150 - De ideale verbintenis van Gaea en Uranos

Moeder aarde staat op het punt de mens wederom te ontnemen hetgeen hij haar ontstolen heeft. 

Ieder mens zal in zulk een kosmisch proces worden opgenomen en niemand kan daaraan ontsnappen door zich te verbergen in de één of andere humane dan wel religieuze organisatie. 

Slechts indien men in een harmonische wisselwerking is  gebleven met de aarde, de natuur, zal men niet de tegenstand en  de disharmonie gevoelen die de onwetende mens wel ondergaat. 

Iemand die onwetend is, is dikwijls onredelijk, maar iemand die de achtergrond der dingen schouwt kan de opbouw der gebeurtenissen doorzien, en daardoor zijn consequenties daaruit trekken. 

Niemand is lafhartiger en huichelachtiger dan hij die kennis bezit doch voor de consequenties daarvan terugschrikt. 

Ofwel hij is een prooi van een enorme angst, dan wel hij wil zijn huidige positie in het leven niet prijsgeven. 

Uiteindelijk is ook bij de hoogmoedige de oorzaak van het  gedrag: de angst. 

Angst verminkt de innerlijke zowel als de uiterlijke mens. 

Gebrek aan vertrouwen, schuldbesef, onkunde en onwijsheid verdiepen de angst. 

Vele moderne protest-activiteiten zijn ingegeven door de angst, hierdoor verandert er dus niets aan het werkelijke probleem, er wordt slechts een accent verplaatst. 

De instinctieve egocentrische mens wendt zich nu om hulp tot de natuur, omdat hij de vernietiging van zichzelf en zijn maatschap-pij vreest. 

Met spiritualiteit heeft dit niets te maken. 

Na enige tijd zal het gehele proces zich opnieuw herhalen, want  er is geen bevrijding gekomen van dat natuurlijke rad van geboorte en dood, opbouw en afbraak. 

Dit zodiakale rad houdt ieder mens in zijn greep die NIET kiest tussen de existentie in de stof en het geestelijke "zijn" als zielemens. 

Tussen deze stoffelijke existentie en dat mysterieuze "zijn" beweegt zich de spiritueel zoekende mens; hij beluistert, bestudeert en mediteert over het geestelijke "zijn", terwijl hij volop actief is in de stoffelijke existentie. 

Tussen het existeren en het geestelijke "zijn" bevindt zich die afgrond waarover in allerlei toonaarden en manieren gesproken wordt, doch die slechts door de enkeling wordt overschreden. 

Men tracht een brug te slaan door intellectuele kennis, door meditatie, door spirituele theorieën en door zich te verbergen in een organisatie, doch helaas blijkt steeds opnieuw dat de brug  van ondeugdelijk materiaal is gebouwd en dat men in de afgrond stort en slechts na veel moeite gelukt het om vaste voet te vinden op de oude grond. 

In de mythe van Gaea, die Saturnus de steen te verzwelgen gaf, is die sprong over de afgrond tussen existentie en geestelijk "zijn" te herkennen. 

Er wordt een daad gesteld nadat de nood tot het hoogste punt is gestegen. 

Die daad is: Saturnus te geven hetgeen van hem is: de steen, de zielloze materie.  

Christus zei: "Geef de keizer wat des keizers is en geef Gode wat Gode is." 

Zodra men de keizer het zijne gegeven heeft, moet er echter iets overblijven dat uit God is, wil de mens waarlijk blijven bestaan. 

Men verwacht altijd dat er een soort niemandsland bestaat tussen de keizer en God, tussen Saturnus en de ziel. 

Dit niemandsland vreest men, zoals de stoffelijke mens de dood vreest, omdat men het hiernamaals niet kent. 

Het geloof vormt dan de beschermende mantel waarin men deze sprong waagt, en deze moet men wagen, omdat er geen ontkomen is. 

Zoals de wetenschap al sinds onheuglijke tijden een middel bedenkt om de dood te ontvluchten, hem tegen te houden, zo bedenkt de gevallen Lichtzoon al sinds eeuwen een middel om de ego-dood te ontwijken. 

Hij slaagt daar redelijk in, zoals de wetenschap er enigszins in slaagt om het stervensuur te verschuiven. 

Niemand staat er echter bij stil dat van uitstel geen afstel kan komen, omdat kosmos en mensheid beantwoorden MOETEN aan een scheppingsopdracht.  

Zoals de stoffelijke dood onvermijdelijk komt, zo wordt de Lichtzoon onvermijdelijk voor de consequenties van zijn gedrag geplaatst. 

Sommige Oosterse leringen zeggen dat de daad niet de verlossing of de bevrijding brengt, het gaat slechts om de meditatie: de ontlediging en het één worden met Brahman. 

Door deze zienswijze splitst men het menselijke wezen in zijn positieve en zijn negatieve aanzicht. 

Het negatieve aanzicht mediteert, bewerkt ontlediging, maar wat doet het positieve aanzicht? 

De mens is opgebouwd uit een negatief en een positief beginsel  en om harmonie te verkrijgen moeten deze beide aanzichten nauw samenwerken om een levend atomair stelsel te vormen. 

Het atoom is het beginsel van het leven, zowel in de stof als in de spiritualiteit. 

De ontvankelijke ziel, als waterstofatoom, moet tot leven komen doordat haar positieve geestelijke wederhelft contact met haar maakt. 

Men komt dit beeld in alle legenden, mythen en wijze leringen tegen.  

Gaea nam Saturnus als middelpunt van haar existentie, gelijk de materiële mens dit doet, maar daardoor verloor zij het contact met Uranos.  

Iedere middelaar, ieder beeld, iedere organisatie die zich tussen Gaea en Uranos stelt, belet het herstel van de oorspronkelijke toestand. 

Vrijwel alle momentele religieuze organisaties beletten de individuele mens de hereniging van ziel en geest. 

De geest is hemels, d.w.z. onaards en hij kan nooit vervangen worden door enig mens, noch door enige leer, noch door enige organisatie. 

Uranos had Gaea als echtgenote en de ziel had de geest als echtgenoot.  

Men kan dit eveneens nalezen in het Evangelie van de Pistis Sophia, de Pistis wachtte op haar partner opdat deze haar verlossen zou. 

De mens, de Lichtzoon, zoekt bevrijding, zegt hij, maar hij weet niet eens wat "vrijheid" betekent, evenals de ziel de geest niet herkent voordat zij daardoor wordt aangeraakt. 

De herinnering aan die geest is verloren gegaan, anders zou zij zich toch niet doorlopend bezig houden met al die loze en domme experimenten? 

Als de ziel bewust wetend zou zijn, waarom doolt zij hier dan al levens lang rond? 

Als zij reeds zo bewust en wetend zou zijn en die vrijheid kent, waarom geeft zij zich dan steeds opnieuw gevangen aan ÈÈn van die ontelbare vormen van gevangenschap? 

Waarom verlangen zovelen naar een helpende hand, een beschermende figuur of een beschermend lichaam? 

Omdat zij onwetend zijn. 

Omdat hun ziel haar herinnering heeft verloren en zich tevreden stelt met imitatie. 

Is het citeren van de woorden der wijzen niet dikwijls een kalmerend middel voor de ziel, opdat zij niet in opstand zal  komen en de mens zal dwingen tot die zozeer gevreesde beslissende daad der keuze? 

Dat beeld der huidige wetenschap, dat gesol met leven en dood, geboorte en sterven, is een afspiegeling van het denkstramien van een eeuwenoud leefklimaat. 

Zoals de mens innerlijk is zo toont hij zich in zijn levensgedrag.  

En dat geldt voor geheel de mensheid, onverschillig met welk volk of welk ras wij te doen hebben. 

De som van het menselijke denken stimuleert de topfiguren der mensheid tot hun daad. 

Zij worden daartoe geforceerd, zoals uiteindelijk ieder mens tot een bepaalde actie gedwongen wordt. 

Men kan nooit zeggen: Daar zit de schuldige! 

De schuldige werd gevormd door een aaneenschakeling van gebeurtenissen en denkpatronen, waaraan niemand onschuldig is. 

Ieder ego is een actief onderdeel in de beweging van het saturnale rad en hij is pas bevrijd en daadwerkelijk ziele-actief wanneer dat rad hem op de top van zijn draaiende beweging weggeslingerd heeft, de hemelen in. 

Zelfs iedere egocentrische gedachte, en die heeft ieder mens volop gedurende een etmaal, is een bevestiging aan het rad.  

Daarom is die aanbevolen ontlediging van het denken in principe juist, zoals zovele gezegden en methoden zich baseren op een juiste impuls, maar zij ontaarden altijd in een wettische methode, omdat de ziel onwetend gebleven is met betrekking tot de vrijheid en tot de gevolgen van de sprong over de afgrond. 

Het benauwende van al die methoden is dat men tenslotte altijd tegenover een muur komt te staan. 

Zolang de ziel werkzaam is zal zij die muur vinden, vooral wanneer het ego niet meewerkt aan de sprong over de afgrond.  

Al zoekt men overal in de leringen van oost en west, geen enkele methode kan de mens deze beslissende daad helpen ontvluchten; zulk een ontvluchting is altijd een tijdelijke toestand, die geen enkele hunkerende ziel blijvend zal accepteren. 

Het ego kan de ziel dwingen tot tijdelijke acceptatie, maar dan volgen, in het beste geval, innerlijke gewetenswroegingen en uiterlijke ziekten.  

Zou dit niet het geval zijn, wel, dan is het hoogste tijd dat de spirituele mens zich bezorgd gaat maken over zijn spirituele leven. 

De geest is slechts te bereiken door onthechting en deze onthechting is, evenals de "vrijheid", het onderwerp van ontelbare discussies, methoden en leringen. 

Onthechting is namelijk een ander woord voor "vrijheid". 

Onthechting is geen opgelegde armoede, maar zij zetelt in de zeven zintuigen, zoals Henoch die opnoemt: de smaak - het gehoor - het oog - het gevoel 

- de reuk - het geduld en de heerlijkheid of de zaligheid. 

En deze gaven liggen niet altijd in de ons bekende zintuigen, zoals u weet. 

Staar u daarom niet blind op die uiterlijke zintuigen, zij zijn van ondergeschikt belang, want zij volgen gehoorzaam de innerlijke wet zodra de geest in de ziel aanwezig is.

Er wordt in het boek Henoch niet gesproken over de macht van  de wil, waar de uiterlijke mens zo mede dweept. 

Neen, het gaat om het bloed, het vlees, het gehoor, het oog, het gebeente, de zenuwen en de ziel. 

Deze zijn de middelende zintuigen voor de aanraking des geestes. 

Deze zintuigen staan niet onder de macht van de wil of onder het intellectuele vermogen (de hersens worden immers ook niet opgenoemd), neen, het gaat om de reiniging van werkelijkheden waarover geen enkele methode zeggenschap heeft.  

Dit is nu de wanhoop van vele leraren en zoekers: Ik, het ego, heeft er geen macht over. 

Dus: wat moet IK doen? 

Wel, de oplossing is vrij eenvoudig uit de gegevens te extraheren: "Ik" moet eindelijk eens zwijgen en zich met zijn eigen zaken bemoeien.  

En, iedereen weet dat dit "ik" nodig eens orde op 

zaken moet stellen. 

"Ik", dat gecompliceerde samenstelsel van rede en wil en emoties, moet eens beginnen met zichzelf te reinigen, voordat het zich met ziele-onderwerpen bemoeit en de ziel wil beraden hoe zij met de geest in aanraking moet komen. 

Zodra dit ego terugkeert tot de oorspronkelijke bedoeling van zijn existentie en de ziel met rust laat, zal deze ziel haar eigen weg zoeken. 

Helaas gebeurt dit dikwijls niet eerder dan nadat het ego zulke opdoffers heeft gekregen dat het te lamlendig geworden is om  zich met zielezaken te bemoeien. 

Maar dit is een wet, de harde wet waaraan ieder ego gebonden is wanneer het waardig bevonden werd een ziel huisvesting te mogen geven. 

Door meditatie ontvlucht, althans tracht men deze wet te ontvluchten, een consequent mediterend mens stelt zich buiten de wet van oorzaak en gevolg in dit leven. 

Anderen doen dit met behulp van een machtig religieus lichaam 

Ieder ego vlucht. 

De ziel vlucht nooit, maar zij trekt zich terug als er geen mogelijkheid meer te vinden is in het ego. 

Hieruit is die dikwijls wonderlijke terugval te verklaren van een voorheen spiritueel mens in de genietingen van de profane materie.  

U moet echt niet menen dat de ziel, als goddelijk atoom, met zich laat sollen. Het ego, de hoogmoedige individuele mens, waant zich almachtig, maar hij is het niet. 

Er is een gebied waar zijn macht ontoereikend is. 

Zou dit niet zo zijn dan zouden heel wat meer mensen de hemelse volmaaktheid bereikt hebben, want er is beslist geen gebrek aan strevende ego's. 

De beslissende daad ligt in de acceptatie van de consequenties, hetgeen de ziel al weet en hetgeen het ego overwogen heeft, moet zich uitdrukken in de positieve daad. 

Die daad bestaat niet uit overijverige handelingen, bemoeizieke, humane activiteiten, studie, protesten, neen, die zo schijnbaar moeilijke daad is die overgave aan de intuïtie en het Geweten. 

Doet men dit dan dwingen deze laatsten de mens tot een positieve stap.  

De mens kan nooit zeggen: "Wat is die daad?", wanneer intuïtie en Geweten hem voortdurend appelleren.  

Dan kent hij die daad.  

Deze daad heeft vele aanzichten, maar hij is in wezen altijd de-zelfde. Hij bestaat uit het accepteren van de vrijheid en de onthechting, maar daardoor niet vervallen in losbandigheid, immoraliteit en onverantwoordelijkheid. 

Zodra de mens deze onthechting en deze vrijheid innerlijk accepteert, bemerkt hij hoe ongelooflijk sterk hij gebonden en gevangen is.  

Zodra hij meent een kram losgemaakt te hebben ontdekt hij wederom honderden andere hechtingen en onvrijheden. 

Niets kan de mens radicaler onthechten en bevrijden dan de stemmen en raadgevingen te aanvaarden van zijn intuïtie en zijn Geweten.  

Zou hij dit werkelijk doen dan krijgt hij het onbeschrijflijk moeilijk met zijn ego, want dit is razend knap in het bedenken van uitvluchten. 

Is deze maatschappij al niet eeuwenlang opgebouwd op een reeks van uitvluchten? 

Slechts een gezond, niet buiten zijn eigen gaven en proporties getreden ego, laat de mens de weg bewandelen van vrijheid en onthechting, vergeet u dit nooit.  

Een gezond ego is sterk, ten opzichte van inzicht en natuur-harmonische verhoudingen, en daarom ziet het in dat het de ziel niet vergezellen kan en mag naar het Land over de afgrond, over de Jordaan, tot daar waar de Hemel zijn Hemelzonen verwelkomt.  

Hetgeen des keizers is moet in het land van de keizer blijven en hetgeen Gods is moet de hemelen Gods binnengaan.  

Zo zij uw leven, zoekende mens!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene