419 - als gedachten rusten, roesten de zielen

"Rust is het "Ik ben" van de Schepper, in tegenstelling tot het "Ik word" van al het geschapen."  


Nu de hetze ons van alle zijden omringt, en de meeste mensen hongeren naar ontspanning en rust, is het natuurlijk een vreemde opvatting "rustende gedachten te vereenzelvigen met roestende zielen". 

De algemeen gehoorde klacht is: "ik kan mijn gedachten niet tot rust brengen....." en dit schijnt een voorwaarde te zijn voor ontspanning. 

We gaan echter van een verkeerde voorstelling uit: rust komt niet door dwang; rust komt niet door het opleggen van verplichtingen; rust komt door het aanvaarden van een situatie. 

Elk moment dat ik me verzet tegen iets zal ik in spanning zijn en de daarbij betrokken geestelijke en organische nadelen uitlokken.  

Gedachten die rusten zijn GEEN ledige gedachten; een gedachte is als een vogel, hij MOET vliegen, en wel naar de hemel. 

Als de gedachten zijn activiteit stopzet, gaat zijn werking over op een ander niveau. 

De gedachten stopzetten is een methode van het ego, evenals het studeren; beide activiteiten worden in gang gezet door de begeerte.  Het begeren stil te zijn, rustig te zijn, ontspannen te zijn, of spiritueler te worden. 

De begeerte is een beweging van het al het geschapene; het "zijn" is een rust-toestand die de begeerten doorziet. 

Iemand die werkelijk ontspannen is, krijgt deel aan een verruimend of hoger bewustzijn, afhankelijk van de ontwikkeling van de betrokkene. 

Ontspannenheid maakt ons nl. gevoelig voor indrukken op onze rechterhersenhelft, of het beeldende vermogen. 

Maar gedachten die zich met NIETS meer bezighouden, omdat ze moe zijn van alles, hebben dezelfde uitwerking als een gespannenheid. 

Er is een deur toegevallen tussen het rechtse en het linkse, er heerst onbegrip tussen het irrationele en het rationele. 

De interesse voor de spiritualiteit b.v. kan voortkomen uit de rechter- dan wel de linker-hersenhelft. De linkerhersenhelft wil onderzoek, bewijzen, oefeningen, methodiek; de rechterhersenhelft grijpt zijn kans waar zodra de mens "ontspannen" is, d.w.z. zodra zijn linkerhersenhelft zwijgt. 

Lijden aan een oververhitting van het denkleven is een onevenwichtigheid in de linkerhersenhelft, waardoor de rechterhersenhelft geen grip meer krijgt op zijn wederhelft. 

Resultaat: psychische storingen. Overspanning, verlies van contact tussen de buiten- en de binnenwereld. 

Als wij stil willen zijn, behoefte hebben aan rust om ons heen, moeten we niet de vogels willen wegjagen, die hun lied uitzingen, noch de rivier zijn loop verhinderen, maar wij zouden eigenlijk onze innerlijke kracht moeten uitstorten in een rust, die al de bijgeluiden overstemt. 

Als ik me erger, vermeerder ik een storend geluid; als ik het intens beluister, vereenzelvig ik mij ermede; als ik het woedend afzet, verstoor ik mijn eigen rust. 

Onze onmacht maakt ons slachtoffer van alles dat wij als belemmering zien. We moeten dus in eerste instantie iets tegen onze onmacht doen. 

Onmacht veranderen in macht is een kwestie van inzicht. 

Inzicht-meditatie is heel iets anders dan inkeer-meditatie. 

Inzicht-meditatie is zonder bijverschijnselen; inkeer-meditatie kan leiden tot depressie of migraine. 

Inzicht-meditatie is het dóórschouwen van alle dingen. 

Hetgeen ook geldt voor de eigen gedachten, elke gedachte is een beeltenis die uit een oorzaak ontstaat; meditatie op die gedachte is zijn oorzaak zoeken, en dit kun je alleen doen met behulp van de rechterhersenhelft, de ontspanning en het onpersoonlijke, dus egoloze, waarnemen.  

Het ego heeft zijn taak, maar ook de ziel heeft haar opdracht. 

Een ziel is onderdeel van het onbegrensde universum, daardoor is zijzelf onbegrensd; zodra wij beperkingen gevoelen betekent dit dat het ego meespeelt. 

Meditatie is de activiteit van het onbegrensde binnen in jezelf. 

De filosofie is de uiting daarvan, het onbegrensde dat zich gevangen geeft aan het begrensde, terwille van je logische begrip. 

Dus de rechterhersenhelft die tracht de linkerhersenhelft voor het irrationele te interesseren. 

In hoeverre die linkerhersenhelft bereid is zich over te geven is herkenbaar in de filosofie: hierin moet het ongelooflijke en z.g. onmogelijke, een ruime plaats toebedeeld krijgen. 

De onstilbare begeerte om het onbegrensde te begrenzen is een uiting van het ego, niet kwaadaardig, maar wel beperkend. 

De gedachten behoren aan onze ziel, elke gedachte die uit het ego voortkomt, mist de vleugels of de "heerlijkheid", zoals Henoch het noemt. 

Vleugelloze gedachten zijn vruchten zonder zaad. 

Wat wij "denken" noemen is grotendeels onvruchtbare voortbrengselen produceren, want de linkerhersenhelft "denkt" niet, hij produceert. 

Het "denken", dat de mens zijn voorrecht noemt, is een begrensde, kosmische, geestelijke gave; waardoor je niet vermoeit geraakt, integendeel: dit "spirituele denken" ontspant; het neemt je op in de onbegrensde ruimte en verblijdt hart en ziel; het heeft niets te maken met star, bewegingsloos zitten, noch met op één punt staren. Het is een gegrepen worden door de stroom van leven, die in de kosmos aanwezig is; vroeger zou men het noemen: "met de goden spreken". 

Iemand, die "met de goden spreekt", gevoelt zich op dat moment gelukkig, maar bovendien ontdaan van zijn ego, van zijn beletselen, van zijn dwangmatige inspanningen.  

Het verschil tussen dit spirituele denken en het bezeten worden door de lichaamslozen of doden, is: spiritueel denken begint binnenin, bezeten worden komt van buitenaf. Spiritueel denken is een individuele activiteit, bezeten worden is inactiviteit van het individu. 

Alles wat van buitenaf op ons toekomt en ons in bezit neemt, vraagt een overgave, maar alles wat ons innerlijk beheerst, vraagt een medewerking, NIET van het ego, maar wel van hart en ziel. 

Medewerking gebeurt spontaan, alle dwangmatigheid is slechts een uiterlijke methode; elke spontane activiteit, met veronachtzaming van ons ego, leidt tot een z.g. "goede" of geestelijke daad. 

Zelfvergetelheid is nooit het resultaat van oefening, maar altijd van een activiteit van hart en ziel, van de bezieling. 

Een bezieling sluit elke belemmering uit, bezieling is een activiteit die zijn eigen rust schept.  Bezieling is een uitslaande warmte van de ziel, waardoor heel het organisme gestimuleerd wordt, zelfs de mogelijk incompetente organen. 

In de bezieling rusten de gedachten niet, maar zij zijn zeer actief, zonder inspanning, doch in een totale ontspanning. 

Iedereen weet, dat als hij door iets wordt "bezield", alle voorheen aanwezige beletselen wegvallen. 

Een gedachte kan je bezielen, een woord kan je bezielen, een gezicht kan je bezielen; rust bezielt niet, de innerlijke activiteit, die rust schèpt, die bezielt. 

Het goddelijke "Ik ben" is één en al activiteit; een voortdurende wisselwerking tussen het wordende en het zijnde.  

Maar het wordende is dan ondergeschikt aan het zijnde. 

Onze geestelijke groei is asfhankelijk van ons innerlijke zijn. 

En dat zo veel gezochte "zijn" is veel meer dan een psycho-therapeutische methode, het is een toestand. 

Een harmonie tussen de eigen hemel en de eigen aarde, een overeenkomst tussen ziel en ego, waarbij het hart de leidende functie inneemt, of een juiste wisselwerking tussen rechter- en linkerhersenhelft; ook hier is het hart doorslaggevend.  

Er is een methodiek waarbij de mens geruime tijd "Ik ben, ik ben, ik ben....." moet zeggen, om zo een toestand van zekerheid te creëren; dit is GEEN filosofie, noch een re-ligio, maar een psychologische therapie om een onzeker iemand zeker te maken, de autosuggestieve methode om iemand uit zijn twijfels, angsten en minderwaardigheidsgevoel te halen. Maar als het ego IS, wil dat nog niet zeggen dat de ziel zich kan ontplooien.  

En om een spiritueel dan wel een wijs mens te zijn, moet de ziel aan het woord komen. 

De "ik ben ....." suggestie versterkt het ego, maar geeft hopelijk dit de kracht terug om zich zonder frustraties te kunnen wegcijferen. 

Aldus: allereerst een ego bezitten, dan het verliezen. 

Voor die tijd zijn we slechts onevenwichtige mensen, heil zoekend voor deze tegennatuurlijke en zeker anti-spirituele situatie.  Als ik mijn gedachten niet meer beheersen kan is dat een teken van natuurlijke en/of geestelijke ontsporing. 

Alle suggesties van buitenaf in deze zo indringende tijd dragen ertoe bij dat wij "ontsporen", omdat we het begrip "geestelijk zijn" totaal niet kennen. 

Alles irriteert ons dan: geluid of stilte; mensen of geen mensen; domheid dan wel intellectualiteit; succes dan wel geen succes. 

Wij kunnen dan niet meer aanvaarden en accepteren, een kunst   die voortkomt uit een rustig innerlijk, dat een stootje kan hebben. 

In zulk een onevenwichtig innerlijk valt een woord totaal verkeerd dan wel extatisch goed. 

Maar niets is duurzaam. 

Er is geen "vrede", noch TE-vredenheid. 

Te-vredenheid wordt verveling, ontevredenheid wordt rusteloosheid of zelfvernietiging. 

Indien we opnieuw zouden kunnen "spreken met de goden" zouden we het betrekkelijke van alles kunnen inzien, waaruit dan een betere levenshouding en een zekere levenskunst ontstaan. 

Alles wat begrensd is, is gedoemd te sterven; alles wat onbegrensd is, verbindt ons met het onsterfelijke. Alles wat we begrenzen, inclusief woord en beeld, moet zijn grenzen verliezen voordat het ons met de eeuwigheid kan verbinden. 

Wij, schepsels uit de eeuwigheid, zijn de enigen die die grenzen kunnen uitwissen om de eeuwige kern te zoeken. 

Dat uitwissen van begrenzingen kost activiteit, maar het is een GOEDE activiteit, ontspannend, boeiend, hart en ziel vragend. 

Hebben we er ooit aan gedacht dat we bevoorrechte wezens zijn, omdat we "met de goden kunnen spreken"? 

Hebben we er ooit aan gedacht dat we bevoorrecht zijn, omdat we "bezield" kunnen worden?   

Wij bezitten de gave om de grenzen tussen het uiterlijke en het innerlijke, het boven en het beneden te doorbreken. 

IN ONSZELF,  DOOR ONSZELF.  

Uitsluitend door eigen IN- en ONT-spanning.   

Als iemand kan zeggen "Ik rust in de Schepper", is hij op dat moment één en al activiteit, een vooortdurende stroom van impulsen trekken door hem heen, en dringen hem later tot uiterlijke consequenties. 

Niemand kan "met de goden spreken" en onberoerd blijven. 

Hij verandert, hij MOET veranderen, omdat het godengesprek te intens is, hij moet die intensiteit vrijlaten. 

En dat is nu wat de ouden re-ligio noemden; ofwel de extase, of de mystieke bewogenheid; een ervaring waarin de ziel groeit, een ervaring die dermate ingrijpend en aanwijzend is, dat we daarna een andere mens zijn. 

Zo is een universele filosofie, waarbij alle grote denkers of boodschappers aansluiten, ontstaan; uit het "contact met de goden", of het "wandelen met god". 

Een legende voor de moderne mens, een ongeloofwaardigheid voor het intellect, een nostalgische herinnering voor hen, die zoekende zijn naar de geest. 

En masse wordt er heden gezocht, en masse storten we ons op methoden, en masse juichen we voorgangers toe. 

Maar het geheim van de re-ligio en van een "godengesprek" ligt in het individu, en de individuele belevenis, de individuele interpretatie, die eventueel een filosofie kan worden.  

Wij hangen bepaalde zienswijzen aan, wij hangen bepaalde groeperingen aan, en wij hangen aan de uitspraken van voorgangers. Dat heet: roestende rust. 

Dat heet ongenuanceerd uiterlijke waarden aannemen, weigeren te zoeken naar de eeuwige kern. 

Het eeuwige verbind ons met DE eeuwige. 

Het sterfelijke spreekt slechts het sterfelijke aan. 

Als wij het woord "God" horen of geschreven zien, reageren we daar allemaal anders op; of we reageren helemaal niet meer, of we ergeren ons. 

Maar hij, die dit woord van zijn uiterlijke kleed ontdoet, vindt er een schat, speciaal voor hemzelf. Dat is met vele woorden zo. 

Zij, die de meeste begrippen kunnen ontdoen van hun uiterlijke kleed, en een onsterfelijke schat vinden, zijn het rijkste. 

Maar helaas, deze kunst van het ontkleden is niet aan te leren, men doet het met de eigen eeuwigheidsgave.  

Men kan van die onsterfelijke schatten ook geen encyclopeadie of een woordenboek maken, opdat de onfortuinlijken hiervan zouden kunnen profiteren, want elke onsterfelijke schat bezit de kleur van zijn vinder. 

Is dus uitsluitend voor hem van onsterfelijke waarde, of wellicht, en dat is een voorrecht, voor een ander die zijn gelijke is. 

Geen ziel citeert, maar elke ziel leest direct uit het individuele boek der ziel, elke gevleugelde en levende gedachte is een optekening in dat boek van de ziel. 

Dat is het levensboek van ieder van ons. 

De ene ziel schrijft erin, de andere ziel kan nog geen woord, geen klank of beeltenis vormen. 

De onbeschreven bladen van ons levensboek worden tenslotte verwijtende bladen en vragen dus om ziele-ervaringen, hernieuwde leringen, pijnlijke lessen. 

Elke, door ons zo gaarne geciteerde, mysticus, schreef zijn levensboek vol via "gesprekken met goden" en wij lezen daaruit om eventueel iets goeds te hebben voor onze naasten.   

Of voor onzelf?  

Herkennen we hun levende ervaringen, hun goddelijke rede?  

Is het nostalgie dat we hun woorden herhaaldelijk nalezen?  

Indien we hun woorden proeven met ons hart, ontmantelen via onze ziel, herkennen we de eeuwigheid, hun en onze eeuwigheid, hun en onze levende herinnering. 

Dat leert ons dat we nooit alleen zijn, nooit afgesloten, nooit verdoemd dan wel onbekwaam. Het vertelt ons van de eenheid van de eeuwige zielen, die, ontdaan van hun uiterlijke vermomming, elkander altijd vinden. Dit schenkt ons de zekerheid van het "zijn" en de innerlijke vrede en de rust, die één en al activiteit is, die is als een ademhaling die leven schenkt. 

Gedachten zijn als vogels, die zingend de hemel tegemoetvliegen, als men hen vleugellam maakt worden zij als hinderlijk ongedierte dat ons van binnen en buiten bekruipt. 

Gedachten zijn boodschappers van de goddelijke heerlijkheid, waaruit zij geboren werden toen de goden nog contact kregen met de zielen die op aarde leefden. 

Zolang uw gedachten juichend en lofzingend het licht tegemoetvliegen, zal uw ziel bezig zijn zich te laven aan dat licht. 

En, zich lavend, rust zij uit in haar werken.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene