421 - eten of gegeten worden

"Grote eters en grote slapers zijn niet in staat iets groots te verrichten." 


"De mens is wat hij eet." 


Hoewel velen zeggen dat het leven een harde en onverbiddelijke strijd is om het bestaan, is die strijd toch omgeven door zovele mysteries en wonderen, dat elkeen een rustpauze nodig heeft om zich daarover te verbazen. 

De bittere, of cynische en pessimistische mens heeft geen oog meer voor het mysterie, noch voor schoonheid; hij kan zich noch verwonderen, noch verbazen, en heeft zich verborgen in de zweepslag van de rauwe zijde van de realiteit, meestal uitsluitend in een soort masochisme, ontstaan uit een verkapt schuldgevoel, dan wel een ontevredenheid over zijn eigen levensprestaties.  

Er zijn ontelbare uitwegen waar de mens zich kan verbergen voor zichzelf, dan wel voor anderen, en zo vermijden kan de ene, onvermijdelijke levensweg te bewandelen. 

Buiten het leven staan, zich ophouden in de vele schuilhoeken of schaduwen naast die levensweg, is een praktijk die geliefd is bij hen, die menen dat zij niet kunnen dan wel mogen meedoen in het levensspel.  

De wereld krioelt van dezulken; de religieuze groepen, de occulte dan wel esoterische bewegingen zijn er vol van.  

Uit de vrees door de sterken verdrongen dan wel gegeten te worden, trekt men zich terug, een bewijs dat men nog niet tot volle innerlijke wasdom is gekomen, waarbij de edele afweer kan worden aangewend.    

Indien we zeggen: De mens is wat hij eet, dan slaat dat zeker ook op spirituele zaken, en ook op de levenshouding.  De neiging om zich te verbergen, komt uit de onzekerheid en het twijfelen aan zichzelf, omdat men weet, dan wel meent, niet voldoende innerlijk, geen kennis, dan wel geen levenskracht te bezitten.  

Dan zoekt men naar een vader- of moederfiguur.  

Zijn de religies, de groeperingen of gemeenschappen veelal niet anders dan zulke beschermende lichamen? 

Het leven wordt vaak beschouwd als een gevaarlijk en groot roofdier; de levensmoed om dit tegemoet te treden ontbreekt, en die afwezigheid van moed of inzicht drukt zich uit in veel gedragingen. 

Zoals zich verbergen in TE veel slaap; 

zich bevredigen met TE veel eten; 

zich een positie zoeken in spirituele bewegingen.  

De mens kan zichzelf nooit ontvluchten, niemand is dichter bij hem dan hijzelf - als een schaduw volgt dat zelf hem en dat wordt ondervonden als een gejaagd worden.  

Wie is zichzelf tot een jager? 

Leven prooi en jager niet dikwijls in één en dezelfde persoon? 

Wordt dat niet ondergaan als een innerlijke onrust, een zoeken, een ontsnappen en een moeten vluchten in groeperingen? 

De dag is nog niet zo beroerd als de nacht; in de nacht is vluchten veel moeilijker; de nacht is het donkere woud van de verbeelding; de nacht verbergt de wereld, maar onthult een heelal.  

Als we de wereld buitensluiten met de mogelijke kritiek van de naasten, dan komt ons eigen heelal te voorschijn, beeltenissen die doordringend op ons instralen.  

Dan helpen onze filosofie of onze ijver weinig; het verstand met zijn kennis slaapt, onze nerveuze ijverende drukte is afwezig en dan staan jager en prooi tegenover elkaar.  

Een confrontatie die we bij dag ontlopen en de vrees overvalt ons, dat we door die jager gegeten zullen worden, dat er niets meer van ons zal overblijven, in onze eigen ogen.   

Zulk een levensballast betekent dat we nooit de wet van het "eten of gegeten worden" hebben begrepen, noch natuurlijk, noch geestelijk.  

Zich volstoppen met filosofie, zich overbelasten met interessant maar ontoereikend voedsel, geeft slechte dromen, geeft zielehonger die 's nacht het ergste kwelt. 

Laten we het woord: "Grote eters en grote slapers zijn niet tot iets groots in staat" even tot in de diepte peilen. 

Beide levensgewoonten kunnen een vlucht zijn, en daar waar het organisme met het ene bezig is, kan het zich niet wijden aan het andere, want het organisme vervult evenzeer een rol in de spiritualiteit, als de ziel en het hart. 

De mens is een drieëenheid, nietwaar? 

Een onscheidbare drieëenheid.  

Een driebond die zich houdt aan ingeschapen wetten en niet geheeld dan wel heilig wordt door opgelegde wetten, die niet uit de geest, noch uit de natuur stammen. Onze behoefte kenmerkt ons, geestelijk zowel als natuurlijk. 

Een behoefte die vrij en spontaan opkomt, en als wij ons over onze behoefte niet behoeven te schamen, zoals een harmonisch natuurlijk en geestelijk schepsel betaamt, zal het er bij ons, innerlijk, goed uitzien. 

Zodra men vredig en rustig met elkander of naast elkander "grazen" kan, in spirituele zin, is er harmonie, en indien men instinctief dan wel intuïtief weet wanneer er roofdieren, geestelijk dan wel natuurlijk, op de loer liggen, is men, naar zijn aard en gaven, een volwaardig schepsel.   

Wie is zo volwaardig, dat hij de geestelijke roofdieren, inclusief zichzelf, herkent en vooral hun zwakheden onderkent? 

Wie is zo volwaardig dat hij vredig, zonder bijgedachten, zonder ijverzucht dan wel eerzucht, naast de naaste leven kan? 

Vooral in de spiritualiteit? 

Oververzadiging en roofzucht als spel is een onnatuurlijk en anti-geestelijk verschijnsel. Onpasselijk zijn van natuurlijk dan wel geestelijk voedsel is een waarschuwing die we nooit onopgemerkt moeten laten voorbijgaan.  

Ons hart geeft waarschuwende signalen, ons organisme doet dat, ook onze ziel kent hen, maar zij wordt incapabel, zodra het hart zijn gaven heeft verloren. Onze eigen innerlijke en organische signalen herkennen, is ons vrijwel vreemd geworden, we kunnen noch interpreteren, noch luisteren, nietwaar? 

Is dat niet een gevolg van de negatie van de wet "eten dan wel gegeten worden?"   

De angst om geestelijk te worden "gegeten", dan wel maatschappelijk te worden genegeerd - hetgeen hetzelfde is - heeft ons van onze intuïtie en onze geestelijke gaven beroofd.  

Hoe krijgen we die terug? 

Hoe worden we opnieuw een harmonisch, natuurlijk en geestelijk schepsel?  Hoe kunnen we een levenskunst zonder zweep en zonder lepel of vork hervinden? 

Ten eerste moeten we het oerritme van dag en nacht herkennen, natuurlijk en geestelijk.  

Esoterisch of occult geïnteresseerde mensen minachten te dikwijls natuurlijke wetten, en natuurlijke mensen negeren te vaak geestelijke wetten, een bewijs dat noch de ene noch de andere een oerwet heeft gevonden. Daarom lijden beide typen aan organische dan wel geestelijke stoornissen. 

Het oerritme is een procesmatige ontwikkeling van zaad tot boom of van baby tot mens, natuurlijk en geestelijk. De natuur kent GEEN sprongen, noch de geest. 

Er is voor alles een procesmatige ontwikkeling, maar wij moeten die dan wel zelf voltrekken. 

In de maatschappij beleert de ene mens dikwijls de andere, in de natuur zie je dat vrijwel alles is IN-geschapen. De natuur imiteert niet, dat is het privilege van de verstandelijke mens. 

Luisteren naar oude wijzen komt uit een behoefte om EIGEN ingeschapen weten te hervinden. Wijsheid slaat innerlijk aan, d.w.z. vindt contact met die gnosis, die latent, maar WEL aanwezig is.  

Wat vader doet, in gezinsverband, behoeft niet altijd goed te zijn.  

Het kind kan vader dan wel moeder imiteren bij afwezigheid van eigen inzicht. Of uit een BE-wondering, maar nooit uit een VER-wondering. 

Bewondering is passief, verwondering is actief.  

Passiviteit leidt tot parasitisme - activiteit tot zelfontplooiing.   

Beschutting en geborgenheid zijn noodzakelijk zolang men zelf nog geen volwassenheid bezit, en WANNEER is men volwassen?    

Van oudsher behoort volwassenheid zich te kenmerken in: gerechte oordeelkundigheid, onderscheidingsvermogen, he volgen van een harmonisch levensritme; zichzelf beheersen zonder zich daartoe te dwingen; het materiële zijn en het geestelijke zijn te kunnen scheiden; keuze te kunnen maken tot welzijn van zichzelf in de omgeving.  

Dat kan een volwaardig mens. 

Zich opnieuw te laten leiden door de gaven van de volwaardige mens, is een begin tot het hervinden van het complete mens-zijn, inclusief de ziel. 

Tegenwoordig DURVEN we ons niet te laten leiden door onze ingeschapen gaven, omdat we zeggen: die zijn gedegenereerd, zwak of labiel.   

Is dat niet een vergrijp tegen de eerste beginselen van de spiritualiteit, bovendien een minachting van de macht van de Schepper? 

Ja, zulk een houding is beslist ondenkbaar in de maatschappij-structuur, maar is de maatschappij-structuur een goed voorbeeld voor de harmonische natuurlijk-geestelijke wet? 

Hij, die zich oververzadigd, geestelijk dan wel natuurlijk, wordt een prooidier dat doorlopend bevreesd moet zijn voor de jager. 

Geestelijke en/of lichamelijke oververzadiging is een gevolg van negatie van de geestelijke wet en van de natuurlijke wet.  

Ons verstand en onze emoties leven bij de gratie van de innerlijke mens, van zijn inzicht, zijn volwassenheid, zijn beheersing.  

Ons verstand en onze emoties kunnen losgebroken beesten zijn, vernietiging dan wel ontsporing verbreidend.:

Een volwaardig, zeker en harmonisch mens-zijn komt voort uit de waarde en de praktische activiteit, die we de innerlijke mens toekennen.  

Hoevelen roepen niet voortdurend: "Mijn ziel is te zwak, ik moet nog zoveel leren en ik heb daartoe nog niet het bewustzijn."    

Kent u die uitvlucht en die lamentaties? 

Wie weet niet dat verzwakte ledematen of passieve organismen, geactiveerd moeten worden door WERKZAAMHEID? 

Van aankijken en aanhoren wordt geen enkel onderdeel geactiveerd, wel van LUISTEREN, een intelligente activiteit, en ZIEN.  Luisteren en zien kunnen we pas indien gehoor en ogen met de ziel en het hart in binding staan. 

Maar dan ondergaan we ook de gevolgen, bij slechte dingen luisteren of/en zien, wordt ons hart beroerd, worden we onpasselijk, kunnen we noch eten noch drinken, kortom: er is een intensieve reactie bemerkbaar in organisme en ziel. 

Al het andere horen en kijken voedt ons organisme niet, maar maakt ons wel DUF, slaperig, zoals slecht voedsel kan doen. 

Voeding, geestelijk en natuurlijk, moet aanzetten tot innerlijke activiteit, gezonde reactie. Een slaperig, duf schepsel wordt gedood VOORDAT het zijn tijd is. 

De herverbintenis van uiterlijke met innerlijke mens leidt tot andere gewoonten, andere normen, andere interessen, maar NOOIT tot extremiteit of kunstmatigheid. 

De innerlijke mens VERDRINGT de uiterlijke mens NIET, hij maakt er gebruik van, en dat is geheel iets anders.   

Een esoterisch mens behoort dat te weten; elke spiritueel hunkerende mens bemerkt, dat hij niet ZONDER een harmonische uiterlijke mens kan bestaan.   

Een spiritueel hunkerend mens, dus NIET een ego dat bevrediging zoekt, is bezig zijn antenne op de voor hem goede golflengte af te stemmen. Maar hij verlangt ontplooiing en geen aanleren. 

Hij zoekt een bliksemstraal die tot in het diepste van hemzelf doordringt en geen BE-lerer.  

Hij weet dat er in hem een toegedekte bron ligt en wil ontsluiting daarvan, dus: weghalen van ballast, puinruimen, spitten.  

Spitten en NIET stilstaan bij hetgeen men wegruimt, maar zich verheugen over hetgeen men blootlegt.  

Is het niet logisch dat het blootgelegde levenswater hem verkwikt, heelt, wijzer maakt?  Andere wetten overdraagt?  De wet van het Levende Water of de geest? 

Een wet die niet aan te leren, noch te imiteren is, maar die opwelt?   

Iemand heeft eens gezegd: "De natuur is een bijbel zonder bodem."   

Wat zal dan de geest zijn? 

Wat zal dan die ineigen, levende Bron zijn? 

Iedereen die, al is het ten dele, van binnenuit leeft, weet, dat de grootste wijsheid en de meest opmerkelijke momenten spontaan van binnenuit opwellen.  

Die momenten en die wijsheid activeren onze zintuigen, laten we dat niet vergeten, zij corrigeren het werk daarvan.    

"Ons waarnemingsvermogen bedriegt ons", zeggen vele leringen, maar dat bedrog komt uit onszelf.  Het weerspiegelt onszelf.  

Om dat z.g. bedrog kwijt te raken moeten we innerlijk puin ruimen. 

Maar NOOIT stilstaan bij het puin, dat is onwaardig.  

Hoe meer we puin ruimen, des te kieskeuriger we worden in onze voeding, vooral geestelijk. Omdat we weten wat het betekent een toegedekte levensbron te bezitten, omdat we genoeg hebben van ballast en ons liever bezig houden met de Bron zelf, dan met het belastende puin.  

Alles wat ons innerlijk belast, wat ons belet van binnenuit te denken, te gevoelen, wat ons eraan hindert de gnosis, dat wonderbaarlijke ingeschapen hartweten te hervinden, is puin. 

Zoals we zeggen: een rozekruisersbeweging bevat nog niet vanzelfsprekend rozekruisers, zo kunnen we ook zeggen gnostieke bewegingen bevatten nog niet noodzakelijk de gnosis.   

Gnosis en/of rozekruis zijn een zijnstoestand, een levenspraktijk, omdat we zowel de praktijk van kruis met roos en van gnosis hebben vergeten, nemen we genoegen met gnostieke, dan wel rozekruisers bewegingen.   

Eerst moet de mens, praktisch, een kruis vormen, harmonie vinden tussen tegengestelden en daaruit zichzelf herstellen, dan pas kan hij de roos van de ziel er zichtbaar aan hechten, in het hart van de tegengestelden, daar waar deze elkander raken.   

De gnosis is als de roos van de ziel die via het hart naar buiten groeit.  

Een gewond, dan wel geïrriteerd hart zal de doornen van deze ziele0roos niet kunnen verdragen.   

Zulk een roos moet allereerst voedingsbodem vinden; bewegingen, leringen voeden niet, levenservaringen voeden, hetzij slecht hetzij goed. 

Uit angst voor slechte voeding kan men zulk een roos niet totaal bodemloos laten staan; iedereen MOET eten, geestelijk en natuurlijk; en door ervaring zijn eigen keuze maken. 

Indien men, geestelijk bezien, nog in vader-moeder verband wil leven, verwacht men dat de vader-moeder figuur het voedsel toebereidt, en de meeste vader-moeder figuren dwingen het kind te eten, of het wil of niet. 

Dat laat zijn lidtekens achter als het kind eens het leven ingaat, dat leidt tot verstandelijke overzadiging en/of emotionele ondervoeding.  

En de levensbron slibt dicht. 

De levensbron die het enige, ware en helende voedsel verstrekt voor ziel, hart en organisme; die het organisme leidt tot een natuurlijk harmonische keuze en het vrijwaart voor extremiteit of ego-exaltatie.  

Innerlijk voedsel verdicht zich tot het specifieke uiterlijke voedsel, dat juist u en ik nodig hebben.  

Innerlijk gevoed worden maakt van ons noch een rund noch een roofdier, maar maakt van ons een MENS, een schepsel dat Gode in zich draagt.  

Een MENS die zich gedraagt volgens de goddelijk-geestelijke en menselijk-natuurlijke wetten, waarbij de natuur zich schikt naar de geestelijk-edele inborst.  

Als we hierop gericht zijn met heel ons hart en heel onze ziel, wat kan ons dan benauwen, wat doet ons vrezen en waarover winden we ons op?    

Het is slechts onze opdracht nauwgezet en zeer attent, met inzet van al onze ingeschapen gaven, het ritme te volgen dat de Schepper ons ingaf, opdat daaruit zich de oerwet kristallisere, die we slechts behoeven te lezen om opnieuw volwaardig mens te worden, een schepsel, waardig God met zich mee te dragen.    

ZO ZIJ HET.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene