407 - ketterij omwille van waarheid en wijsheid

Er is geen begin en geen einde aan de bewogenheid der mensen, die we "geestelijk zoeken" of "ketterij" noemen. 

Vanaf het moment dat onze ziel het "licht beneden" verkoos boven het Licht boven, is zij op zoek gegaan naar mogelijkheden om terug te keren tot dat Licht van haar oorsprong. 

Binnen die mogelijkheden ontmoette zij allerlei facetten van de waarheid en de wijsheid; een zoekende ziel is uitermate gevoelig voor aspecten van waarheid en wijsheid. 

Zij discussieert niet over een mogelijke waarheid of wijsheid, maar zij WEET wat waarheid en wijsheid is.   

Binnen die zoekende bewogenheid vinden degenen elkander die hernieuwd weten willen, want "zoeken" is synoniem met "ONDERzoeken" hetzij innerlijk hetzij uiterlijk; onderzoeken is minitieus navorsen of de schijn werkelijk de waarheid verbergt. 

Dat kan op tweeërlei wijze geschieden: door ervaring EN door intuïtie. 

Menigeen is nogal eens geneigd te generaliseren, waar een nauwgezet onderzoek eerder op zijn plaats zou zijn.  

In de ketterhistorie zien we nl. dat menige wetenschappelijke, ofwel wetensgierige onderzoeker, veroordeeld, verbrand, onthoofd werd, omwille van zijn ketterse ontdekkingen.     

Ketterij werd synoniem met "zonde tegen een bestaand dogma" en een dogma is een vastomlijnd, veelal door de kerkelijke hiërarchie toegelaten zienswijze, hetzij religieus of theologisch, hetzij wetenschappelijk.   

Terwille van onze huidige min of meer vrije opinie-uiting zijn er tallozen de dood ingedreven, en dit zou voortgang vinden tot aan vandaag, INDIEN verlichte denkers niet tegen deze tirannie in opstand waren gekomen. Alles wat als ontdekking kan worden bestempeld gaat nl. de weg der martelaren. 

Elke ontdekker, die ontdekt dat vaststaande meningen volkomen foutief zijn gebaseerd, gaat een martelaarsgang.   

Onnodig bekende namen te noemen, want iedereen weet dat fakkeldragers altijd het slachtoffer worden van hun moed. 

Niet iedereen weet dat deze moed uit een innerlijke drang voortkomt en NOOIT kan worden verraden. 

Voor fakkeldrager of Prometheus word je geboren.  

Een fakkeldrager, een verlichte door Gods geest discussieert niet over zijn komende of zijnde kruisgang, maar gaat die vanzelfsprekend. 

Dat is het verschil tussen re-ligio en theologie: het ene komt van binnenuit, het andere wordt aangeleerd. De religieuze mens KENT zijn bron, de theologische mens discussieert over een mogelijke bron. 

Daarom vindt men ketters op allerlei gebied, maar zij bevinden zich altijd in de schaduw van wijsheid en/of waarheid. En zij dragen allen een fakkel. En zij worden allen geprovoceerd door schijn-heiligheid, ongerechtigheid en onwaarheid. 

Zolang de mensheid op aarde vertoeft heeft zij deze pioniers, ketters en fakkeldragers nodig. Elkeen die geboren wordt met een levende ziel wordt tevens geboren met een nog onzichtbare, maar daarom niet minder aanwezige fakkel in de handen. 

Hij, die licht bezit of licht kent, wordt gedrongen licht uit te stralen.   

Er zijn in het leven dingen, of daden die men MOET verrichten. 

Zij zijn het gevolg van een innerlijke verantwoordelijkheid of een innerlijke drang.  

De mens is, wanneer zulk een drang hem bezielt, slechts instrument; hij kan zich door niets laten ophouden, integendeel, indien hij een moment geen gehoor geeft aan zulk een drang, voelt hij zich ongelukkig, en vooral een verrader.   

Dit is nu de essentie waarom iemand, die een "gnosis", een ingeschapen kennis van het hart, bezit gedrongen wordt deze gnosis uit te dragen, hoe dan ook, waar dan ook. 

Gnosis bezitten verandert een mens; het maakt hem tot mededrager van een algehele kennis die tot verantwoordelijkheid verbindt. 

Een gnosis vervult iemand met een liefdes-aspect, welke dan ook.  

Het is een liefdesaspect dat tot handelen, gedragingen, verbintenissen en ingrepen dringt.   

Wie kent de liefde als hij niet alle aspecten daarvan herkent? 

Wie kent de liefde als hij niet terwille daarvan lijden kan? 

Wie kent de liefde als hij niet vanzelfsprekend zichzelf terwille daarvan geven kan? 

Welke mens, door liefde bezielt, zal zich hullen in allerlei verontschuldigingen? 

Welke mens telt zijn ego als hij de liefde kent? 

Een ketter is bezield van liefde tot de wijsheid en/of de waarheid of de kennis.   

Hoewel ketters schijnbaar tot de middeleeuwen behoren, leven we momenteel volop in een ketterse tijd; fakkeldragers zijn er genoeg, hun vervolgers slapen evenmin. En de massa is, evenals voorheen, geneigd de kant van de overwinnenden te kiezen. 

Een Aquariustijd als de onze roept de ketters op tot verzet. 

De slaapwagen des levens lijkt vermolmd te zijn, er zijn nog slechts de open levenswagen, waar de storm der tijden iedereen om de oren slaat.   

Wie van ons kan blijven slapen als waarheid en leugen, schijnheiligheid en heiligheid hun laatste gevecht leveren? 

Wie van ons kan blijven slapen als plotseling het oerweten in onszelf ontbrandt en we duidelijk en klaar het licht van een verloren gewaande waarheid zien? 

In wie zal niet een herinnering wakker worden als we bemerken hoe de waarheid, op alle gebied, moedwillig wordt bedekt? 

Komt dan niet opnieuw die confrontatie boven van de zelfhandhavers terwille van positie en macht, èn de ketters, die slechts één doel dienen: oerweten en waarheid? 

We kunnen onszelf afvragen, zoals gewoonlijk, wat is waarheid. 

Is DE waarheid niet hetzelfde als een oerweten? 

Behoeft zulk een waarheid discussie? 

Herkennen degenen die zulk een waarheid dienen elkander niet altijd en beklimmen ze niet, onophoudelijk, de barricaden als DIE waarheid de zoekende zielen moedwillig wordt onthouden? 

Ongevaarlijke kennis is dode kennis; ongevaarlijke waarheid is halve waarheid; ongevaarlijke wijsheid is aangeleerde theologie. 

Barricaden beklimmen is het lot van de fakkeldrager, net zoals het zijn lot is om schaduwen te doorlichten.  

Is het niet veel belangrijker met de fakkel des Lichts doende te zijn dan met zichzelf? 

Is het niet onze verantwoordelijkheid om die fakkel brandende te houden? 

Daar waar de waarheid met volle kracht vanonder puin en stof wordt opgegraven, daar haasten zich de beangsten en de bedekkers om deze opnieuw toe te dekken. Maar de ketter is reeds ontwaakt. 

Hij heeft de lichtflits op zijn geheven gelaat gevoeld; hij heeft de roep verstaan en zijn aspect van de waarheid reeds als boodschap voor zijn weg aanvaard. 

Waar is uw waarheid, waar is mijn waarheid? 

Dat minuscule, maar waardevolle deeltje van die grote allesomvattende waarheid? 

Wat deden we ermede? 

Dragen we haar nog bezield in ons hart mee, verlicht door de fakkel onzer ziele-geboorte? 

Wat is onze waarheid anders als datgene dat ons bezielt? 

Bezielt tot aan onze laatste ademtocht? 

Wie kan vermoeid en moedeloos nederzinken indien hij zijn waarheid nog gevoelt, als een verwarmende, drijvende stroom, die geheel het organisme en geheel zijn gevoel en denken doortrilt? Door wat en wie zou ons denken en ons gevoel anders doortrild moeten worden? 

Zolang er adem in ons is zal er een ziel in ons zijn, zal er dus Bezieling zijn. En komt onze ziel niet uit het Licht of God zelve? 

De werkelijke strijd omwille van wijsheid en waarheid, omwille van ziele-weten wordt gevoerd door de BE-zielden. 

Kunnen wij elkander deze BE-zieling overdragen? 

Wij kunnen hoogstens elkanders fakkel aanwakkeren, maar daar waar niets is geschiedt niets. 

Een waardige en waarlijke ketter is een Prometheus, die zijn fakkel in het Godenvuur ontsteekt en zijn mederasgenoten dringt de weg naar de Hoogten te gaan om er hun fakkel eveneens te ontsteken.  

Dat wat zwak brandt kan hij aanwakkeren, dat wat geen ontvlambaarheid bevat kan hij niet bereiken.  

Een waarachtige zoeker kan versmelten met zijn fakkel en worden tot één vlam, die brandt en licht, die verwarmt en zichzelf niet telt. 

Herkennen we niet van tijd tot tijd de fakkels van voorgangers of medemensen in hun woorden, in hun handelingen, in hun ontdekkingen? Dat geeft een warm gevoel van binnen, dat troost, of verblijdt ons hart. Vonken van het grote Godsvuur overal herkennen is als kiezelstenen vinden op de weg naar Huis. 

Wie zou dat niet bemoedigen? 

Velen zijn op weg naar Huis, het gaat er slechts om zijn fakkel zodanig te dragen dat we hen kunnen herkennen. 

De ketter is niet hier OF daar, de ketter is hier EN daar.  

De ketter is niet slechts beperkt tot de godsdiensten, hij bevindt zich ook tussen de wetenschapsmensen.   

Ketter zijn is het "nieuwe" of "aloude nieuwe" niet schuwen.   

Ketter zijn is bereid zijn zijn fouten te erkennen èn te herzien.  

Ketter zijn is tolerant zijn èn willen sterven voor de waarheid, indien dit noodzakelijk is. 

Ketter - het woord komt van kathari = is rein - betekent eigenlijk rein, helder blijven in denken en gevoelen. 

Zich niet laten MISleiden, uit welk motief dan ook, door één van de zeven hoofdzonden.  

Elke hoofdzonde beweegt zich BUITEN het licht. 

Kan een ziel buiten het licht? 

Elke hoofdzonde wil ons ketenen aan de onderwereld; zoeken wij vanuit de middenwereld, niet de BOVENwereld? 

In deze middenwereld ruiken we de dampen van de onderwereld en ontmoeten we ook het licht van de BOVENwereld. 

Wat doen we dan op een weg naar de ONDERwereld? 

Vechten tegen de hoofdzonden heeft geen zin, hen negeren heeft meer resultaat, omdat zij het niet waard zijn er aandacht aan te besteden. 

Daar waar onze aandacht wordt geboeid, worden we er totaal bij betrokken, daar waar onze interesse niet wordt opgewekt, gaan we ongestoord verder. De interesse voor de hoofdzonden springt op uit ons gevoel, uit ons hart, elke waardevolle verbintenis gaat via dat hart.   

Woont in dat hart ook niet de gnosis, de OERkennis? 

Wat is er dan met ons hart gebeurt, dat wij het zozeer kunnen beledigen, dat we het eveneens inzetten voor de oerzonden? 

Ging het een andere weg dan onze ziel? 

Hart en ziel behoren toch bij elkander? 

Als "hart en ziel" tesamen hun interesse vinden, zijn we onoverwinnelijk. 

Protesteert onze ziel niet als we een oerzonde naar de onder-wereld volgen? Waarom protesteert die ziel niet? 

Waar is je fakkel dan, kameraad, dat je je weg-omlaag niet meer herkennen kunt? 

Wat is er overgebleven van je ketterse inborst? 

De tijd der ketters is NIET voorbij. vriend. vriendin.  

Hij is er NU - hier, vandaag, morgen. Hij is daar waar het aloude zich hernieuwt en daar waar de oerkennis wordt opgegraven.    

Nog spuwt de zevenkoppige draak zijn vuur uit, nog roept de mensheid om hulp, nog kermen degenen die ter slachtbank worden geleid en nog steeds zijn de fakkeldragers maar met weinigen. 

Behoren wij niet bij hen te zijn? 

Waakzaam, actief, wetend, onvermoeid? 

Wat voor verontschuldiging ZOUDEN we kunnen hebben om niet onder hen te zijn? 

Wie van ons weet NIET? 

Als we menen "zoekers te zijn naar Gods geest" laten we dan bedenken dat we niet BEHOEVEN te zoeken als we een ogenblik luisteren naar de innerlijke meester.   

Laten we bedenken dat "zoeken" geen dwalen is, noch een amusant tijdverdrijf, maar dat zoeken betekent ONDERzoeken, ONTDEKKEN; dat zulk een bewogenheid innerlijke ruimte schept en vooral vreugde.   

Waarom zou de zoeker bezorgd, beangst, treurig moeten kijken? 

Wordt hij niet van binnenuit verlicht door zijn ONDERzoek en zijn lichtende ontdekkingen? 

De tijd dat we aan vreugdeloosheid geloofden, als synoniem van religiositeit is werkelijk voorbij, nietwaar? 

Ieder die lichtende wijsheid of waarheid HERontdekt, rekent af met vreugdeloosheid en de zweep van de straf. Vreugdeloosheid en angst voor straf maken ons ziek; innerlijke vreugde en verlichting maken ons gezond.  

Een fakkeldrager wordt gedragen door het Licht, innerlijk en uiterlijk; deze zekerheid verbindt hen met het Licht, wat er ook gebeuren moge. 

Is de moordenaar niet beklagenswaardiger dan de vermoorde? 

Bij een ketter en een fakkeldrager staat zijn fakkel centraal in zijn leven, wat zou hij zonder deze fakkel zijn? 

Wat zouden wij zijn zonder de vonk van wijsheid, weten en waarheid? 

De zevenkoppige draak van de oerzonden briest nog steeds, daarom mag niemand die zijn schuilplaats kent vermoeid nederzitten. Daarom kan geen enkele koninklijke ridder gemist worden en daarom kan niemand zich veroorloven in duisternis rond te dwalen, inplaats van te zoeken, te ONDERzoeken en te ontdekken.  

Er is een tijd voor rust en een tijd voor activiteit, maar rust is GEEN doodsheid, noch activiteit een energieverspilling. 

Een ridder die het opneemt tegen het klassieke gevaar weet dat hij al zijn energie concentreren moet op één alomvattende activiteit. 

Zijn energie is te kostbaar om hem te vergooien aan lichtloze interessen; het stof dat opgeworpen wordt tijdens het graven naar wijsheid en waarheid intereseert ons niet, wat ons intereseert is het opgegravene zelf.   

Laat je daarom niet afleiden, noch misleiden, er wordt momenteel zoveel stof opgeworpen, dat we de schat of de parel zelve nauwelijks terugvinden.  

Toch is deze er, en we vinden hem INDIEN we selectief veel terzijde schuiven en onze energie richten op het ENE dat een nieuw aspect van wijsheid of waarheid kan zijn. Niemand zal lang genoeg leven om alle aspecten van dat alomvattende Ene te kunnen herkennen of bezitten, want ieder van ons is ten dele, en die ten dele is begrijpt, herkent, omvat ten dele. 

Maar ten dele is altijd méér dan niets. Als dit deel ons verlicht, bemoedigt, belevendigt zal het voor ons alles zijn. 

Uit dit verlichtende "alles" worden en blijven we ketters terwille van waarheid, gnosis en wijsheid; en niemand zal ons KUNNEN weerhouden om deze drie oergaven in ons vaandel te dragen als wij als fakkeldrager de weetgierigen en de zoekers voor gaan op weg naar de Hoogten, dan wel op weg naar het hol van de draak, opdat zowel het begin als het einde goed zal zijn.  

Zo alomvattend goed dat de eeuwigheid glimlacht, als de tijd voor haar knielt, en zich overgeeft, opdat het eeuwige zal zegevieren.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene