intuïtieven die kennen; en door deze doorgang te vermijden bewegen alle zoekers zich doorlopend in een cirkel, een gevangenis die eventueel via intellectualiteit tot een comfortabele gevangenis gemaakt wordt.   

Maar het blijft een gevangenis en degene, die voor zichzelf vlucht, weet dat; daarom vlucht hij. 

Daarom praat hij veel, vraagt om te vragen, wenst nooit "ik weet het niet" te zeggen.  

Het is de stilte, de inkeer, het erkennen dat hij vreest. 

Het accepteren dat hij afhankelijk is van de grote informatiebron.    

Het is de mens die zichzelf doorlopend bevestigd wil zien; opdat hij veilig beneden kan blijven, niet door die nauwe opening behoeft. 

Accepteren dat je HET nog niet bezit, hoewel je weet dat je het zoudt moeten bezitten, is een moeilijke zelfoverwinning. 

Hoewel je weet dat je het niet kunt pakken, weet je toch dat het in de directe nabijheid is.  

Niet stil kunnen zijn, niet kunnen erkennen, hoewel je HERkent, is als een nutteloze strijd tussen de beide nullen van één en dezelfde acht.  

Dan weer is de benedenste nul los, en voel je je ongeïnspireerd, star, onmachtig iets te zien of te herkennen; dan weer is de bovenste nul los en herken je alles, je weet, en toch slaag je er niet in de verbintenis tussen boven en beneden te leggen. 

Kent u deze sensatie, een aangrijpende, teleurstellende, maar zeer leerzame sensatie die door zal gaan totdat we ERkennen? 

Laten we nooit flegmatisch worden, slijmerig, noch heet, noch koud.  

Zolang het ons nog irriteert dat we HET niet kunnen pakken, zijn we heet of koud, we kunnen smelten, dan wel springen. En weer opnieuw beginnen. 

De intuïtieve mens brandt via een stille, onuitblusbare vlam, hij bezit altijd een ontvlammingscontact, hij zal NOOIT losgeslagen worden, nooit verloren gaan, noch zichzelf verliezen, noch lauw worden, ongeïnteresseerd. 

Er zijn koude stollingen en er zijn hete stollingen.

Beide worden een materie, de eerste kan uiteenvallen, de tweede kan smelten, maar beide vormen hebben deel aan de omzetting. 

De koude vorm is als ijs, dat eens water was; de hete vorm is als de edelsteen, die eerst magna was. 

Zolang er sprake is van een omzetting is er sprake van "leven", mogelijkheden, herstel, opgang.   

De vrager is als het water of het magna, hij wil deelnemen aan een omzetting, "veranderd" worden.   

Willen we niet allen "veranderd" worden? 

Wat stellen we ons daaronder voor? 

Slechts de "prima materia" wordt veranderd, het is als het begin. 

Het begin is altijd meebewegend, vragend, accepterend, de overgave.  Intuïtief vragen is een overgave.  

De intuïtie zegt waaraan we ons kunnen overgeven.   

Zolang deze beginfase niet beleden is, empirisch ervaren is, zijn we bezig met bijkomstigheden. 

Het intuïtieve vragen heeft geen woorden nodig, geen uiterlijke spraak, maar het krijgt wel een antwoord, dat we kunnen omzetten in spraak. De grote alomtegenwoordige informatiebron maakt dikwijls gebruik van onvoorziene middelen om de vrager te vullen met weten, onvergankelijk oerweten. 

Het is begrijpelijk dat het "zoeken of vragen" volgens deze wijze onsterfelijk is, evenals de Oerbron waarin de antwoorden liggen. 

Daarom kan men nooit zeggen: "Ik heb gevonden." 

We hebben dan, op z'n best, een facet van de Oerbron getipt.  

Dat betekent dus nooit een stitstand, integendeel. Zulk zoeken maakt iemand innerlijk gelukkig, ondanks de tegenstanden.  

Het be-vredigt, geeft dus vrede, maar nooit gewenning. 

Dit weten, deze antwoorden BElasten niet, maar ONTlasten.  

Het is als een uitzicht dat zich steeds wijdser ontrolt, hetgeen dus gelijk staat met ont-wikkelen. 

Dan heb je noch terminologieën nodig, noch menselijke leringen, noch menselijke bevestigingen; het enige wat je nog rijker maakt is een gelijke, iemand die, samen met jou, herkent en erkent; dat sluit elke vorm van onbegrip, comedie en ego-belangen uit. 

Zo werkt ook het gelijke genezend op de therapeutische wijze.    

Er is op aarde niets dat te vergelijken is met deze "gelijkheid", alle maatschappelijke vormen zijn hierin ten dele en dus sluiten ze ontaarding, bedrog, vijandschap in. Het geestelijk gelijke her-kennen is als een balsem voor de ziel, het bemoedigt.  

Zolang de esoterie de exoterie draagt is zulk een herkennen van het gelijke mogelijk, maar zodra esoterie en exoterie gescheiden worden wordt deze ervaring onmogelijk.   

Ook esoterie en exoterie worden verbonden door een enge poort, net als bij de acht; zonder deze verbintenis wordt esoterie een onbegrijpelijke brei met dure woorden en exoterie wordt een vloek, een verdoeming. 

Onverschillig hoe we ons noemen als we maar vragenden blijven, deemoedige, intuïtieve eerbiedsvolle vragers, bereid niemand te zijn om het ene Antwoord te kunnen ervaren.  

Vanuit dit "niemand" te zijn, de nul, wordt er gebouwd aan de volheid, de bovenste nul, nu de cirkel der eeuwigheid; twee nullen, twee werelden en tegelijkertijd één getal, één wezen.   

Het ligt in onze eigen hand, in onze eigen ziel of we zulk een volwaardig wezen worden, waarin de vraag en het antwoord beide besloten liggen: een individuum, een beslotenheid, niettemin levende uit het Alomtegenwoordige Zijn.   

En tenslotte: Dit is geen theorie, geen esoterie zonder exoterie, maar het is: intuïtie, empirische kennis, en consequent onderzoek.  

Een drieëenheid, die onsterfelijk blijkt te zijn. 

Zo behoort het te zijn mèt en ìn ons allen. 

Wat willen we anders?

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene