403 - de laatste dans der tijden

"Hij is een groot mens, die de onbevangenheid uit zijn kindertijd niet heeft verloren." 

(Chinees, 4de eeuw v.C.) 


Grote mensen zijn meteoren, die verbranden moeten om de aarde te verlichten." 

Napoleon I 


Niemand zal willen ontkennen, indien hij om zich heen ziet, dat we een eindfase zijn binnengegaan, die zich vooral bewijst in de gedachten en gewoonten van de Westerse volkeren. 

Een eindfase brengt altijd een wrange smaak mee evenals een cynische glimlach bij de ongelovigen. 

Wat is een eindfase?  

Niets anders dan een cultuurtop die door enkele of één volk of ras werden bereikt. 

Om te spreken over een "einde der wereld" is enigszins naïef en onwetend, want de wereld zal draaien zolang er "erfgenamen der goden zijn", die uit een hun onwaardig levensveld gered moeten worden. 

In de loop der mensheidsgeschiedenis kan men cultuurtoppen herkennen aan het hun vergezellende mensheidsgedrag; rond een cultuurtop tieren de decadentie, de absurditeit. de sensatie-honger en de totale verwarring, welig. 

De mens lijkt zijn graadsmeter te hebben verloren.  

Hij weet niet meer wat menselijk, noch wat goddelijk is; hij kan geen onderscheid zien tussen kleinzielige en edele mensen; hij heeft geen flauw benul van geestelijke inspiraties, kortom: hij is geworden tot een onwetend kind, behalve diens onbevangenheid en ontvankelijkheid. Hij is een bedorven kind, verwend, egocentrisch, humeurig, niet in staat te rijpen tot een groot mens. 

Er lijkt een beletsel te zijn gekomen voor de groei van kind tot mens-zijn; dikwijls ook kan het kind geen kind meer zijn. 

Kortom, een eindfase gaat vergezeld van een ontwaarding van natuurlijke en geestelijke wetten, die het fundament vormen voor het natuurlijke en geestelijke zijn.  

Uit zulk een situatie komt, logischerwijze, een mismaakte denkwereld, een verziekte emotionele wereld en een onevenwichtig organisme voort. 

Het is aan de ene kant interessant om een eindfase te beleven, omdat het een demasqué is en de weetgierige mens daaruit veel leert.   

Aan de andere kant wordt er een enorme tragedie opgevoerd, die tot het einde toe voltrokken schijnt te MOETEN worden.  

In zulk een tijd is er behoefte aan "grote mensen, die, gelijk meteoren, bereid zijn te verbranden om de aarde te verlichten."  

Grote mensen worden altijd omgeven door intense duisternis die hen provoceert om zichzelf te doen ontbranden terwille van enig licht.  Zulke menselijke fakkels trekken een lichtend spoor door de mensheidshistorie en zij staan er voor garant, dat er nimmer een totale duisternis voorhanden zal zijn.  

Een eindfase is een volkomen normaal verschijnsel; alles op aarde heeft een eindfase ook de mens; en zoals in een mensenleven diegene het wijste is, die zijn eindfase bewust doorleeft, zo is in een cultuur-eindfase diegene wijs, die beseft, dat hij NU zijn kans moet waarnemen om inzicht en gaven te ontplooien.   

De tijd van suffig verder existeren is voorbij; alle verborgen leringen worden blootgelegd, omdat degenen, die MOETEN weten wakker zullen worden. 

Wat is leven anders dan leren? 

Ooit gehoord van de Chinese wijsheid: "Je moet je leven voeden?"    

We voeden ons lichaam.  

Ons leven parasiteert dikwijls maar wat voor zich heen, zich vastklemmende aan gewoonten die zijn geworden als "kliekjes uit het verleden", zonder geur, zonder smaak, zonder kleur. 

Ons lichaam zou eraan te gronde gaan. 

Gaat ons leven dat niet evenzo? 

Momenteel beleven we een kleurrijke, pikante, sterk geurende tijd, die velen te onbekend is om er iets van te willen nemen.  

We houden ons afzijdig, want we weten niet "hoe alles af zal lopen", wat er van ons leven zal worden als we iets van die kleurrijke maaltijd zouden nuttigen.    

We zijn gehoorzame volgelingen, opgevoed met de vermaning: "Je mag niet nemen wat je wilt, noch hoe je het wilt." 

Je moet wachten totdat je iets wordt aangeboden.   

Als kind moest je bescheiden zijn en al trok het grootste en het kleurrijkste je aan, het mocht niet; je moest het minste, het saaiste, en voor jou het onaantrekkelijkste nemen. 

Hoe kunnen we dan later beantwoorden aan de uitspraak: "Hij wordt een groot mens die de onbevangenheid uit zijn kindertijd heeft bewaard?" 

Maar juist NU heeft de mensheid zulke grote mensen nodig.  

Grote mensen, die zich spontaan uiten, de spontaniteit die gelijk is aan de levensadem of de ziele-adem, die Homerus: Thymos noemt. 

Een "laatste dans der tijden" heeft een dermate indringende muziek, dat hij dwingt tot mede-dansen.   

Je kunt niet aan de kant blijven staan en toezien. 

Er zijn twee mogelijkheden: of je danst mee en laat je bedwelmen door de muziek, ofwel je bedenkt een betere melodie, die wellicht niet zo luid is, maar louter het innerlijk ontroert. 

Hard en luid is nooit beter dan zacht en ontwapenend. 

Een massa is nooit machtiger dan een welbewuste, wetende eenling.  

Één meteoor is opvallender dan ontelbare sterren.   

Het gaat er slechts om: wie wil die brandende meteoor zijn? 

Wie is bereid zichzelf te geven terwille van een laatste verlichting van de duistere aarde? 

Het heeft totaal geen zin zich blind te staren op de bijverschijnselen van een laatste dans, zij zijn altijd dezelfde en zullen dat blijven.  

Men moet hen onderkennen en zijn maatregelen nemen.  

Aan de wetende mens zijn zij als een laatste appèl, om een fakkel te worden en een fakkel wordt men niet met woorden, maar door VERbranden. 

Het lichtende VERbranden der bezieling, zodat degenen die in de duisternis vertoeven plotseling de sensatie van het licht ondergaan en zo een indringende herinnering daaraan zullen bewaren waardoor ze op zoek gaan. 

Er is nu geen tijd meer om naarstig naar kleine lichtjes te zoeken in een soort verzamelwoede.    

Het is nu het ogenblik voor ZELFontbranding, zoals de quasars, die zichzelf doorlopend ontsteken en een lichtend spoor trekken op weg naar een onzichtbare en onvoorstelbare horizon. 

We worden, tijdens deze laatste dans der tijden, met onze neus voor een onafwendbare werkelijkheid geplaatst, om ons heen èn in onszelf. Uit deze onafwendbare werkelijkheid proberen velen te vluchten - ook dat is duidelijk herkenbaar. 

Maar vlucht de wetende mens? En vlucht de grote mens? 

Weten zij niet dat deze onafwendbare werkelijkheid toch - nogmaals - voor hen geplaatst zal worden? 

Wie uitstelt maakt het zichzelf moeilijker.   

Hij, die wacht, kan in een zoutpilaar veranderen. Tijdens dit eindeloze uitstel trachten we te bidden en te overwegen in de hoop dat een andere oplossing ons verlost van het "meteoor" worden.  

De vanzelfsprekendheid, de ontvankelijkheid en de logica van het kind werd bedekt door een laag van civilisatie, een civilisatie die momenteel op de helling wordt getrokken. 

Als we onszelf niet op de helling trekken, WORDEN we vroeg of laat op die helling getrokken, want roestige levensschepen zijn onwaardig voor de levenszee. 

Die levenszee is woester geworden, de elementen werden uitgedaagd en toch menen we dat we met ons onwaardige, onvoorbereide levensscheepje die levenszee zullen kunnen bevaren, hoewel we BETER moesten weten.  

We weten ook beter, maar we WENSEN niet te luisteren naar ons GE-weten.  

Tot aan het moment dat we niet meer zullen KUNNEN luisteren.  

Weten we niet dat niet willen meestal uitmondt in het niet kunnen?  

"Wat moeten we dan doen", zo roept de mens in 't nauw.  

Hij, die in het nauw zit gedraagt zich zo niet, want een mens in 't nauw zoekt onvermoeibaar en zeer ingenieus en vooral praktisch, naar een uitweg.  

En hij zal deze vinden. Al is het door de grootste inspanning heen en al zou de enige oplossing zijn, dat hij een meteoor, een bewijs van zijn lichtende afkomst, zou MOETEN zijn. 

Hij, die over licht praat, laat hij licht brengen, hij, die over kennis praat, laat hij kennis uitdelen, en hij, die over liefde praat, laat hij van liefde getuigen. 

Is dat niet de meest eenvoudige, en vooral eerlijke vorm van mens-zijn? Maar ook de meest begrijpelijke uitdrukking van het Lichtzoon zijn? 

Als we om ons heen slapende mensen zien, die door de op voordeel belusten in de abattoirwagen worden geduwd of gedragen, dan zullen we trachten hen wakker te schudden, opdat zij zich hun situatie bewust worden. Hij, die verder wil slapen draait zich om en wijst de wekkende hand af, maar dat risico moeten we lopen. 

Heeft een eindfase niet behoefte aan wekkers om de bedwelmden, de slapenden te wekken? 

Ieder mens reageert anders op een wekker; ieder mens prefereert een ander soort wekker; velen willen niet wakker schrikken, maar ontspannen en rustig wakker worden.  

Die luxe kunnen we ons in deze tijdfase niet meer veroorloven.  

Rustig en ontspannen wakker worden vraagt tijd, en vooral: een innerlijke klok.    

Iemand met een "innerlijke" klok beseft dat de wijzers al gevaarlijk dicht  bij middernacht staan, de diepste duisternis, voordat "het Nuctemeron", "de dag die gaat schijnen in de duisternis", begint.    

In het eerste uur van die merkwaardige Dag van het Nuctemeron knielen de demonen voor de goden en dat zal een totale omwending van alle waarden, gewoonten en levensvoorwaarden betekenen.   

In een eindfase wordt demon gedwongen te knielen voor deus; de bijverschijnselen zijn als de sterfdans der demonen, die niet WENSEN te knielen. Er is altijd een moment in de mensheids-historie en in het individuele leven, dat het niet meer goedschiks gaat, maar kwaadschiks MOET. 

Onwijzen en bedorven kinderen vragen daarom.  

Hebben we in ons eigen leven niet juist geleerd uit zulke momenten? 

Het is een tekenend verschijnsel van onze eindtijd, dat het "kwaadschiks" leren, gehoond, verbannen en vermeden wordt.   

De intuïtieve wens om te LEREN of te AANVAARDEN schijnt te verdwijnen. Een harde ervaring is niet geliefd en omdat hij niet geliefd is, wordt hij door de bedorven kinderen van-de-eindtijd uit hun leerboekje geschrapt. 

God is Liefde. God is Goed. Wij geloven slechts in de Liefde, roepen ze. Dat betekent echter: wij willen zelf beslissen wat we leren moeten, en zijn slechts bereid te luisteren, indien we ons verheugen in hetgeen we horen.     

Waarin verheugen deze bedorven mensenkinderen zich dan?  

In hetgeen gemakkelijk is, in hetgeen nooit pijn doet en in hetgeen dat aan hun onevenwichtige wensen tegemoetkomt. 

Dat is een opvatting van hun liefde.   

Liefde en kastijding, of liefde en harde ervaring zien ze als tegengestelden. Op de blaren zitten wensen ze niet. 

Er is een zeer ingenieus afschuifsysteem uitgedacht, waarbij de schuldigen hun gevolgen in de schoot van anderen proberen te werpen.    

Het is de "verschuilmethode" van het onoprechte, overgeciviliseerde kind, het kind van een eindfase, dat nooit geleerd heeft het leven te beheersen, noch hoe het te voeden. 

Wie herkent niet in deze levensinstelling iets van zichzelf? 

Verschuilen lijkt ons altijd beter dan VERbranden. 

Is dat geen herkenbare signatuur? 

Een signatuur die onze onwijsheid markeert? 

Wie wil ONwijs worden genoemd? 

Zeker niet het bedorven, verwende mensenkind. Noch minder de mens die zichzelf volwassen denkt. 

En noch minder degene, die zo "belezen" is, dat hij zelf een boek is geworden; een boek dat in den treure werd doorgebladerd op zoek naar lichtende inspiratie. 

Een goed boek kan een lont zijn om een fakkel aan te steken, onze fakkel, WIJ. Zouden we ZELF een GOED boek zijn dan zouden we al branden. 

Branden omdat het middernachtelijk uur voor een groot deel van de mensheid, nadert.   

Vele van die mensen moeten ontwaken VOORDAT het AURORA van het Nuctemeron aanbreekt, want zij moeten mee zingen in het Koor der Lichtenden, in het moment dat de demonen knielen.   

Zij behoren mee te zingen, omdat zij daartoe hun Stem hebben ontvangen van de goden; zij kregen een godenstem, een innerlijk stem, om de grote God te loven in het uur dat Hij hen zou roepen.   

Is een roep dringender dan in een eindfase? 

Is, daarentegen, de tegenmuziek niet het sterkste? 

Daarom moeten Lichtzonen in staat zijn te luisteren. 

Wie niet WENST te luisteren zal straks op het moment suprême, niet kunnen spreken, niet HET WOORD kunnen vrijlaten. 

Het woord voor een hernieuwde schepping. 

Ach, het gaat helemaal niet om abstracte dingen, het gaat om NU bezield zijn omwille van de naasten, die mogelijkerwijze slapen en afgevoerd worden naar het abattoir der belanghebbenden.   

Het is de liefde-verantwoordelijkheid van hen, die weten, om zulk een intensief, provocerend, indringend geluid of gebaar te maken, dat enkelen nog zullen ontwaken voor het te laat is.  

Zulk een geluid kan hard zijn of wondend, doordringend of verschrikkend, ALS het maar zijn doel bereikt.    

Niemand is gelijk, wat de ene afschrikt, trekt de andere aan; waarop de ene reageert, gaat aan de andere voorbij. 

En wie zal oordelen wat juist is?   

Juist is datgene, dat vanuit een mededogend hart geschiedt.    

Fout is al datgene, dat uit haat of wrok gebeurt.    

Haat en wrok trachten de meteoren te beletten zich aan de hemel te bewegen, maar dat zal nooit gelukken, want een meteoor beantwoordt aan een kosmische wet, een dringende omstandigheid die hem zegt zich los te maken van zijn oergrond en de reis langs de hemelen te aanvaarden, opdat de aarde verlicht zal  worden en de mensen zich bewust zullen worden van de hemelen waaraan de Roep voor de Lichtzonen weerklinkt. 

Er zullen maar enkele meteoren zijn, maar er kunnen velen zijn die de Roep der hemelen vernemen.   

Mogen ook wij onder hen zijn.  

Want de tijd komt dat we die hemelen niet meer zullen kunnen onderscheiden. 

Dan zullen we ons voeden met heimwee en ons leven zal slechts uit "wee" bestaan, omdat we ons "heim" vergaten.  

De Roep klinkt nog steeds, nog kunnen we reageren, nog kunnen we ons toebereiden om een fakkel te worden, maar dan wel één die ontbrandt als de Vonk der Goden naar hem overspringt.   

Moge het NU zo zijn.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene