427 - het onsterfelijke gerucht

"Het is niet nodig de dingen te begrijpen om erover te redeneren." 


Er zijn maar weinig mensen die kunnen denken over dingen die ze niet begrijpen, de meesten redeneren erover zonder ze te begrijpen.  

Wanneer we in een debat geraken over het ene of andere geestelijke onderwerp, betekent dat, dat we geen begrip hebben van het onderwerp. 

Onderscheid is namelijk een gevolg van intellectualiteit; als beiden zich niet identificeren met het onderwerp, spreken ze over iets onbekends. 

En onbekendheid geeft altijd reden tot discussie en felle debatten. 

Identificatie met iets geeft eerder reden tot zwijgen en wijs glimlachen.  

Als deel van de eeuwigheid zouden we dus, diep in onszelf, ons moeten kunnen vereenzelvigen met de eeuwigheid. 

Als we over God discussiëren is dat een bewijs dat we God niet kennen, maar slechts praten over een door ons gevormde beeltenis. 

Het is een menselijk voorrecht dat hij over de kracht van het woord beschikt, maar dit voorrecht keert zich tegen hem zodra hij het woord gebruikt om zijn ledigheid te maskeren. 

Iedereen weet dat het woord, door zijn trilling, magische kracht bezit; iedereen zou kunnen weten dat samengebalde kracht eveneens magische macht bezit. Daarom bezitten twee redetwistenden veel minder macht dan één zwijgende mens.  

Het zich kunnen identificeren met iets of iemand, maakt veel meer kracht vrij dan strijd, aanval, discussie of geredeneer. 

Identificatie brengt eenheid; alle vormen van discussie brengen tweeheid, verdeeldheid.  

Identificatie is de toegangssleutel tot begrip en waarheid.  

Het is meer dan vereniging, het is eenheid; deze mogelijkheid tot één-zijn is de mens gegeven, omdat hij geest is; geest is God - is eenheid.  

Eénheid staat boven alle verdeeldheid. 

Samenvoeging van twee ego's of wezens betekent nog niet dat zij zodanig één zijn, dat zij één en dezelfde worden.   

Dit "één en dezelfde" worden, is echter de eis die het goddelijke aan Zijn geest stelt, d.w.z. aan onze individuele goddelijke geest. 

Alles wat geest is, kent het vermogen tot eenheid, identificatie, omdat alles uit deze geest komt.  

Zich identificeren met onderdelen van de schepping, met mensen, met woorden, of ervaringen, is een geestelijke gave die het ego niet is toebedeeld.   

Hierin ligt het onderscheid tussen geest en ego, dus tevens het bewijs dat zij twee wezens vormen; de geest echter, als de hoogste en edelste trilling, is in staat zich te identificeren met zijn schepping, maar omgekeerd is dit onmogelijk. 

Ons ego kan slechts onder leiding van de geest komen tot een invoelen en volkomen geabsorbeert door een tegengestelde of andere trilling. 

In de natuur is het hoogste: de samenvoeging; of het omzetten, waarbij het ene het andere wordt en niet weer tot zichzelf terugkeert.    

Het geestelijke kan echter iets anders WORDEN en zich daaruit weer ongeschonden terugtrekken. 

Een onmogelijke handeling voor het ego of de natuur. 

Het is het gevolg van het "te allen tijde dezelfde blijven", zoals men van God zegt.  Wij bekijken alles door onze eigen bril, een volkomen natuurlijke zaak en we beseffen heel goed dat van alle waarnemingen en suggesties iets in ons blijft hangen, zodat wij daardoor altijd enigszins veranderen. Immers. als we veel slechte dingen van iemand hebben gehoord, blijft er altijd zoveel hangen dat we bij een ontmoeting die ander anders bezien, of we willen of niet.  


En nu is daar een onsterfelijk gerucht, nl, dat de mens de eeuwigheid in zich omdraagt en uit het Licht gekomen is. 

Dat gerucht bestaat tot op deze dag en heeft nooit aan indrukwekkendheid ingeboet; waarom geloven velen dit gerucht? 

Waarom weten velen dat zij een eeuwigheidswezen in zich omdragen, hoewel hun gehele leven het tegendeel bewijst? 

Omdat hun eigen innerlijke geest zich identificeert met dat gerucht, en door deze identificatie stroomt er een impuls door het gehele organisme, waarop de mens zegt: "ik geloof dat, hoewel ik eigenlijk niet weet waarom."    

De eigen geest werd één met de Grote Geest achter dat z.g. gerucht.  Dat wat één is, laat zich nooit scheiden. 

Daarom is een spiritueel mens trouw aan de geest, 

Daarover behoeft niet te worden gediscussieerd.  

Als we met veel woorden opgepept moeten worden om "geestelijk" te zijn, of de geest te eren, betekent dat, dat we op dat moment volkomen ongeestelijk zijn, de individuele geest werkt niet.    

In de plaats van de eenheid met de geest, de identificatie, kunnen allerlei methoden komen die echter benauwend werken, omdat twee verschillende wezens nooit onder druk, harmonisch één kunnen worden.  

Identificatie met iets kan een vreugde zijn soms een smart, maar geeft altijd een sensatie van een vol-ledigheid. 

Uit identificatie komt liefde, begrip, mede-lijden enz., maar ook: handeling. Identificatie laat de mens nooit onberoerd, aldus handelt hij; intellectualiteit, redenering, theorie, laten hem onberoerd. 

Identificatie is meer dan magie, het is ZIJN. 

Magie heeft altijd tot doel het mindere of zwakkere te beïnvloeden; identificatie is het inleven, onverschillig wat daarna komt. 

Wel, als we over spiritualiteit praten, dan gaat het om dat inleven, dat éénworden; het is een gebeuren, niet een statische toestand. 

Het "ik ben ik en jij bent jij" is een dualistische situatie, die in de geest onbekend is.   

Vandaar dat zielen nooit eenzaam zijn, dat zielen elkander begrijpen, dat zielen nergens elkanders tegengestelden zijn, maar slechts gradueel verschillen. 

Een ziel kan overvloeien in de andere; verschillende zielen kunnen tot één sterke ziel worden. Dat gaat ongedwongen; het gelijke glijdt over in het gelijke, waarbij het hogere en het lagere niet worden geteld. 

Als de ene ziel de mede-ziel herkent, vallen woorden en discussies weg; uitleg is onnodig, slechts de identificatie telt. 

Vandaar dat sommigen door een herkennen ontroerd kunnen worden.  Het is de tragiek van het intellect dat het veelal zo'n herkennen vernietigt; omdat het intellect behoort tot de sfeer van de verdeeldheid, de tweeheid, de tegenstellingen.    

Het geestelijke "herkennen" van iets of iemand, komt altijd uit de ziel voort; het ego sympathiseert ergens mee, hetgeen geheel iets anders is. 

Gelukkig kent onze ziel, als restant goddelijkheid, de ondeelbaarheid en tegelijkertijd de alomtegenwoordheid van de geest, waardoor zij dus de tweeheid of verdeeldheid binnen onze wereld kan beheersen.  

Kan onze ziel dat?   

Men zegt zo dikwijls dat we van binnen worden verscheurd, maar in werkelijkheid zou onze ZIEL nooit kunnen worden verscheurd, omdat zij "geest uit geest" is. 

Wat wordt verscheurd is ons ego, ons denken en ons hart strijden met elkander; dat maakt ons beangst, ziek en vertwijfeld.   

Maar geest is één, gaat vrijelijk in en uit zonder zichzelf te veranderen. Als wij zeggen: "ik word geestelijk verscheurd" is dat al een teken dat we totaal niet weten wat geest is, wat eenheid is, en wat God zijn.  

Op zo'n moment is onze eigen inwonende geest afwezig of zo zwak dat hij die gespletenheid niet kan beheersen, kan doen samenvloeien.  

Wij tobben en strijden binnen de gesteldheid, die ons op alle niveau's tegentreedt; dat heeft niets met geest te maken, hoogstens met afwezigheid van geest.  

Spiritualiteit is identificatie met de geest, dus: geest ZIJN.

Is dat niet de moeilijkste opgave voor een mens: je identificeren met een ander, met iets anders? 

En ligt daarin niet onze beperking? 

We kunnen trachten zoveel mogelijk te denken, te voelen als een ander, maar slaan daarbij veelal voor 90% de plank mis.  

We identificeren ons met die ander vanuit ons ego, hoe zouden we anders kunnen?  

En iedereen weet dat ieder mens een individu is, niemand is gelijk, niettemin vindt heling en spiritualisering plaats langs de weg van de gelijkheid. 

Ooit daarover nagedacht? 

Herstel gebeurt op basis van het gelijke en toch is ieder mens anders.  

Waar komt die herstelwet dan vandaan? 

Overal herkennen we die merkwaardige wet van het "gelijke dat het gelijke" helpt. Ook de geestelijke genezing komt hieruit voort.  

Iemand die zich vanuit zijn individuele geest met God of Geest kan identificeren, herstelt zichzelf totaal.   

De rem ligt opnieuw in deze identificatie, die slechts vanuit de geest gelukt. Eénheid, één zijn, ontkoppelt kracht.  

Als ver-enigen al kracht vrijmaakt, wat zal dan één ZIJN niet doen?  

Zo kan een ziel, die een woord hoort, een trilling opvangt, zich plotseling identificeren met die trilling en daardoor zichzelf opladen, machtig gevoelen.    

Iedereen kent deze sensatie als iets van binnenuit wordt herkend.  

De grootste vreugde komt uit dit herkennen, een ervaring die voor menigeen onvergetelijk is, maar waarvan hij denkt dat deze eenmalig zou zijn. 

Niets is minder waar.  Geest is alomtegenwoordig. 

Overal kan men aldus zulk een herkenning ondergaan en zo is zulk een ervaring voor herhaling vatbaar.   

MITS de ziel BLIJFT bewegen. 

MITS zij ontvankelijk blijft voor eeuwigheidswaarden, voor alles wat met het "onsterflijke gerucht" te maken heeft. 

Indien zulk een herkenning zich voor het gehele leven tot éénmaal beperkt, betekent dit, dat de betrokken mens stilstaat, dat zijn ziel toegesloten werd, hij het geestelijke element verloor, dan wel latent maakte.  

Een mens kan soms het gevoel hebben dat hij van binnen dood is, dat er iets uit hem is verdwenen en soms stemt hem dit verdrietig, soms bemerkt hij geheel niets en stelt zich tevreden met imitatie-bevredigingen. 

Zolang men verdriet kan gevoelen om dat "dode ding" daarbinnen, is het een teken dat de ziel zich beweegt, dat zij zoekt, dat zij hunkert, en vooral: dat zij probeert door de bedekking heen te dringen; een bedekking, die door het handelings-, denk- en emotionele leven van de mens, er overheen werd gelegd.   

Een ziel kan verstikt worden. 

Kent u dat gevoel van verstikking; buiten de nerveuze uitingen, als het emotionele- en denkleven weggeduwd worden?   

Een ziel dreigt te "stikken" als een schijnleven alle aandacht opeist; zij dreigt een "dood ding" te worden als zij geen voedsel meer ontvangt, hoewel zij hunkert. 

Kent u de sensatie dat u hongert en toch niets ontvangt? 

Kent u de pijn die dat veroorzaakt, de wanhoop? 

Dan wil de ziel één worden met de geest en zij kan niet, want er is geen geest. Hetzelfde kan iemand overkomen als hij TE lang onbenulligheden moet aanhoren, TE lang nietszeggende dingen moet doen, TE lang zich moet verenigen met zielloosheid.  

Dan dreigt de ziel uit haar voegen te barsten, maar er is niets waarin zij zich kan uitstorten.  

En dus blijft zij IN deze mens en pijnigt hem met haar honger, haar heimwee, haar intense zoekersdrang. 

Voelt u dat dit heel iets anders is dan overal en nergens zoeken naar interessante onderwerpen? Discussies en gesprekken bijwonen? 

De ziel wil zich GEVEN - het ego verdeelt zich. 

In elke eeuwigheidsglimp stort de ziel zich uit in extase of enthousiasme, zij wil één worden, zich daarmede identificeren.   

Zij zoekt geen tweeheid of verdeeldheid, die KENT elke gevallen ziel - en die berouwt ze.   

Zij zoekt HERkennen en eenheid. 

Let in uw leven daarom vooral op dat geestelijke herkennen en leg uzelf vooral geen suggestie op door te denken dat zoiets éénmalig is; hierdoor vervalt men in citaten, het terugkijken, dus het stilstaan, en het leven uit herinneringen. 

Een ziel wordt niet gevoed uit herinnering, want zij IS herinnering, maar zij wordt gevoed uit herkenning en één worden.   

Om herkenning te vinden moet zij zich echter BEWEGEN, laten we dat niet vergeten. Van niets komt niets.  

Een luie ziel is een latente ziel. Een luie ziel vegeteert, het voedsel raakt op, dan komt die sensatie van dat "dode innerlijke ding" en daarna is er niets meer, verharding, geestloosheid, einde.    

Een nieuw begin is dan noodzakelijk. In een volgend leven, en in het beste geval na een shocktherapie, nog in dit leven.  

Harde, ingrijpende ervaringen, verdriet, ontgoocheling, enz. 

Zolang onze ziel zich kan identificeren met de trilling der eeuwigheid, onverschillig waar deze is, leeft ze, is er mogelijkheid tot ONT-wikkeling, maar wee haar als zij dat niet meer kan. 

Als ze in herhalingen valt, als ze steeds over hetzelfde droomt. 

Re-ligio is WEDER-verbintenis; deze blijft sterk en krachtig door eenheid in de geest.   

Elk mens is in zijn ziel re-ligieus, wat zijn ego daarover ook meent. 

Het ego is NIET religieus, het kan gehoorzaam zijn, of slaafs, dan wel betweterig of sentimenteel; maar het is NIET religieus, hetzij dat het de verloren natuurlijke harmonie zoekt en dan wordt het bereikbaar voor therapieën.  

Als je je religiositeit verliest, en dat heeft NIETS te maken met psalmen zingen, dan is er iets mis met het restant innerlijke goddelijkheid. Het is die vreemde behoefte om één te zijn met die grote universele Motor, om totaal op te gaan in een aanraking, hoewel men daarna opnieuw een individu is, ONVERANDERD als individu, zelfstandig denkend, zelfstandig oordelend, zelfstandig, zonder suggestie, iets wensend. 

Een ziel getuigt ergens van, het ego citeert.   

Getuigenissen zijn levend. doortrild van weten, nietwaar, citaten kunnen schoon gearticuleerd, stilistisch juist zijn, maar ZONDER éénheid, identificatie met hun trillingsbron, blijven ze zielloos.

Een geestelijk mens KENT de geest. 

Kennis van de geest verandert iemands leven, zijn opvattingen, zijn waardebepalingen. Een luie ziel is een ongeïnspireerde ziel en elke levende ziel wordt geïnspireerd door de geest, omdat zij deze IS.

Is de ziel niet de wederhelft van de geest, zijn negatieve of ontvankelijke zijde, zoals de esoterie zegt? 

In de esoterie vinden we aantekingen over het zevenvoudige en het achtvoudige pad, allerlei beschrijvingen, getuigenissen, beproevingen. Niettemin sijpelen er af en toe ook berichten door over het negenvoudige of negende pad, logischerwijze een bekroning van het achtste. 

Hoe zouden we dus ooit kunnen stilstaan bij de idee dat alles met zeven fasen, zeven beproevingen, zeven perioden afgelopen zou zijn?  

Mensen die genoegen nemen met citaten vervallen in herhalingen, zoals het getal zeven herhaling wordt als het niet door de acht wordt achterhaald. 

In de geestelijke leringen keert men veelal terug bij het achtste, het DOEN, de opgang via het kruis, maar wat komt er NA het doen? 

Dat weten slechts zij die DEDEN. 

De ziel, die levend is, DOET spontaan, zij stort zich uit in elke confrontatie met de geest; dit DOEN werkt uit in het leven van de betrokkenen en de gevolgen noemt men "het achtste pad".   

Welke ziel, die hunkerend en LEVEND is, zou echter aarzelen omdat zij de gevolgen van dat pad kent?   

Voor elke ziel heeft het DOEN blijde gevolgen, voor het ego is dat soms anders, indien dit WEDERSTREEFT. 

Maar wat gaat dit de ziel aan? 

En daar waar het ego nog wederstreeft kent het zijn eigen natuurlijke wet nog niet.   

Logischerwijze leeft daarin GEEN rijpe ziel van een realistisch, spiritueel pad, maar is er sprake van een zoekende, soms de geest herkennende ziel.  

Als de ziel zich uitstort in de geest juicht het deemoedige, gezonde ego en de mens zegt: 

"Ik heb HET wedergevonden, de Vader en ik zijn Eén."  

Een herkennen die de eenheid herschiep.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene