429 - het beklimmen van de hemelladder

"God heeft de mens een opgeheven gelaat gegeven en hen bevolen naar de hemel te kijken."  

Ovidius 


Wezens, gevormd uit geest en stof, zijn we jachtig op zoek naar een middelpunt dat hen beide bevat. 

We klemmen ons vast aan bezittingen, aan emotionele verbintenissen en sluiten compromissen om de onthechting te ontvluchten.    

Ons ideaal wordt ons toevluchtsoord, onze vrienden de klankborden voor onze mislukkingen en ons hart speelt treurmuziek.   

Wie ZIJN wij? 

Bepleisterd met godsdienstige dogma's, mystieke volzinnen en esoterie graven we een graf voor de ziel, die louter uit geest bestaat.  

We voeden ons met de verloren kruimels van een universele waarheid en nemen daar genoegen mee.  

Vermoeid klemmen we ons vast aan de maatschappelijke ladder en zien bedroefd omhoog langs een hemelladder, die we zo graag ZOUDEN willen bestijgen, maar ons er niet toe in staat voelen. 

In velen van ons is de streefdrift ingeschapen, het omhoog-klimmen is een behoefte en niets kan ons van een positie-verbetering afhouden.   

Lukt het niet om in de maatschappij iets te bereiken, dan projecteren we ons streven op een z.g. spiritueel vlak; en we staan er niet bij stil dat deze streefdrang wel eens een overblijfsel zou kunnen zijn uit een oerverleden, waarin gevallen goden of lichtzonen wilden concurreren met hun Schepper. 

Het "iets bereiken" willen en het onbevredigd, of bitter worden wanneer we iets niet hebben bereikt, is een eigenschap van oorspronkelijke hemellingen die het op aarde nooit goed genoeg vinden. 

Hoe we het ook bekijken, allen proberen we iets te realiseren van onze wensen, van onze idealen, van onze ideeën; de wensen, idealen en ideeën maken ons tot wie we zijn. 

Re-ligio, het weder-verbinden, behoort bij het idealisme van een mens; een mens zonder ideaal is als een bloem zonder hart; elke re-ligio voedt het idealisme, elke grootse idee wordt voortgebracht door idealisme.   

Zodra deze idee, of deze re-ligio, aan de maatschappij wordt prijsgegeven, blijft er van de oorspronkelijke kern niet veel over.  

Maar vormen worden verbrijzeld, doch idealen, en daarmede de re-ligio, blijven bestaan en zal altijd in een mensenziel voortleven. 

Daarom doet de mens tot op de dag van vandaag, zijn best om de hemelladder te vinden en die te bestijgen. 

Een idealist denkt verticaal; een materialist denkt horizontaal.  

Verbindt je beide dan heb je de kruisvorm. 

Niemand ontkomt aan dit beeldende kruis, want het slepen met òf de verticale òf de horizontale balk bevredigt ons niet. 

Beklimmen van de hemelladder, de weg terug, is niets anders dan proberen het idealisme en het materialisme aan elkander te voegen,

Afzonderlijk kunnen geen van beide bestaan. 

De materialist spot ten onrechte op de idealist en omgekeerd; de stoffelijke realiteit van het materialisme behoedt ons voor irrealiteit of zweverigheid, waaraan ons organisme te gronde gaat. 

We weten allemaal dat er onder de esoterici heel wat zwevers zijn, psychisch ontspoorde mensen, neurotische figuren, eenvoudig omdat de realiteit, de vormgeving, of de daad, wordt afgewezen. 

Re-ligio, en de terugweg of hemelladder, is een product van onze verbeelding; het geloof in die beeltenis houdt ons zoekende, voedt ons optimisme, maar de angst voor teleurstelling of zelfs gemakzucht wijst een verwerkelijking van onze idee af.   

Zolang we idealist zijn òf materialist zijn we slechts half mens, de ene vergeet dat de Schepper ons op aarde stelde, de andere  vergeet dat we een "gezicht kregen dat naar de hemel schouwt".   

De tragiek van de esotericus is meestal dat hij zich verheven voelt boven de kerkmens, en daarbij meestal zich nog te hoog acht om humaan, barmhartig of liefdevol te zijn.  

Hij negeert de eerste beginselen van de kruisopname, het vervaardigen van de kruisvorm.  

Hoe we ons ook noemen, we slepen allemaal met één balk van dat kruis, en we beklagen ons allen dat we moe worden.  

Zinloos moe.  

Oorzaak: het bij voorbaat weigeren een ideaal te verwerkelijken, dan wel louter materialistisch bezig zijn, hoewel we er een spiritueel sausje overheen gooien.   

Het in zichzelf teleurgesteld worden kan iemand meer vermoeien dan enige andere inspanning.  En we zijn teleurgesteld omdat we geen zichtbare resultaten ontdekken.  

Ons beklimmen van de hemelladder blijkt een farce, irreëel te zijn. 

Hoewel we zeker weten, dat we, via de hemelladder, terugkomen vanwaar we gekomen zijn, nietwaar? 

Een hemelladder beklimmen we met geheven hoofd, nooit met de blik omlaag. We kijken niet naar directe resultaten, maar we DOEN uitsluitend iets, we klimmen uitsluitend om het DOEN of het KLIMMEN zelf. 

Dat is nu iets wat de westerse mens heeft verleerd. 

Natuurvolkeren houden zich alleen bezig met hun existentie, ze leven om het leven zelf. Wij schijnen niet zoveel meer om dat leven te geven - en dat geldt zeker voor de esoterici - en willen amusementen hebben, een bij-BEL.  

Zich totaal aan iets wegschenken is een spontane daad, voortkomende uit een intense innerlijke bewogenheid. 

Re-ligio, het zich weder-verbinden, vroeg oorspronkelijk de totale inzet van innerlijke en uiterlijke mens. 

Nu beschouwen we dit als een amusement, een bijzaak; theorie en praktijk werden uiteengerukt, en een gevoel van onbevredigdheid, van onvrede of ongelukkigheid bleven achter. 

Alles wat niet totaal wordt verwerkt of omgezet, schenkt onvrede.   

Als we esoterisch praten en materialistisch doen, worden we vijanden van onszelf.  Deze vijandschap tegenover onszelf wordt het begin van ON-geloof, cynisme, zelfvernietiging. 

Omdat WIJ de hemel nog niet hebben gezien, wil dat niet zeggen dat die hemel niet BESTAAT.  

Dat moeten we goed begrijpen. 

Indien we falen in het verwerkelijken van ons spirituele ideaal, het beklimnen van de hemelladder, wil dat niet zeggen dat die hemelladder niet neergelaten is. Niemand heeft het recht of de plicht zijn naaste diens ideaal te ontnemen. 

Een ideaal zet ons aan tot klimmen. Het maakt ons verticaal gericht; het materialisme bepaalt ons bij een horizontaal streven. 

Wij zijn op aarde ingedoken met een geestelijk ideaal, opgetekend in de ziel; dat we dit ideaal niet maatschappelijk maar wel individueel verwerkelijken kunnen, zullen we intussen hebben ervaren.   

Alle esoterische, dus verborgen begrippen hebben een tegenhanger in de stof. 

Niets bestaat op zichzelf, alles is tweeledig. 

Uit een tweeledigheid komt een verlossing, het licht, het product.  

Het mankeert ons aan die volwaardige tweeledigheid, hoewel we weten dat we zonen van hemel èn aarde zijn.   

Maar we kunnen beide NIET aan elkaar voegen, dat is onze tekortkoming, en deze tekortkoming breekt ons op.  

Soms willen we de irrealiteit coûte que coûte behouden, en wijzen we de realiteit af; onze tijd is een tijd van realisme, van ontmaskering van de zweverige nonsens, en we worden allen beproefd op onze innerlijke zekerheid, op die onuitroeibare geestelijke kern, waarin abstractie en concretie samenwonen.   

We WETEN dat we geestelijk KUNNEN zijn, omdat we het eens waren, en we beseffen heel goed dat al onze schone theorieën slechts uitstel van een verwerkelijking vormen, omdat we iets los moeten laten dat we beminnen.   

De irreële idealist bemint het onwezenlijke; de materialist bemint het wezenlijke en beide durven niet iets in te leveren om het andere te ontdekken. 

Niet DURVEN inleveren, daar zit 'm de kneep.   

Voordat we onze voet op de eerste sport van de hemelladder zetten hebben we al hoogtevrees. 

Waarom? 

Omdat we ons ideaal, de werkelijkheid van de re-ligio NIET meer kennen; we hebben de realiteit, de vorm van ons ideaal verloren.   

We zijn vergeten dat het mens-zijn stoelt op de re-ligio. 

Alle moderne therapieën maken van ons GEEN volwaardig mens, naar slechts een keihard ego en dat is iets heel anders, dat is dierlijk. 

Het zichzelf handhaven, ondanks alles.  

Het principe van "iIkke en de rest kan stikken". 

Een re-ligio, en esoterie is RE-ligio, maakt ons bewust van ons "opgeheven gelaat naar de hemel" en onze voetjes op de aarde. 

Juist de esoterie zou deze beide, hemel en aarde, samen moeten voegen, omdat oude wijsheid verklaringen geeft van ons zijn op aarde, en van het waarom van de hemelladder.  

Geen enkele esotericus, d.w.z. iemand die de esoterie kent, behoeft verder op zoek te gaan naar de essentie van het zijn, of van het leven.  

Hij heeft een studieboek gekregen, hij kent dat, nu blijft er nog slechts de praktijk over.   

De praktijk van een volwaardig mens-zijn, meer dus dan de doorsnee-mens, die totaal geen andere wensen heeft dan brood en spelen.  

Wat behelst die praktijk? 

Alle gaven van het mens-zijn exploiteren: goede kwaliteiten, be-zield door een stukje hemel.    

Laten we niet vergeten dat z.g. slechte kwaliteiten door een volwaardig mens-zijn omgepoold kunnen worden in goede, d.w.z. geestelijk bezielende. En laten we nooit aankomen met die dooddoener van het "Ik kan niet", want idealisme, zowel als een geconcentreerd materialisme realiseren het onmogelijke. 

Wat zal dan spiritualisme niet kunnen, waarin beide verenigd zijn? 

Bovendien vinden we in spiritualisme het "zich onthechten", zowel van het materiële als het ideële. 

Voordat onthechten komt moeten we echter eerst weten wat "hechten" is; niemand die bij voorbaat zich NIET hecht kan terugzien op een innerlijke ervaring. 

Wij zoeken naar de hemelladder omdat we GEHECHT zijn aan de hemel. De waarachtige onthechting doet geen pijn, omdat er geen angst mee gemoeid is. 

Laten we onthechting niet verwarren met ontworteling, er behoort slechts het besef te zijn van tijdelijkheid. 

Re-ligio is een tijdelijke plaatsvervanger voor de verloren geestelijke werkelijkheid. Maar we moeten deze nooit verwisselen. 

Esoterie is eenzelfde plaatsvervanger, want het "praten over iets dat verloren is gegaan", houdt de wond open, of troost. 

Onze behoefte aan esoterie is als het zichzelf warmen aan een herinnering. Maar logischerwijze bevredigt of voedt dit de ziel nooit. 

Voeding vindt de ziel in een realiteit. 

Dat wat we innerlijk WETEN is eveneens het resultaat van een realiteit uit een vorig leven.  

Realiteit verandert ons, neemt onze angst weg, en geeft klim-ervaring; de realiteit van alledag is dat "ik verlang naar de hemel" en besef op aarde te zijn. 

Welnu. dat moeten we accepteren.   

En diep in onszelf ligt er een ontmoetingspunt tussen die hemel en die aarde - ons gulden midden, hara, de zonnevlecht, ons ZIJN - en hierin moeten we een evenwicht vinden.  

Dan kunnen noch de hemel noch de aarde ons uit ons evenwicht brengen: we worden dan noch een irreële idealist, noch een keiharde materialist.   

Alleen op deze wijze kunnen we ons eigen kruis vormen. 

Spiritualisme is een evenwicht tussen boven en beneden; een mens-zijn dat doorlicht wordt door een goddelijke afkomst. 

We kunnen dus geen enkele goede kwaliteit negeren, we kunnen nooit onszelf bedriegen met het schijn goed-doen; we kunnen nooit één aspect van het mens-zijn overslaan, want via dit mens-zijn beklimmen we de hemelladder, NIET via een leer, naar via het mens-zijn, met ondersteuning van een idee of een ideaal.  

Er is geen wijsheidsleer die niet kan worden omgezet in een mens-zijn. Het "zo boven zo beneden" LEVEN, is iets totaal anders dan het lezen.  

Esoterie, überhaupt spirituele kennis, mag NOOIT iemand uit zijn evenwicht brengen, indien dit het geval is, dan zijn de kennis of de mens onwaardig. 

De oude opvatting dat iedere mens datgene ontmoet dat hij nodig heeft, zouden we meer in acht moeten nemen; we krijgen altijd nieuw voedsel als het oude verteerd is, niet eerder.  

Dat is een geestelijke ontwikkelingswet. 

Streefdrift ontwricht deze wet naar al te dikwijls. 

Ook religieus materialisme houdt hiermede geen rekening.  

Daarom kan de ene mens veel meer spirituele energie aan dan de andere; het is een kwestie van innerlijk ruimte scheppen. 

Oververzadiging maakt ons lichamelijk en geestelijk ziek. Een beetje honger is beter dan oververzadiging. Materieel zijn we, in deze materialistische tijd,  oververzadigd. Die toestand schept geen ruimte voor spiritualiteit, integendeel. We zoeken slechts afwisseling en dat heeft NIETS te maken met re-ligio of spiritualiteit. 

Spiritualiteit heeft direct te maken met ons ZIJN. 

Spiritualiteit is geen leer, noch een tijdverdrijf of een studie; het is het ZIJN van alledag. 

Een spiritueel mens staat dan ook midden in de realiteit van zijn leven van alledag, hij heeft elke dag met zichzelf te doen en met zijn verhouding tegenover de buitenwereld. 

Spiritualiteit komt direct uit de ziel, staat in wisselwerking met de ziel, IS de ziel.    

Hoe zouden we deze spiritualiteit dan kunnen veinzen of kunnen verdringen? We zouden daarmede direct onszelf aantasten.   

Spiritualiteit is een volkomen normale uiting van een volwaardig mens.  

Waarom zouden we daarover uitgebreid discussiëren? 

Bij dit mens-zijn behoort het beklimmen van de hemelladder, vanaf het moment dat hij weet meer te zijn dan een dier.   

Geen enkele studie maakt ons - innerlijk - verheven boven het dier, dat toont ons de maatschappij duidelijk.  

Maar de spiritualiteit, als ZIJN, bewijst onze edele staat. 

Ons streven naar die spiritualiteit hoe fout ook geuit dikwijls, bewijst dat we VERMOEDEN of WETEN dat we kinderen van hemel en aarde zijn en de Schepper in ons omdragen. 

Zodra we deze behoefte door enige vorm van spiritualiteit verliezen, hebben we onze godenherinnering verloren.  En daarmede vervallen we in een dierlijke existentie, inplaats van als een volwaardig mens te leven. 

Elke therapie, elke methode kan ons aanleren hoe we ons als mens-dieren moeten gedragen, omdat de biologie en de biochemie dat wel napluizen; maar wie zal ons leren als volwaardige godenmensen te leven? 

Dat leert ons die ervaring op de hemelladder, de beweging van het klimmen geeft ons uit- en inzichten, en dringt ons, ons naar onze waardigheid te gedragen. 

Als we onszelf in de praktijk bekijken, dan kunnen we merken hoe dikwijls wij ons onwaardig gedragen, bezien vanuit het godenmens zijn. Bezien vanuit het dier, zijn we soms meer, soms minder.  

Maar is het onze opdracht onszelf te vergelijken met dieren? 

"We kregen een gezicht dat de hemel moest schouwen", opdat we die hemel niet zouden vergeten. 

En allen kunnen we begrijpen waarom!   

Omdat we goden waren en tot goden herboren moeten worden.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene