417 - de dag waarop de glimlach sterft

"De glimlach is slechts een goed opgedroogd wenen." 

Gütersloh  


"De bloem is de glimlach van de plant." 


Een glimlach is het midden tussen vrolijkheid en vriendelijkheid. 

Het is merkwaardig dat vrolijkheid en vriendelijkheid gaven zijn die de principiële of esoterische mens moeilijk verwerven kan.  

We houden er te werinig rekening mee dat ons uiterlijk kentekenen meekreeg die ons innerlijk verraden. De mate van zelfmaskerade bepaalt meestal het succes in het leven. 

Dit is één van de uitwassen van onze verdwazing, maar nog dommer is het dat de mens niet weet hoezeer zijn ware wezen in zijn uiterlijke verschijning wordt geëtst. 

In de esoterie leren we dat we achter de exoterie moeten schouwen om inzicht te verkrijgen in de aard van de dingen en de gebeurtenissen; we maken daarvan trouw een studie, maar vergeten dat wijzelf eveneens zijn opgebouwd uit exoterie en esoterie. 

Iedere mens is te herkennen in de aard van zijn lachen en zijn wenen; men bemerkt of daarin zijn hart is of dat hij slechts lacht met de stem en weent met de ogen. 

De muziek van een lach kan vals zijn dan wel helend; een glimlach kan een licht zijn dat in het venster van een gezicht toont of het hart thuis is, maar het kan ook een sociale plicht zijn.  

Gelukkig is altijd waar te nemen of het hart al dan niet aanwezig is, en zoals het met alle levensuitdrukkingen gaat: het hart bepaalt of iets leeft dan wel dood is. 

We hebben geleerd te existeren, te studeren en zelfs onze religie te belijden zonder hart. Een mens zonder hart is een voorwerp van plastic, het heeft geen ziel; hij resonneert niet, leeft niet, geeft de waarnemer geen respons. 

Zoals een plant vanuit zijn plantenziel de bloem vormt, als een lieflijke glimlach, zo vormen hart en ziel de glimlach van een mens, en deze vertelt van hun aard.  

Het is frappant dat door esoterisch-intellectuele studies de mens gaat verleren te lachen of te glimlachen.  

Is het geen bekend feit dat lachen een moeilijke kunst is, hoezeer zal dan glimlachen een kunst zijn, die slechts enkelingen beheersen. 

Het goddelijke evenwicht bevindt zich bij de mens in zijn uitingen: hoe lacht hij, wanneer lacht hij?  

Hoe weent hij, wanneer weent hij?   

Is hij in staat te glimlachen en is deze glimlach een geluk voor zijn medemens?  

Zolang we nog niet hebben begrepen, dat het woord "esoterie" en het woord "Roosencruys" worden vertolkt door de mens zelf, verstaan we niets van de leringen die zij behelzen.  

Zolang ik exoterie ben zonder esoterie, of esoterie zonder exoterie ben ik maar half mens; zolang ik mopper of klaag over mijn kruis en ben niet in staat de roos van mijn glimlach daaraan te hechten, ben ik GEEN roosencruyzer.      

Wij bouwen ons kastelen van woorden om te vergeten dat we in een armzalige hut leven; maar glimlachen om de eigen armzaligheid, glimlachen om onze belangrijkheid en om onze vermeende problemen, is veel moeilijker dan woorden opeenstapelen, dan cursussen volgen, dan filosofie uiteenrafelen.   

Omdat we niet meer in staat zijn de glimlach op het juiste moment te produceren, zijn we evenmin bij machte de waarde van de ernst te doorgronden. 

Een bloem kan zich wijd openen, nietwaar, zij heeft niets te verbergen, als de mens spontaan lacht toont hij zijn innerlijk, en daarom hebben we geleerd weinig te lachen en vooral niet te huilen. 

De mens die zegt: "Ik kan niet lachen", is even beklagenswaardig als de mens die niet kan huilen.  

We zijn akelig dicht bij het moment waarop onze glimlach voorgoed zal sterven. Dat is het moment waarop we niet meer weten wie we zijn, wat we in het leven doen, en wat we zoeken.  

Het mens-zijn is de belangrijkste opgave in het leven, een opgave, die vrijwel niemand volkomen heeft uitgevoerd, maar die ons ook wordt belet door middel van aangeleerde fratsen, inclusief onze religie, ons sociaal gedrag en onze cultuur.   

Het is de moeite waard om eens na te denken over het mens-zijn; een mens bezit een hart, bezit een ziel, bezit rede en bezit een organisme. 

Om totaal mens te zijn moeten deze alle worden ingeschakeld in het levenspatroon. 

Om een geestelijk mens te worden vraagt nog iets meer, dat vraagt het medezeggenschap van de geest of God of de Oerbron.  

Wie maakt van ons een geestelijk mens?  

Wie zal ons leren mens te zijn?   

De therapeuten? 

De religieuze leraren?  

Neen!   

De les van het mens-zijn wordt onderwezen door ons hart; en ons hart is, in deze hypocriete tijd, ziek geworden.  

Dat kun je zien aan de onderwerpen waarop de mens reageert, waardoor hij gaat lachen, waarom hij gaat huilen, wanneer hij zijn glimlach toont. Iemand die zich schaamt voor zijn rimpels zal nooit begrepen hebben wat een glimlach is.  

Wij zijn zozeer geblokkeerd door valse ofwel agressieve emoties, zoals angst en afweer, dat we onze medemensen onze glimlach, ons licht, onthouden.  

De filosoof is een zoeker naar waarheid, nietwaar?  

De esotericus zoekt de essentie van het zijn.  

Maar wie kan op de juiste wijze zoeken, als hij niet weet waarmee hij zoekt, als hij niet beseft wie-in-hem woont? 

Wie zal de waarheid kunnen vinden als het hart, die uitstekende detector, kapot is gegaan?  

Een bitter hart vreet de mens op, en het omringt zich met bitterheid, waarin de glimlach sterft.  Een agressief hart zoekt bescherming in agressiviteit, waarin eveneens de glimlach streft; en een wraakzuchtig hart verdedigt zich door een glimlach, waarin lanspunten schitteren.   

De glimlach van een mens is zijn visitekaartje.   

Ziel en hart kunnen daarin zijn, maar evenzeer een vernietigend vuur, en een vals hart.  

Geef mij uw glimlach, mens, en ik zal zeggen wie u bent.  

Een wijze glimlach is de bekroning van veel opgedroogde tranen en het begin van een zonnige ziele-dag. Wanneer een spreker of een voorganger of enig medemens erin slaagt bij ons een glimlach om onze lippen te brengen of wel een emotie op te roepen waaruit wij kunnen glimlachen, heeft hij aan zijn opdracht voldaan.   

In deze emotie vervaagt de agressie, verdwijnt die dodelijke en gevaarlijke ernst en zien wij het leven als iets waardevols.    

Een onevenwichtig mens is ofwel uitbundig vrolijk, waarbij zijn lach klinkt als een ongestemd muziekinstrument, ofwel hij is zo afschrikwekkkend ernstig dat daarbij het hart bevriest. 

Een groot, tolerant en wijs hart heeft altijd een glimlach gereed, wanneer de waarheid geweld wordt aangedaan. 

Kunnen glimlachen om de leugen; kunnen glimlachen om het kwaad dat ons werd aangedaan; kunnen glimlachen om ons eigen streven; dat is een levensinstelling die naar wijsheid leidt. 

Een filosoof is een geneesheer voor de ziel; zowel voor zijn eigen als voor andermans ziel.  En de glimlach is de regenboog van de ziel, ontstaan door de traan en de lach. 

De esoterie is voor de esoterische mens; de verborgen leringen doen de verborgen mens glimlachen, omdat hij daarin het gelijke herkent.  

Ooit gehoord dat de esoterie zoveel geluk kan brengen dat zij doet glimlachen?  

Neen, we bestuderen haar met een rimpel in het voorhoofd; we leren haar uitwendig, exoterisch dus, opdat de exoterische mens er gewichtiger door zal worden. 

In de esoterie vinden we god niet, in de esoterie vinden we de waarheid niet, in het roosencruys vinden we de roos niet, als niet in onszelf god, waarheid en roos aanwezig zijn.   

En als we MENEN één van deze drie te hebben gevonden, moet dat blijken uit de regenboog onzer ziel: onze glimlach, die we NIET kunnen aanleren, maar die zich spontaan toont op het moment waarop de tegenstellingen elkander omarmen: zoals regen en zon, traan en lach. 

In de goddelijke ernst waarmede wij allerlei gecompliceerde filosofische leringen bestuderen, dragen wij onze ziel ten grave, omdat we daarbij VERGETEN mens te zijn, een drager van de ziel, een waardige wachter van de ziel, die haar regenboog te voorschijn kan toveren.  

Onze ziel drukt zich uit in ons mens-zijn, NIET in onze leringen, noch in onze graden en inwijdingen, neen, in ons mens ZIJN.  

Een waardig mens is noch de concurrent van zijn medemens, noch zijn vijand; een waardig mens ziet in zijn naaste een mede-levende, ofwel een arme tobber die zichzelf niet kan vinden.  

Maar hij zal die naaste zowel in het eerste als in het tweede geval zijn glimlach tonen: een lichtje, een medicijn, een groet.  

Wie kent niet de arrogantie van de esotericus, van de zelfoverschatting of de minachting?  

De glimlach die onze naaste ziet vertelt hem wie we zijn; de afwezigheid van enige glimlach maakt ons beklagenswaardig.  

Leven met een naaste is een oefening in het mens-zijn.  

Betere oefening is er niet.  

Die praktijk vinden we noch in boeken noch in cursussen. 

Want het leven schrijft voor ons allen een zeer individueel boek, met een opdracht voorin, en onze naam eronder.  

Menigeen wenst daarin niet te lezen, maar zoekt andere lectuur; niettemin kan hij zijn persoonlijke levensboek niet wegwerpen, want hij maakt zelf deel daarvan uit. 

Wie zichzelf wegwerpt beledigt de Schepper; en wie de Schepper beledigt wordt het levenselixer ontnomen.  

Daarom zijn we wel gedwongen te LEZEN in ons eigen levensboek en de daarin opgeroepen problematiek te overwegen, daarin zozeer door te dringen dat we de oplossing met een glimlach te voorschijn kunnen brengen.  

Leven met de nazaten leert ons de vele facetten van het mens-zijn te ontdekken; en leert ons vooral welke facetten we reeds bezitten en welke we nog moeten realiseren.  

In beginsel zijn ze alle aanwezig, ook die gaven die we zozeer begeren. 

Is er iets bevredigenders dan te ervaren hoezeer we mens-zijn?   

Hoezeer we leven?  

Leven is de diepte van de esoterische mens ontdekken, en daarvan de vreugde en de wijsheid naar buiten brengen. 

Daarom is de exoterische mens aan verandering onderhevig, hij wordt geplooid naar het voorbeeld van zijn ziel. Zonder ziel blijft hij onbewogen, een plastic figuurtje, waardeloos.  

De ziel spreekt via het hart, nietwaar?  

Elk hart heeft een toegangspoort die de ziel bereiken kan, al is dat hart nog zo beschadigd of ziek. Als de mens glimlacht heeft de ziel die toegangspoort gebruikt en op dat moment neemt zulk een hart de helende medicijn tot zich.  Elke esoterische mens heeft als taak zulk een medicijn te bezitten, en toe te dienen.  

Esoterie ontdek je niet uitsluitend voor jezelf, maar tevens voor het gezamenlijke mens-zijn, voor de mensheidsgemeenschap.  

De mens is onderdeel van DE mensheid.  

De ziel is onderdeel van DE gevallen zielen.   

Niemand staat totaal alleen.  

Iemand die coûte que coûte ALTIJD alleen wil zijn, is geestelijk beschadigd.  Wij beschadigen ons innerlijk doordat wij de zin van de ervaringen niet VERSTAAN.  

Wat wij er uit te voorschijn halen is GEEN glimlach, maar bittere tranen, een vreugdeloze lach.  

Wij kunnen het muziekinstrument van onze ziel niet stemmen, wij zoeken doorlopend ergens naar een bekwame stemmer, maar de enige die haar KAN stemmen zijn wijzelf. Verleerd hebben te wenen is GEEN aangeleerde zelfbeheersing, GEEN valse schaamte, maar het is de bekroning van de glimlach. 

Niemand is op aarde gekomen met de woorden: "Ik kan niet" in zijn levensbagage; iedereen kan hetgeen hij wenst, maar de aard van zijn wensen kan wel eens ingegeven worden door een valse emotie.  

Een ziel is gelijk aan een andere ziel, maar elke ziel heeft een andere kleur; ziele-kleuren die NIET met elkander harmoniëren zijn valse kleuren.   

Kan in de natuur enige kleur niet met de andere harmoniëren?  

Een innerlijk beschadigd mens kan een valse ziele-kleur  produceren, daardoor harmonieert hij niet met zijn mede-ziel, of deze moet zulk een tere, voorzichtige kleur bezitten, dat hij ondergeschikt wordt aan de valse kleur, ofwel deze verzacht door zich daarin op te lossen.  

Ziet u hierin niet de moeiten en de problemen van de zielen onderling?  

De ene maakt zich ondergeschikt aan de andere, vrijwillig dan wel onvrijwillig, maar samen harmoniëren, dat is iets totaal anders.   

Een ziel is individueel, elke kleur heeft zijn eigen uitstraling: als we een andere kleur willen hebben vermengen we twee kleuren.  

Beide geven iets af, beide nemen iets op.  

De nieuwe kleur is als de glimlach, de bloem, de geboorte uit twee tegengestelden. Zulk een samenvloeien van twee tegengestelden is de basis binnen de natuur, maar ook de basis in onszelf tot een geestelijke geboorte. 

Eveneens het fundament voor een harmonie binnen de mensheidsgemeenschap, of mensen.  

Als ik mens wil zijn en zeker als ik een geestelijk mens wil zijn, dan wel pretendeer te zijn, moet ik allereerst beseffen WELKE kleur mijn ziel heeft: waaruit haar rijpheid of onrijpheid, haar kwaliteit bestaat.   

Ben ik een devote ziel dan kan er best wat activiteit worden toegevoegd, maar een devote ziel heeft veelal een hekel aan activiteit of daad.  En omgekeerd.  

Zolang ik een hekel heb aan mijn tegengestelde, ben ik nog bezig met het werken aan een glimlach.  

Dan kan ik lachen om vrolijke dingen en huilen om smartelijke dingen, maar ik kan NOG niet glimlachen om vreugde èn smart.  

Wie leert ons glimlachen?  

Het leven!  Ons hart!  Onze ziel!  

Het leven waarin ons hart en onze ziel verborgen liggen.   

Daar waar ons hart ligt - daar leven we.  

Daar waar onze ziel ligt - daar leven we.  

Zolang we niet hebben geleerd - niet AAN-geleerd - te GLIM-lachen, zolang zijn we noch een filosooof, noch een esotericus, noch een Roos-en-Cruyzer, noch een volwaardig mens.  

God verhoede dat we niet meer zullen weten HOE we moeten glimlachen, een licht ontsteken voor het venster van ons gezicht om te vertellen dat ons hart THUIS is.   

Laten we oppassen voor de dodelijke glimlachloze ernst, die eerder naar het zwaard grijpt dan naar de glimlach.   

De werkelijke ernst kan zich het sieraad van de glimlach veroorloven, omdat de ziele-ernst gekleed gaat in de eenvoud.   

Mogen wij mensen worden opdat de ziel gaarne in ons wonen zal en haar kroon zij de glimlach die onze naasten heelt.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene