431 - de irreële afgrond tussen de generaties

"Toen ik een jongen van 14 was, was mijn vader zo dom dat ik de oude heer nauwelijks in mijn omgeving kon dulden. Maar toen ik eenentwintig werd verbaasde ik mij er geweldig over hoeveel hij in die zeven jaar had geleerd." 

Mark Twain 


Alles is herhaling, er is niets nieuws onder de zon en daarmede zouden we moeten ophouden ons te verwonderen over het gedrag van de jeugd. 

Elke generatie, op de leeftijd van het ouderschap gekomen, begint de leeftijd van de jeugd anders te bezien. 

Zodra we zelf de blaadjes van onze jeugdige overmoed laten vallen, kijken we geringschattend of berispend naar de jongeren die hun blaadjes nog fris en glanzend de hemel tegemoethouden, zonder zich erover te bekommeren dat ook deze eens zullen afvallen en onverschillige mensenvoeten hen terzijde zullen schoppen. 

Elke nieuwe generatie kent zijn energie-explosies, elke oudere generatie kent zijn nukken.  

Beeldenstormen worden georganiseerd door actieve, rebelse jonge mensen, het lijmen van de gevallen beelden is het werk van de geduldige ouderen.  

Een jonge plant weet niet wat het wacht op het moment dat het zijn kopje door de aardkluit steekt, maar zijn aanpassing ligt als een erfenis in hem besloten, en maakt dat het die nieuwe omstandigheden kan trotseren. Gedrag hangt nauw samen met aangeboren gaven; het is afhankelijk van voorbeelden en het fundeert zich op de bodem van een overgedragen kennis. 

Waarschijnlijk is nooit het devies "kennis is ballast" zo hoog in een vaandel geschreven als heden; het is de tijd van de felle beeldenstorm: de ene helft van de mensen slaat kapot, de andere helft repareert; en we kunnen ons afvragen waarom er zo nodig een generatie-kloof moet zijn.  

De ouders verwijten de kinderen dat ze onwijs zijn, maar omgekeerd gebeurt hetzelfde. 

Ligt hierin niet de problematiek? 

Zodra we beginnen elkander als "zielen" te zien beginnen we ons anders te gedragen. 

In een jong mens kan een oude ziel zitten en omgekeerd, en zielloze figuren zijn er overal.  

Er zijn jonge en oude filosofen, geestelijke kennis is niet afhankelijk van leeftijd, maar van de ervaringen der incarnaties. 

Het is pijnlijker een oud mens onwijs te zien handelen, dan een jong mens iets doms te zien doen. De innerlijke kennis behoort elke mogelijke afstand tussen jong en oud te kunnen overbruggen.  

Een ervaringsrijke, oudere mens zou toch de reacties van jeugdige overmoed moeten herkennen. 

We kunnen één ding constateren: het overgrote deel der mensen heeft vergeten wat het hier op aarde doet; het heeft geen doel,  noch kent het levensgeluk. 

We hebben met ons allen een angstaanjagende wereld geschapen zonder er bij stil te staan dat we, oorspronkelijk, de bewaarders zijn van de schepping. Wij staan buiten de natuurlijke levenscycli van planten, mineralen en dieren. Zij hebben hun eigen wereld, volgen hun eigen ingeschapen wetten en hebben de mens totaal niet nodig. 

Deze begon echter een z.g. mensenmaatschappij op te bouwen en wilde dat de andere rijken die gingen dienen, de gevolgen kennen we. 

Onze uit de hand gelopen mensenmaatschappij is een wanklank binnen de natuur; als we nu proberen te herstellen wat we verknoeid hebben, is dat niet meer dan billijk, bovendien doen we het veelal terwille van ons eigen welzijn.    

Binnen zulk een mensenmaatschappij is het volkomen logisch dat er misstanden ontstaan, de verhoudingen tussen de mensen onderling slecht wordt, kortom: wij, mensen, hebben er een janboel van gemaakt.   

Ondanks onze filosofische redeneringen, ondanks ons denken, dat ons boven de dieren stelt; en ondanks al die religies die alle mogelijke uitwegen prediken.  

Uitwegen waaruit? 

Uit dit leven, dat beneden onze stand zou zijn?  

Maar wie heeft dat zo gemaakt? 

De jongere verwijt de oudere dat ze er een knoeiboel van hebben gemaakt; laat je die jongere zijn gang gaan dan doet hij precies hetzelfde, hoogstens let hij wat meer op het eigen welzijn.    

De generatie-kloof, als hij er is, ontstaat tussen onwijsheid aan de ene kant en verwijten aan de andere kant. 

Het beter willen doen dan de ander is een wens, die in vrijwel ieder mens is ingebakken, maar de ene uit het anders dan de andere. 

Onwetendheid omtrent de oerwetten van de natuur, en vooral onwetendheid omtrent 's mensen taak boven die natuur, werkt vernietiging in de hand.  

Ook de grote religies doen daar aan mee door hun volgelingen onwetend te houden. Een mensenmaatschappij is gegroeid uit een mensengemeenschap; en gemeenschap is heel iets anders dan maatschappij. 

Iedereen weet dat een kleine dorpsgemeenschap meer menselijke waarden behoudt dan een grote stad, laat staan een mensenmaatschappij die het hele land, zelfs gezamenlijke landen aangaat. 

In een echte menselijke gemeenschap ziet men elkander als mens en niet als leden. In een echte menselijke gemeenschap worden de vanzelfsprekende taken, tot behoud van die gemeenschap, verdeeld. Men neemt daaraan deel terwille van het geheel, niet terwille van de beloning. 

Als je de mensheidshistorie ziet dan is er een duidelijke neergang te herkennen in de menselijke opvattingen met betrekking tot heilige, onaantastbare waarden. 

Elk volk, elk ras beleeft zijn neer- of zijn opgang anders. 

Filosofie, zoals wij die heden kennen, is een uitvloeisel van een levensbelijdenis, die alle natuurvolkeren kenden, jong en oud. 

Oorlogen, moordpartijen zijn er altijd geweest onder aanvoering van dierlijke instincten; men streed om de overwinning, de eer, zoals men dat in de natuur ziet.   

Maar toen het goud, als betaalmiddel, zijn intrede deed toen is er iets falikant misgegaan. Ons denken werd omgeturnd, onze mentaliteit veranderde, het goud werd heerser en is dat gebleven. 

Niemand kan zeggen: ik haat dat geld. Ja, als een spontane opmerking. Maar iedereen zit in 't schuitje dat een redelijke existentie nu afhankelijk is van je hoeveelheid geld. 

Zelfs de religie, nu een zelfstandig apparaat geworden, is daaraan niet ontkomen. En ook de generaties en hun onderlinge problemen, worden geregeerd door het goud. of het geld. 

Bestaan betekent: genoeg geld hebben. 

Opgroeien betekent: zo goed leren of je best doen dat je voldoende geld zult verkrijgen. Naast deze gedachtengang bewegen zich dan de bijkomstige onderwerpen: religie, kunst, esoterie, occultisme, sport, gezondheid.   

Voelt u hoe we totaal aan de andere kant van de streep zijn aangekomen?   

En hoe we vanaf die verkeerde zijde schreeuwen om gerechtigheid, vrede, gezondheid en rust? 

En nu kan het gebeuren dat jonge mensen, die dus net hun kop in de gevestigde maatschappij omhoogsteken, bij zichzelf denken: Wat een hemeltergende ellende.  

Maar dat mag niet, want wij, de ouderen, hebben die maatschappij opgericht en we hebben zoveel gedaan, en geleden en gestreden.   

U kent dat wel.   

Aan onze maatschappij is geschaafd, goed.  

Maar dat schaven bracht mede dat hij uiterlijk beter werd, maar innerlijk ledig. Schaven heeft dat risico.  

Dat zie je aan BEschaving, alles uiterlijk goed houden, innerlijk kan het een aanfluiting zijn. 

We kennen geen armoede meer, zo zegt men dan, en de kinderarbeid is voorbij en de mensen hebben een menswaardiger bestaan, prima. 

Maar armoede wordt pas als pijnlijk gevoeld als de ander het rijker heeft, wanneer de menselijke verhoudingen onmenselijk zijn. 

Is het niet onmenselijk dat "ik het goed heb dank zij mijn geld" en de ander het slecht heeft dank zij zijn gebrek aan geld? 

Hoewel ik een goed mens ben, zonder geld en hij een slecht mens is, maar met geld?   

En is dat onwaardige intellectuele studeren soms geen kinderarbeid, kinderkwellerij?   

Waarom? 

Terwille van de positie, het geld, enkele uitzonderingen daargelaten. 

Maar die uitzonderingen zijn er ONDANKS de maatschappij. 

En wat is een menswaardiger bestaan? 

Een comfortabel huis, genoeg eten en drinken en vooral: geld.   

Liefst nog zo min mogelijk handenarbeid behoeven te doen.  

En nu zegt de jonge mens: Weg ermee.  

Handen, hoofden en harten moeten opnieuw worden belevendigd. 

Menswaardigheid is het actief deelnemen aan een groepsgeheel via het gehele mens-zijn. 

Als we, als gemiddelde mens, BETER zouden denken, d.w.z. edeler zouden denken, en niet slechts op een maatschappij-beeld zouden zijn ingesteld, zouden we menswaardiger waarden invoeren, waarden die te maken hebben met ons verloren god-zijn; waarden die behoren tot ons wachter-zijn over deze natuur. 

Hoe dikwijls is er al gepoogd de massa enigszins in die richting op te voeden, het lukt niet.   

Onze zintuigen zijn veranderd, hebben hun verfijning verloren; onze omgeving, onze omstandigheden, die we zelf creëerden, maakt van ons culturele, egocentrische, goed aangeklede beesten.   

Erger nog: we cultiveren onze instincten, we degraderen ze tot vermakelijkheid en onze religie, de vanzelfsprekende verhouding tot de Grote Geest, is een bijkomstigheid voor de zondag. 

Let wel: ZON-dag, de dag die het meeste licht zou moeten bezitten.   


Tot één van de oudste regels van een goede gezondheid behoren twee punten: 

een gelijkmatig humeur bezitten en gerechtigheidsgevoel hebben. 

En goede gezondheid is niet louter een lichamelijke kwestie.   

Ons denken is ziek, onze emoties verziekt, en dat brengt ons lichamelijke uit zijn ritme; we willen de waarheid niet zien, omdat deze tè eenvoudig is.  

En als we dan eindelijk wat zien, dan storten we er ons op als fanatici en gaan we een bedreiging voor onszelf en onze medemensen vormen.  

De enige oplossing is: proberen zo intuïtief en eenvoudig mogelijk te leven; complicaties, die de maatschappij ons opdringt, afwijzen. 

Protesteren tegen de moedwillige vernietigingsdrang die vele leiders bezielt, uit machtswellust; wij kunnen het slechte afwijzen en het goede behouden in onze eigen mensenmaatschappij. 

Eén van de meest funeste karakterverknoeiers is: beloning. 

Het beloond worden om een goede daad, een inspanning, een vriendelijkheid.   

Elke actie heeft immers zijn eigen reactie, die reeds beloning of afkeuring inhoudt. De vlucht in de z.g. "clubs", een nieuw verschijnsel, waarin gelijkgezinden elkanders gezelschap zoeken, zonder door enige autoriteit of anderszins gedwongen te worden, zegt al dat we maatschappij- en godsdienstmoe zijn. 

De gelijke interesse bindt.  

En zo zie je dat tijdens de huidige beeldenstorm op tradities, religies, autoriteiten, de mens vanuit een behoefte zijns gelijken zoekt. 

Op een menselijke uitwisseling gebaseerd. 

De behoefte van een volk of een mens dringt zich ALTIJD naar buiten en die behoefte is ons visitekaartje, nietwaar? 

De manier waarop wij een samenzijn beleven is kenmerkend; het is een moeilijke terugweg om ons mens-zijn, onze mens-waardigheid. als levend schepsel, (NIET als cultuurdier) terug te vinden.   

We komen dan terecht bij die verloren gegane eenheid: god- mens; vanuit die eenheid werd het gemeenschapsleven gesticht. 

Een gemeenschapsleven dat niet onderbroken werd door eigenbelangen, kleine groepsbelangen, kerkbelangen. 

Alles was in die algehele gemeenschap opgenomen en iedereen kreeg het zijne. Geld verleidt tot machtsmisbruik, tot gewelddadigheid en nog enige onverkwikkelijke zaken. 

Ook een nieuwe generatie moet tot zijn schrik ontdekken dat "koning geld" de grootste macht is. 

Een kloof tussen de jonge en de oudere mens wordt gedicht door VERwondering, door liefde, eerbied en erkenning of herkenning. 

Ervaringsrijke zielen selecteren totaal anders dan onrijpe zielen of zielloze mensen. 

Opvoeden kunnen we elkander niet, maar we kunnen wel zwijgend voorgaan. Niemand kan worden als de ander, maar we kunnen elkander wel injecteren met raad, opmerkingen, aanwijzingen of elkander behulpzaam zijn, de jonge de oude en omgekeerd. 

De oude mens moet LEREN inzien dat in een jong lichaam een oude ziel kan huizen, ouder dan hijzelf is misschien en de jonge mens moet herkennen dat het oude misschien traag geworden lichaam, een begrijpende, tolerante en wijze ziel herbergt.   

Als dat niet zo is waarvoor zou hij dan erkentelijk zijn?  

Bovendien, als dat jonge lichaam een oude ziel herbergt zal hij de jeugd van die ziel in dat oude lichaam herkennen èn begrijpen. 

De jonge mens rebelleert omdat hij weinig goeds kreeg overgedragen, de oude mens is beledigd omdat de jonge mens zijn bemoeienissen niet waardeert.    

Uit de hand gelopen rebellie is een tragedie; maar ook onwetendheid, starheid en oppervlakkigheid zijn beklagenswaardige zaken.    

Als er filosofen zijn die een afstand scheppen tussen een jeugdig mens en zichzelf, mist hij tolerantie, de glimlachende toegeeflijkheid, terwijl hij denkt aan zijn eigen jeugd. 

Als een jong mens, denkende dat hij de wijsheid in pacht heeft een ouder mens minacht, mist hij realiteitszin, is hij bezeten van het "ik ga het beter doen."    

Doch dat gaat voorbij. 

Alles gaat voorbij. 

Het wiel van geboorte en dood, van reïncarnatie, van afbraak en opbouw, draait verder en niemand houdt het tegen. 

Slechts zij die aan deze wentelende bewegingen ontkomen, reeds in het huidige leven door inzicht en rijpe levenshouding, zij worden wijs, worden voorbeelden, kleine, maar broodnodige lichten, in een maatschappij, een wereld, een samenleven, die een kwelling voor velen zijn geworden.   

Voorbeelden zwetsen niet, maar doen, of gaan.   

Voorbeelden maken ook optekeningen die de eeuwen trotseren; voorbeelden houden nooit tegen hetgeen geschieden MOET. 

Voorbeelden kennen hun verantwoordelijkheid en accepteren die, met alle risico's daaraan verbonden. Van zeer jeugdigen vraagt men niet of zij een voorbeeld willen zijn, als dat toch wordt gedaan is dat een vergrijp tegen de natuurwet. 

Van ouderen vraagt, veelal verwacht men het voorbeeld, dat is een ingeschapen natuurwet. Die onderlinge verhouding wordt reeds in het gezin vanzelfsprekend voltrokken en als daar die wetten falen heeft dat kwalijke gevolgen. 

De maatschappij, de gemeenschap werden verondersteld een grote familie te zijn, dat werd een teleurstelling. 

Dus waar moeten wij deze natuurlijke, noodzakelijke wet nu vinden? 

Als het gevoel voor de ingeschapen wetten verloren gaat is het houvast, het fundament, het zelfvertrouwen aangetast. 

Wie kan dan "ach en wee" roepen? 

Het is de beloning van eeuwenlange anti-menselijke, en anti-geestelijke levensstijl. 

En nu moeten we accepteren waarom we hebben gevraagd en zien dat we er het beste van maken, sterker: proberen uit puin of OP puin een klein bloempje van de hoop te zaaien.  

Maar we moeten het wel koesteren en het onze liefde geven en in onszelf zoeken naar al die oorspronkelijke waarden, die meehelpen om een levend medeschepsel tot bloei te brengen. 

Dan pas kun je zeggen: 

Hij of Zij was of is een LEVEND voorbeeld, een mens met liefde voor de wijsheid, een filosoof die zijn liefde beleed.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene