435 - de ziekmakende schijn

"De mooiste vogels zingen niet." 

  

"De schijn ophouden is de kostbaarste zaak ter wereld." 


In de Griekse mythe van Prometheus komen we zo duidelijk de oermythe tegen dat een weldoener der mensheid slechts van zijn lijden kan worden verlost door Zeus of de Godheid zelf. 

Iedereen die iets voor de medemensen doet zal nimmer dank, maar altijd "stank" of narigheid ontvangen. 

We zien dat in 't groot; we zien dat in 't klein, en deze omstandigheden behoren tot de onuitputtelijke bron van Griekse mythen, die de basis van mens, wereld en natuur vormen. 

Uit een onbewuste intuïtie lijken de meeste mensen de grote, goede daad na te laten en liever de schijn op te houden om de gevolgen of de z.g. straf te kunnen ontgaan.  

In de strijd tussen de goden, de mensen en Zeus spelen doorlopend het kwade, het goede en het noodlot een enorme rol; uit angst voor het noodlot, de straf en het "goede" werd er een nieuwe schepping uitgevonden: de schijn. Het bedriegen van de goden werd het begin van het bedriegen van zijn medemensen. 

Vandaar dat we samen in een maatschappij leven, waarin vrijwel niets meer waar is; dit gedrag heeft ons getekend en bracht ons tot een merkwaardige beoordeling van onze medeschepselen.  

Als we in een winkel iets uitzoeken wordt het voorwerp terdege bekritiseerd en vooral op kwaliteit getoetst. 

Bij de medemensen gaan we op het uiterlijk af en daar we dat beseffen, proberen we er zelf uiterlijk zo voordelig mogelijk uit te zien; inbegrepen onze woorden, ons maatschappelijk gedrag en onze religie.   

In de loop der tijden hebben we zo een schijnleven opgebouwd, dat we verwisselen met ons werkelijke zelf. 

Dit schijnleven noemt de Prediker: ijdelheid. 

Maar het heeft een tragische oorsprong. 

De angst dat het "goede" gestraft zou worden, omdat de goden jaloers werden op een Titaan, Prometheus, die het licht aan de mensheid bracht. Door de schijn trachten we dit te vermijden. 

Door de schijn proberen we de jaloezie van onze medemensen te vermijden. 

Hij, die begaafd is, doet alsof hij niets weet; maar hij, die totaal onwetend is, probeert zich voor te doen als een wetende, innerlijk beseffende dat hij een rol speelt en zo dus de z.g. straf van de wijze hem niet zal treffen.   

Iedereen weet, in zijn hart, hoe hijzelf is; iedereen kent zijn eigen tekortkomingen en zijn diepste gevoelens tegenover God; iedereen weet van zichzelf of hij werkelijk zoekt dan dat hij slechts de zoekersbehoeften speelt. 

Elke mens weet wat hij tracht te bedekken door zijn woordenbrei; en wat hij tracht te maskeren door uiterlijke gewichtigdoenerij, dan wel door opsmuk. 

We willen niet dat de medemens onze innerlijke ledigheid ontdekt, maar aan de andere kant willen we ook niet behoren tot hen, die vanwege hun dienstbaarheid aan de medemens, zullen worden gestraft. 

Dus zoeken we een middenweg.  

Die verdoemde, door het menselijke brein geschapen, middenweg.  

De natuur kent een middenweg, niet de geest. 

De natuurlijke middenweg ligt in het trefpunt van links en rechts, duister en licht, en is eigenlijk dus de schemering. De schemering die tot een blijvende toestand is geworden, hoewel zij in de natuur hetzij door de nacht, hetzij door de dag wordt verdreven. 

Daarom kan het leven van het overgrote deel der mensen een schimmenspel worden genoemd. 

Zij houden een toestand levend die voorbestemd is om op te lossen. 

Ons leven op aarde - het leven van de Lichtzoon - is niets anders dan een schimmenspel zolang hij nòch een aardemens nòch een god wordt. 

Tegenover aarde-mensen speelt hij de god, tegenover de goden speelt hij een aarde-mens, waardoor hij de straf der goden kan ontlopen. En dan vraagt hij zich nog handenwringend af: Waarom zijn leven zo tegenloopt, waarom hij geen resultaat ziet, waarom hij het zo moeilijk heeft. 

Daarop is maar één antwoord: omdat hij niet accepteert wie hij is. 

Aarde-mensen willen goden gelijken, goden willen aarde-mensen gelijken, omdat deze geen straf zullen krijgen vanwege een verraad tegenover de goden.   

Prometheus haalde het licht van de Olympus om de lichtzoekers erdoor hoop te geven. 

Daarna bracht hij, zegt een opvatting van de mythe, het licht weer terug.  Maar degenen die in het dal waren, hadden het licht gezien, het geproefd en wilden het terughebben.  

Prometheus, met de onsterfelijke lever, was een Titaan, de afstammeling der goden. 

Sinds de geschiedenis van Prometheus moet iedereen die HET licht haalt zijn straf ondergaan, maar hij zal nooit zijn onsterfelijke leven(r) verliezen; kost hem ziele-offeranden, er wordt door de raaf aan zijn lever gepikt, maar tenslotte overwint Prometheus. 

Dit is eigenlijk het leven van de Lichtzoon.  

De schijn is de vlucht daarvoor.  

Iemand die geen schijn ophoudt, is een eerlijke aarde-mens, een onschuldige, dan wel een edele Lichtzoon, een dienende god.   

Momenteel is onze beeltenis over goden en mensen dermate verward, dat we noch de ene noch de andere kunnen zijn.  

Je kunt wel zeggen: heden is de schijn op de top van zijn expressie gekomen en de mensen en de goden gaan eraan kapot.  

Je zou jezelf moeten afvragen: wie of wat ben ik? 

Waarheen moet ik terug: mens òf god.  

Onze ijdelheid verbiedt ons te erkennen dat we gewoon een mens zijn, niets dan een mens.  

Zo verliezen we die geliefde kroon, waar we zolang mee hebben gepronkt. We houden het erop dat we een mens zijn die een god in zich omdraagt en dan kunnen we alle falen, alle ijdelheid, alle schijn en alle fouten op die vermaledijde mens schuiven. 

Waarlijk, dit is geen edel godengedrag. 

Via de schijn spelen we een godje, en we kunnen allerlei soorten godjes spelen, nietwaar? 

We zijn allemaal als "éénoog" die in het land der blinden "koning" speelt.  Elke gevallen Lichtzoon is een Éénoog. Vrijwel niemand kan hem zijn kroon ontnemen, want de werkelijke ware "goden" of Lichtzonen zijn maar met weinigen. 

De schijn helpt ons tegemoet te komen aan de godenbeeltenis van de aardemensen, hun voorstelling van die goden is kinderlijk en door hun onwetendheid vergissen zij zich in de lichtzonen, in ons.  Daardoor bouwen zij papieren tronen waarop de gevallen lichtzonen vol zelfbevrediging zetelen. 

Zo ziet het er in onze wereld uit.   

Alle leringen, ceremonieën, methoden hebben daar nog niets aan veranderd.   

Integendeel.   

Het is moeilijk door onze eigen schijn heen te prikken; want wat doen we zonder zelfzuchtig motief. 

Wat doen we zonder dat de ijdelheid meespeelt? 

Al ons werk naar buiten kan louter ijdelheid zijn; al ons z.g. goed doen, kan ijdelheid zijn; ons religieuze, occulte, esoterische belijden kan ijdelheid zijn.  IJdelheid uit angst voor de rots van Prometheus, uit angst voor het wegpikken van de lever, en uit angst voor de zelfontdekking: geen Lichtzoon te zijn, maar een aarde-mens, een onwetende, die zich bedekt met imitaties. 

Onschuld is geen schande, maar schijnheiligheid is een schande.  

Wij voelen onze onwetendheid als een schande, omdat we beseffen dat we behoren te WETEN.   

Uit dit diepe besef - dat we tot de wetenden behoren - dat we wel degelijk een zwaar leven krijgen, hebben we een vrijwel ondoordringbaar schijnbestaan opgebouwd, waaruit we zelf nauwelijks te voorschijn kunnen komen. 

Nu bereidt die schijn ons moeilijkheden, want de kruik gaat te water totdat hij barst. 

Veel om ons heen en tevens in ons: barst.  

We MOETEN nu bekennen wie we zijn, we worden nu voor omstandigheden geplaatst die ons dwingen te kiezen.   

Vooral oudere mensen houden nog verkrampt de jarenlange schijn vast; het risico is voor hen te groot, het ingebeelde risico. 

Door de schijn zijn we gedwongen compromissen te sluiten; ideeën en beeltenissen te aanvaarden die we innerlijk, als Licht-zoon, NIET onderstrepen.    

Gevlucht voor de consequenties van het Zoonschap, hebben we onszelf gemanipuleerd in de rol van een slechte toneelspeler. 

En we worden die rol beu.    

Bij de ene protesteert het werkelijke godsverlangen, bij de andere het verlangen aards met de aarde te zijn.  

Een middenweg - die verdoemde middenweg van de twee wezens die beiden niet totaal zijn - loopt ten einde.   

Het zwaartepunt moet eindelijk geplaatst worden waar het hoort; van duikelaartje, die door een lichte beweging uit balans raakt, worden we nu gedrongen een zelfstandig individu te zijn, bewegende OF stilstaande uit zichzelf. Met een zwaartepunt dat ons fundeert in de hemel, dan wel in de aarde.  

De omstandigheden voelden ons jarenlang aan de tand, steeds opnieuw slaagden we erin de schijn op te houden.  

Nu gaat het er niet meer om een kerkmens, een esotericus, een sektariër of een occultist te zijn, nu gaat het erom: een wetende Lichtzoon, dan wel een onwetende aardemens te zijn. 

Het woord; aardemens heeft voor de arrogante esotericus een denigrerende klank, maar het is veel beter een eerlijk aarde-mens te zijn, dan een schijn-heilige, geraffineerde Lichtzoon.  

Het is nonsens te zeggen dat we noch een eerlijke Lichtzoon, noch een oprechte aarde-mens kunnen zijn.  

Dat is het excuus van de schijnheilige, die BETER weet.   

Een oprecht aarde-mens is natuurlijk. eenvoudig, onwetend; oprecht zijn eigen bewustzijn volgende; een ego raakt super-egocentrisch wanneer een Lichtzoon hem inspireert.   

Normaal egocentrisch, dus zichzelf redelijk handhavend, is de natuur ingegeven.  De aarde is, als planeet, absorberend, negatief, inhalerend.  

Gaan we de grenzen van de egocentriciteit te buiten, dan krijg je egoïsme, een niets ontziende zelfhandhaving ten koste van anderen.  Zulk een gedrag is ontstaan onder leiding van gevallen - voor hun ware zelf vluchtende - Lichtzonen. U kunt bij alle natuurvolkeren nagaan dat hun levensmoraal de eerbied voor de natuur insluit.  

Intelligent, niet intellectueel, intelligent jezelf bevoorrechten ten koste van ander leven, hoewel je niets meer behoeft, is de Lichtzoon eigen. Intelligentie is een gave van de Lichtzoon. 

Schijn is een uitgedachte methode van de Lichtzoon.  

Religieuze, geestelijke methoden zijn uitgedacht door een schijnheilige Lichtzoon, hoewel hij WEET dat de Grote Geest hem doorziet.  

Het is van deze schijnmens geen domheid, het is zelfbedrog; zelfbedrog dat uit de hand is gelopen. 

We kunnen dit spel zo goed spelen in navolging van de Pistis Sophia: "een ander licht aanzien voor Zijn goddelijke Licht" en hopen dat zelfs Hij zich daardoor laat bedriegen. 

Hopen dat ook de mede-Lichtzonen door dat valse Licht verlokt zullen worden.    

Het is nog steeds het oude gegeven van de indaling in de chaos, afgaande op een vals licht. En het lijkt of de eerste boetezang van het berouw nog steeds niet is gezongen.   

"O Licht der Lichten, ik dacht dat het licht met het leeuwengezicht Uw Licht was, maar ik heb mij vergist." 

"Ik heb mij vergist....", moeilijke woorden voor de hoogmoedige Lichtzoon. Moeilijke woorden ook in het dagelijkse leven, dat een nuance weergeeft van ons innerlijke zelf. 

Hoe dikwijls ondergaan we liever zielepijn dan een ego-belediging? 

Liever gezegd: een belediging van onze arrogantie. Een onderschatting van het zelf.    

Een gevallen Lichtzoon kan beledigd worden, daar hebben we allerlei mooie namen voor uitgevonden, maar hij kan gewond worden in zijn eigendunk.  

Dan is NIET dat geprovoceerde ego schuld, maar de hoogmoed van de gevallen, tegenstribbelende ziel. 

De eerste Boetezang is dan nog NIET gezongen.   

Beledigingen zijn geheel iets anders dan hartepijnen, dan ziele-leed, beledigingen worden uitdagingen als we aan die uitdaging niet kunnen voldoen worden zij frustraties, bitterheden, eindigend in cynisme, sarcasme, dikwijls in een verbreking van de verbintenis tussen God en ziel, Sophia en Pistis, mens en God. 

Voor een Lichtzoon zou dit onmogelijk moeten zijn, alles kan hem ontvallen slechts het Licht der Lichten en de bewuste verbintenis daarmede blijft.   

Dat is hem genoeg.  Daar draait alles om. 

Indien u ooit een moment die verbintenis hebt verloren, dan weet u hoe gruwelijk dat is. Dat is niet onder woorden te brengen.  

Dat begrijpt een aarde-mens niet, ook een hoogmoedige, voor zichzelf vluchtende Lichtzoon begrijpt dat niet. Zulk een verlorenheid tast het diepste innerlijk aan, het fundament van het ZIJN. 

Dat heeft niets te maken met het verliezen van een kerk, of een georganiseerd geloof; het heeft niets te maken met het wegvallen van enige autoriteit waaraan we ons vastklampten, hoewel dit alle zwakke afspiegelingen daarvan zijn, maar het gaat dan om het wezenlijke, het niet KUNNEN existeren zonder deze verbintenis. 

Het niet meer KUNNEN lofzingen, klagen, berouwen, spreken met DE BRON, omdat die er - voor jou - dan niet meer is. 

Er is slechts het grote niets.  En jij bent een zwevend stofje daarin.  

Schijn helpt niet, mensen kunnen niet helpen, jijzelf moet die verbintenis herstellen en dat kost een inzet van je ware zelf.  

Toch heeft dit te maken met een wedergeboorte-ervaring; een donkere tunnel, besef van het licht waaruit je kwam, en je weet NIET of die tunnel ooit eindigt.   

Dat is de betekenis van: Ik heb mijn geloof verloren.  

De Kennis van het ZIJN uit de geest of God.  

Iedere Lichtzoon, onverschillig welk etiket hij draagt, komt voor deze ervaring te staan.  Hij MOET dat ervaren.  

Slechts daaruit springt die fontein van Boetezangen op; geboortekreten van een berouwvolle op de terugweg zijnde ziel.   

Zulke geboortekreten uit men slechts éénmaal.  

Niemand kan in het leven steeds weer herboren worden. 

Alles wat we voor die eerste geboortekreet doen is schijn. 

Imitatie van hetgeen we ons herinneren, imitatie die we met behulp van literatuur en methoden prachtig uitbouwden. 

In deze geweldige bewogenheid van het "herboren worden" zijn alle z.g. fouten waaraan de medemensen aanstoot zouden nemen, onbelangrijk. 

Het geboren WORDEN telt en niets anders. 

En dat gebeurt in een onbedwingbare golfbeweging die van binnenuit komt. Die alles wegwist wat we uit angst ophielden en die alles blootlegt wat we trachtten te verbergen. 

Maar die ons de verbintenis - DE RE-LIGIO - hergeeft.  

Naar zulk een geboorte-moment toegroeien is het beste, dat de Lichtzoon kan overkomen. 

Hij weet niet WANNEER dat moment zal zijn, hij kan hopen, bidden, rekenen, z.g. zijn best doen, maar, net als met de lichamelijke geboorte, HET moment ligt verborgen in de schoot der goden.   

ZIJ oordelen wanneer de grote beproeving kan komen, en die gaat altijd vooraf door de donkere tunnel, waarin men schreeuwt om het Licht. 

Wanhopige pogingen doet om levend te blijven, zich overgeeft aan de golfbeweging, als een ziele-baby. 

Dan voltrekt die gevallen ziel de grootste arbeid die zij ooit op aarde volbracht had, en zij viert de grootste overwinning en zij smaakt daarna het hoogste, onsterfelijke geluk.  

Iemand die zichzelf overwint is sterker dan de mens die een stad inneemt. Iedereen kent dat woord.  

Maar dit "zelf" overwinnen heeft te maken met dat natuurlijke ego, met de hoogmoed van die gevallen ziel.   

Zichzelf moet eigenlijk met hoofdletters worden geschreven. 

Dit zelf overwinnen kunnen we niet door de ene of andere therapie leren, omdat de donkere tunnel die eraan voorafgaat ontbreekt, de wedergeboortetunnel.  

Niet te verwarren met allerlei ego-frustraties. 

Dat arme ego dat gekweld wordt, omdat die hoogmoedige ziel zijn rebellie NIET wenst op te geven. Het "onthecht" zijn wordt hier tot in het diepste diep gepraktizeerd. 

Als men niet een ogenblik van totale ontworteling heeft meegemaakt, weten we niet wat onthechting betekent. 

Dan is onthechting een kinderspel, een bijkomstigheid.   

Werkelijk, dit wedergeboortemoment is een onvergetelijke ervaring en bovendien bevestigt het een innerlijke onsterfelijke basis. 

Hieruit gelooft men niet, maar men WEET. 

Er is dan sprake van herkennen, onderkennen, proeven. 

Vanuit deze ervaring bezien is alle schijn lachwekkend en vooral: tragisch, omdat deze toneelspelende ziel op de vlucht is voor het GROTE MOMENT, dat hem het onsterfelijke Licht overdraagt als een zeer individueel ziele-bezit.  

We kunnen elkaar zulk een moment toewensen, maar beter nog is het, als we zelf zo intens waarachtig zijn, dat die donkere tunnel zich opent en we ons, schreeuwend om Leven en Licht, daarin storten, op weg tot het Licht der Lichten.   

Als dit ons begeleidt, wat kan ons op die weg door de aeonen, dan deren?

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene