430 - natuuraanbidding, poort tot de geest

 "De natuur is een oneindig gedeelde God." 

Schiller  


Esoterici zijn mensen die achter de dingen schouwen; zij zijn ook dikwijls figuren, die de natuur minachten en dogma's vereren; of boeken vergoddelijken en de natuur als demon zien. 

Niet voor niets wordt er gezegd dat de filosofie en de natuur één taal hebben.  

Wat wij in de natuur verfoeien, is maar al te vaak hetgeen we in onszelf misprijzen; als we onze eigen fouten haten, zoeken we eveneens fouten in de natuur om onszelf te verontschuldigen. 

"Een mens is maar een mens", zeggen we dan.  

We vergeten echter dat deze mens een goddelijke Rede KAN bezitten om zich BOVEN de natuur te verheffen. 

Hij doet dit niet door de laatste te vertrappen, maar door hem te eerbiedigen en tevens te domineren. 

"Koning over de natuur" zijn heeft een veel diepere betekenis dan we wellicht vermoeden. Als we de natuur zien als een lagere uitdrukkingsvorm van de Schepper dan we zelf zijn, begrijpen we dat er een aanrakingspunt moet zijn tussen mens en natuur, evenals tussen mens en God.   

We kunnen de natuur niet de schuld geven van de misgeboorten door menselijke ingreep ontstaan; evenmin als we God de schuld kunnen geven van onze eigen fiasco's. Maar het is funest de natuur te negeren, terwijl men zich z.g. tot God of de geestelijke adeldom keert. 

Er zijn velerlei manieren om tot God te komen, en er er zijn allerlei ervaringen en leringen, die ons tot innerlijk ontwaken brengen. Daarin kan de natuur een belangrijke opgave hebben. De natuur is niet volmaakt, ook wij zijn dat niet. 

De natuur is, evenals wij, afgedwaald van haar vervolmaaktheid.   

De wreedheid die we haar toeschrijven is niets bij de menselijke wreedheid. Bovendien vinden we in haar geen kwaadaardigheid, het geslepen raffinement waarmee de mens het kwade tot uitdrukking brengt.  

Noch kent zij onrechtvaardigheid; noch doet zij iets onnuttigs. 

Zij is het beste voorbeeld van twee tegenstellingen die elkander aanvullen; in haar is lelijkheid gecompenseerd door nuttigheid; en dood wordt de dienaar van het leven. 

De alchemisten herkenden in de natuurwetten het geestelijke proces van omzetting. Het ene dat het andere wordt.  

Als geestelijke zoekers bevinden we ons midden in dit proces; alleen nemen we meestal niet intelligent deel aan de actieve omzetting, maar remmen deze af.  

De stimulator die de omzetting in gang zet is de ziel, zoals we weten; in die omzetting moet ik, ons ego, langzaam, wegvloeien, maar om het hieraan te laten medewerken, moet de ziel een harmonisch ego tot haar beschikking hebben, opdat zij dit redelijk kan aanspreken. 

Disharmonische, of ontspoorde ego's weigeren mee te doen, dan wel vluchten in de comedie; logischerwijze kan er dan geen sprake zijn van al-chemie, geestelijke ont-wikkeling.  

Uit dit ego bedenken we gecompliceerde leringen, excuses en methoden, die de realiteit van de omzetting nog even uitstellen.  

Zulk een gedrag is de natuur onbekend; of we moeten het vergelijken met de bekende existentiedrift; een gezonde natuur verzet zich tegen een onnatuurlijk sterven. 

Een sterk ego, bezeten van levensdrift ziet het geestelijke onzettingsproces als een tegennatuurlijk sterven en gedraagt zich dus als een rebel. Het beste bewijs dat de natuur de geest niet kan begrijpen, hoewel dit omgekeerd wel mogelijk is.   

We hebben een heel bouwwerk van methoden in 't leven geroepen om het ego dit schijn-sterven aannemelijk, dan wel aangenaam te maken. 

Een redelijk, harmonisch, maar vooral edel ego is echter te bereiken voor de bemiddeling van de ziel. 

Het is er eindelijk van doordrongen dat "het" hier op aarde niet te vinden is en zo kan het een gewillig oor lenen aan de ziel en haar herinneringen. 

Alles hangt samen met wat de mens "geluk" noemt. 

In het begrip "geluk" moeten ego en ziel elkander vinden.  

Een strijd tussen ego en ziel maakt de mens ongelukkig, en daarom kan men via het ego alleen nooit de poort tot de geest vinden; noch via de natuur, het levensdomein van het ego. 

De natuur harmoniseert het ego, waardoor de ziel er meer vat op krijgen kan, niet MOET. 

Maar ook muziek, schoonheid, harmonische uitingen van natuurlijke gaven, maken het ego rustig of harmonisch.   

Bezig zijn met een expressieve arbeid waarin het ego zichzelf kan verliezen, bevorderd de ontvankelijkheid.  

In een stadium van ontvankelijkheid - MITS harmonische impulsen binnendringen - gevoel ik me gelukkig. Elk mens heeft daaraan behoefte, alleen weet hij dat niet. 

Is religie anders dan een poging om een ontvankelijkheid te creëren, zodat harmoniserende trillingen de mens kunnen opladen?  

Of dit altijd lukt is een andere zaak.  

De religieuze mens doet het in zijn kerk, de a-religieuze mens doet hetzelfde in de natuur. Of de natuur een poort tot de geest kan zijn, kan men zich evenzo afvragen bij een religie? 

De natuur blijft neutraal; hetgeen de religie niet altijd is. 

Elke situatie die een mens tot een innerlijk gebed kan brengen, of tot een inzicht, is een moment waarin de poort tot de geest geopend wordt.   

Niets is alleen zaligmakend. 

Maar de poort tot de geest is wel bereikbaar NA een devotie van het ego. En een devoot ego is een begerenswaardig bezit, een bezit dat   heel dikwijls ontbreekt bij de esotericus, de occultist, of de zelfbewuste mens.   

Devotie is GEEN onderworpenheid, wel een respectvolle levensinstelling. Door dit respect worden de zintuigen anders ingesteld. 

Een zelfbewust, zich vrijvechtend mens, ontbreekt het dikwijls aan respect, en zet zich dan af tegen de hindernissen, hij ziet alles wat boven hem staat als een hindernis, inclusief de Schepper.    

Hij vlucht in de natuur om de devotie tegenover de Schepper te vermijden, gaat dan de natuur adoreren, om zo, via een omweg, weer bij de Schepper te belanden.  

In elk mensenleven MOET een moment komen waarop hij, geestelijk gesproken, op de knieën gaat. Maar daarvoor moet bij eerst STAAN. 

Mensen die zich, geestelijk bezien, net aan het oprichten zijn, kan men nooit vragen om te "knielen", omdat hen dan voorgoed de kracht ontbreken gaat om te STAAN.

De natuur leert ons knielen. De religie leert ons knielen. 

Esoterie, occultisme, psychotherapie enz., leren ons STAAN. 

Logischerwijze vallen de mensen uiteen in STA-figuren en KNIEL-figuren. 

Onderling verwijten ze elkander deze houding, omdat ze elkanders gedrag niet kunnen begrijpen door de eigen onvolkomenheid. 

Alleen de STA-figuur die leert knielen, overziet de situatie en begrijpt zowel de ene als de andere mens. 

Iemand die vanuit zijn staande houding leert knielen, komt nl. aan een nieuwe fase; een fase die BOVEN de natuur, BOVEN religie, esoterie of dwingelandij ligt.   

Hij komt tot een wedergeboorte van het "zijn", of van het eens zijnde. Hij wordt herboren in levensstijl, levensinzicht, levenshoop. 

De natuur wordt voor hem een harmonische verpozing, religie wordt een innerlijke zijnstoestand, esoterie wordt voor hem een vanzelfsprekende begeleider van zijn leven; hier krijgt men geen keiharde levenslessen meer om tot knielen dan wel tot staan te worden gedrongen; hier is er dan nog slechts sprake van vullen en ontledigen. Een wisselwerking tussen ziele-opname en ziele-afgifte. 

Het ego wordt beslist onbelangrijk. 

Een begeleider die men respecteren maar niet vereren moet. 

In dit stadium, en hoevelen van ons zitten in dit stadium, wordt ons leven bestuurd door die onaardse ziele-drang, die ons nooit doet stranden in allerlei ego-tripjes, lichamelijke zaken of dergelijke. 

Deze zijn voorbijgegaan mèt hun ervaringen. 

Let wel: zij zijn NUTTIG geweest; maar zij zijn niet meer toonaangevend. We houden ons hier aan een ingeschapen wet die zich langzaam maar zeker ontrolt. 

Onze interesse zal dan altijd esoterisch, NOOIT oppervlakkig zijn.  

Onze levensstijl houdt rekening met deze ingeschapen wet, een ingeschapen ritme en ook met de levensrechten van medeschepselen. 

De natuur is dan het boek dat we gelezen hebben, maar steeds weer doorbladeren, omdat we het mooi, indrukwekkend vinden en het dankbaar zijn voor de lessen.   

Het leven plaatst ons op een ladder, nietwaar? 

Dat leven bepaalt ook op welke sport we staan. 

Dat merken we aan onze levenservaringen, de ontmoetingen, de leringen die we krijgen.  

Geen mens kan beoordelen op welke sport van die levensladder een medemens staat. 

Dat is ook niet zijn taak. 

Iemand die zich ont-wikkelt, heeft het te druk met klimmen en vallen om zich druk te maken over de eventuele vorderingen van de ander.   

Hoogstens herkent hij ze, maar die oordeelt ziet toe dat hij niet valle......   

We hebben allemaal een leven van studie achter de rug; esoterische studie; sommigen hoorden talloze voordrachten aan; anderen lazen ontelbare boeken stuk. 

En nu? 

Zijn we nog even "begerig" om een geestelijke weg te gaan?   

Leeft in ons nog die onophoudelijke, niet uit te roeien drang naar de z.g. "verlossing". 

Verlossing waarvan?  Van een leven dat we haten?  

Van een situatie die we verafschuwen? 

Van een ego dat we geleerd hebben te minachten?   

Geestelijk worden of zijn; een geestelijke weg bewandelen?  

Wat houdt dat in? 

Dat we de natuur verwaarlozen, inclusief onszelf? 

Dat we zware plichten accepteren terwille van die "verlossing"?  

Dat we in een hiërarchiale beweging streven naar de hoogste graden? 

De fundamentele drieëenheid bestaat uit geest - ziel - stof, hoe we het ook mogen bezien.  Voor die geestelijke weg behoren we noch de ziel noch de stof te pijnigen, willen we niet zijn als de middeleeuwse kloosterlingen die zichzelf kastijdden.  

Kastijden kan zovele betekenissen hebben.  

Als we een geestelijke weg zouden bewandelen, dan wel een geestelijk mens zouden zijn, zouden fundamentele vijanden daarvan ons onbekend geworden zijn: angst, eerzucht, zelfverhoging zowel als zelfvernedering; en dan nog die overbekende oerzonden: jaloezie, gierigheid, hebzucht, hoogmoed, wellust, luiheid, en drift. 

Een geestelijke weg jaagt hen alle op de vlucht. 

Uit het gedrag van van de oerzonden, en de aanwezigheid van al die belemmerende emotionele bewogenheden kunnen we herkennen of we en hoe we op een z.g. geestelijke weg staan. 

Voor de poort tot de geest staan is een zaak van het ego, hij begeleidt de ziel tot aan de poort, door de poort heengaan is een kwestie van de ziel. 

De poort bevindt zich op de grens tussen ego en ziel, natuur en geest. De natuur kan ons, via een trillingsoverdracht, brengen tot aan de poort, dan moet de ziel het overnemen. 

Een trillingsoverdracht, vanuit een hoger levensveld, kan gebruik maken van merkwaardige voertuigen: van mensen, situaties, de natuur, woorden. 

Is het belangrijk welk voertuig het geestelijke gebruikt om ons te raken? 

Ieder mens heeft een andere situatie nodig, iedere mens heeft andere lessen nodig, iedere mens heeft een ander ego met andere gevoeligheden. Vergeet niet dat deze aanrakingen door ons ego heen moeten breken. Op zulk een moment is een esotericus gelijk aan een b.v. a-religieus of religieus mens; het gaat om hun ZIEL. 

Als zielen zijn we gelijk, slechts onderling verschillend in ontwikkeling. Alle zielen zijn uit eenzelfde OERMATERIA opgebouwd, in alle bevindt zich dezelfde wet, dezelfde latente gaven. 

Het geestelijke "zijn" verbindt deze zielen; zelfs een tikkeltje geestelijk zijn brengt onderlinge herkenning voort. Als we elkander dus totaal niet herkennen, betekent dat dat we nog niets geestelijks hebben gerealiseerd. 

Dit herkennen smeedt samen, ik zeg niet: ketent ons aan elkander, maar bindt samen; ook als men los van elkaar staat. 

Het samengedrongen worden, zoals de hond de schapenkudde doet, is geheel iets anders. Dat gaat onder bedreiging, van de hond of de herder. 

Vanuit zulk een geestelijk "zijn" kunnen we elkander vinden, onverschillig waar en onder welke omstandigheden. 

Daarom is een z.g. geestelijke weg niets anders dan een zijnstoestand, uitgedragen via het leven. 

Deze weg GAAN is hetzelfde als deze weg ZIJN. 

De natuur is altijd wordende, zij IS nooit. 

Het goddelijke van een mens is dat hij kan ZIJN..

Het ZIJN is hetzelfde als die befaamde Achtste Dag des Heren. 

Alle andere fasen hebben met worden te maken, het "worden" binnen de natuur kan daarom ons respect, onze verwondering opwekken, maar ons NOOIT tot in het ZIJN voeren, want dat kent zij niet. Maar daar we allemaal nog midden in het "worden" staan, is hier deze natuur een goed voorbeeld, een levensboek met wijze lessen, en als we verbeelden te "zijn" voordat onze wording is voltooid, verkeren we in een waan, die tot verstening voert. 

Stenen hebben ontelbare eeuwen nodig om te kristalliseren; hun wording ligt onder die van de planten en de dieren.  

Wij lijden aan verstening, dus zijn binnengegaan in een uiterst langzaam wordingsproces, indien we onszelf vastleggen in dogma's of ideeën. 

Vanuit dit verlangzaamde proces begrijpen we niets van degene die of datgene dat boven ons staat. En deze verstening kan zowel de kerkmens als de esotericus, de natuuraanbidder als de atheïst treffen. 

Zolang onze ziel gevoelig kan worden, aangeraakt kan worden door iets dat onaards of onbegrijpelijk is, vervallen we niet in de verstening, integendeel, dan beleven we het mens-zijn dat tot godendom kan voeren, als we binnengaan in het groeiproces van deze god-wording, of christus-wording.    

Alles om ons heen kan dienen om dit proces op gang te brengen of aan de gang te houden, daarom moeten we alert blijven, met wijd geopende zintuigen de wereld om ons en in ons proeven, want vandaag weten we nog niet wie of wat de geest gebruikt om ons te naderen. 

De lampen brandende houden, wakende zijn, intens verbonden met alles wat leeft, want het is het levende dat de geest tot ons brengt.   

En dat wat getuigt van leven, daarin is de geest. 

Onverschillig of dit een menselijke schepping, dan wel een natuurproduct is, datgene dat de geest over kan dragen, leeft. 

Hetgeen dood is getuigt van het dode; hetgeen levend is getuigt van DE levende.  

Niemand zal de getuigen aanbidden, maar wel Diegene of Datgene dat erdoor spreekt, zo zal de getuige altijd bescheiden, neutraal blijven, een kanaal, maar wel een voertuig dat waardig genoeg  werd bevonden om ZIJN getuigenis te dragen. 

Als we slechts zulk een getuige zouden MOGEN zijn- zou dat niet genoeg zijn? 

Wie zal zich dan nog druk maken om die z.g. verlossing. 

Zoals het gaan moet, zo zal het gaan.  

Zijn wil geschiede.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene