145 - Spiritualiteit uit Fohat

Niemand is waarlijk spiritueel dan hij die zijn leven aan de spiritualiteit wijdt. 

Het woord spiritualiteit is heden de dekmantel waarachter zich vele onevenwichtige en wilszwakke figuren verbergen; een spiritueel mens zijn is, in levenshouding en daad het tegendeel tonen van de materiële mens.  De materiële mens strijdt voor bezit, zekerheid in de stof, succes, eer. 

De spirituele mens strijdt niet, integendeel, hij tracht een overgave te realiseren waarbij er voor hemzelf niets te profiteren valt.  

Onze maatschappij is gebaseerd op de voordeelspolitiek, die direct aansluiting vindt bij de materieel georiënteerde mens. 

Nu leeft er in ons allen meer of minder een materiële interesse, omdat ons ego gedreven wordt door materiële belangen, en het ego is de essentie van de stoffelijk lichamelijke en etherische gaven. 

In ons wezen huist een sterke drang tot bezit of tot eer of tot aanzien, het gekend worden als een belangrijke figuur. 

Ons instinctieve ego wil in zijn kracht worden erkend. 

De spirituele mens met zijn ziele-ik streeft nooit naar erkenning, noch naar één of ander aanzien; daarom worden vele spirituele mensen vertrapt door de anderen die over hun ruggen een weg banen tot aanzien, eer en erkenning. 

De weg naar de hel, zegt de volksmond, is geplaveid met goede voornemens, maar de weg naar de hemel is geplaveid met zielebloed en zielepijn.  Deze weg tot de Hoogten is geëxploreerd via de levens van vele wijzen.  En nog is er niet genoeg bloed gevloeid, nog zin er niet genoeg levens genomen. 

Degene die een eerste stap zet op deze weg tot de Hoogten kan ervan verzekerd zijn dat vanuit alle hoeken en gaten achter die zo schoon vergulde façaden de aanvallers op hem toe zullen  stormen. 

De discipel zegt niet voor niets: "De eerste schrede op het pad geeft een gevoel alsof men op een wespennest heeft getrapt.......!" 

Deze sensatie schrikt de zwakken af en brengt velen tot wanhoop. 

Slechts de waarlijk spirituele mens laat zich daardoor niet afschrikken, omdat hij geen enkel belang dient. 

Het is moeilijk voor de stoffelijke mens met zijn sterke instincten om zich van het belangenstreven af te keren. 

Is deze hele maatschappij daar niet op gericht? 

Denken wij niet reeds eeuwenlang in hetzelfde stramien? 

Is het daarom niet begrijpelijk dat zulk een mens, als hij de spiritualiteit gaat nastreven, begint met deze belangenpolitiek op de spiritualiteit te projecteren? 

Ieder mens treedt de spiritualiteit binnen met een egodrift; uit een ontevreden ego komt maar al te dikwijls een hunkering naar religieus beleven voort. 

Men zoekt een bevrediging, men wil gekend worden en dikwijls vindt men in de organisatorisch religieuze beweging een compensatie voor het gemis in het dagelijkse leven. 

Uit deze compensatie komen vaak al die goede giften voort waar vele grote religieuze bewegingen op gebouwd zijn. 

De door het instinctieve ego gedreven mens koopt en verkoopt, koopt af, koopt zich in, koopt zaligheid. 

Zoals gezegd, de twee woorden God en geld beginnen beiden  met een G en de mens kent tussen hen het onderscheid niet.  

Daar waar een mens geslagen, verkreukeld en gewond is door het gewone leven zoekt hij heil, heling voor zijn ego in de religieuze belevenis.  

De psychiater kan hier een hele leerstelling op bouwen en schrijft daarom ook velen van zijn patiënten een religieuze levensinstelling voor, omdat het teleurgestelde ego gefrustreerd is, ziek  is, waardoor in het denken de meest vreemde beelden wakker worden, die men soms aanziet voor spiritualiteit, maar die in werkelijkheid niets anders zijn dan voortbrengselen van een levensangst, een levensbitterheid, een niet gekend zijn.  

De huidige opleving van spirituele interesse is immers niets  anders dan een gevolg van een massale frustratie ontstaan in een door oorlog en onevenwichtigheid belaste jeugd? 

Alle groeperingen die rust en harmonie, gemak en spiritueel aanzien beloven zijn in trek. 

De in het leven falende mens wil iets. 

Voor ieder serieus spiritueel streven is daarom altijd het uitgangspunt het belangrijkste onderdeel in een spiritueel leven. 

W‡t zoekt men en waarom zoekt men? De keuze tussen materie en geest wordt reeds in het prille begin gedaan, hoewel onbewust. 

Het teleurgestelde ego wendt zich bitter van de materiële genoegdoening af, omdat deze het teleurstelde, en het meent dat het de materiële belangen achter zich laat, doch het kan zich nog niet afkeren van zijn bloedsinstincten waaruit het leeft. 

Uiterlijk is er een keuze gemaakt: de materialist wordt spiritualist, zo denken de toeschouwers, maar in werkelijkheid is er niets anders gebeurd dan dat hij zijn streven op een ander vlak verlegd. 

Zijn keuze is nog steeds: materie, hoewel nu te bereiken via de spirituele weg.  Daarom is het zo'n onzin te spreken over spiritualiteit, terwijl het denken vervuld is van materialisme: eer, bezit, aanzien, positie, graden. 

De spirituele bewegingen komen aan de hunkering van het gefrustreerde ego tegemoet en bieden de mens: graden, inwijdingen, posities, aanzien. 

Nu kan hij het etiket "spiritueel" opspelden, terwijl hij heimelijk zijn ego kan bevredigen in diens instinctieve, materiële verlangens. 

Een spirituele weg kan daarom nooit door een organisatorische beweging worden uitgestippeld, want deze weg gaat niet langs graden, aanzien, eer en organisatorische inwijdingen, maar deze weg gaat, helaas voor de geraffineerde materiële mens, langs de bewustzijnsverlichtingen van zijn innerlijk. 

De spiritualiteit negeert het verlangen van het ego en laat zich daardoor niet prostitueren; het eindpunt van zulk een geestelijke verkrachting ligt altijd op het materiële vlak. 

De hoogste top die de z.g. geestelijke mens kan bereiken is een inwijdingsgraad met een schoon etiket, vergezeld gaande met een adoratie van lagere goden. 

Alle inwijdingen die de mens zoekt hebben dit aanzien tot doel, zelfs hun zo veelbegeerde bewustzijnsverruiming heeft dit doel. 

Als men zijn medemensen niet kan intimideren door geldbezit tracht men het door godsbezit. 

God en geld zijn oppermachtig.  

Inderdaad!  Een mensheid die zo gekweld wordt door frustraties, voort-gekomen uit een eeuwenlang schuldgevoel, moet een afgod hebben om zich daarin af te reageren.  

De godloze materialist kiest geld, de godloze spiritualist kiest de religie.  

De maskerade waarachter het ego zich verschuilt is een winst-gevend bedrijf voor alle religieuze bewegingen, die schermen met graden, inwijdingen en posities. 

De spirituele leer die niets aan te bieden heeft dan spot, teleur-stelling, eenvoud en rechtschapenheid wordt slechts gepraktiseerd door de verlichte enkeling en deze staat altijd sterk; sterk door zijn belangeloosheid, sterk door zijn oprechtheid, sterk door zijn zielskracht. 

Deze sterkte is het mikpunt van de afgunst der schijn-spiritualisten, zoals we ook duidelijk in de zesde boetezang van  de Pistis Sophia, de Maagd-zang kunnen beluisteren.  

De maagdelijkheid, het ontbreken van ieder ego-belang, maakt deze mens immuun voor de aanvallende trawanten en daarom haten zij hem. Niemand wordt in deze wereld meer gehaat dan de spirituele mens die blijk geeft van zijn innerlijke kracht en daarom superieur is tegenover al die schijn-spirituele strevers, die zoeken hetgeen hij bezit, maar dit nimmer zullen bereiken, omdat de spirituele weg, die het overgrote deel der religies aanbieden, aansluit bij een frustratie van het ego en niet bij de weemoed der ziel. 

Men biedt de mens intellectuele verhandelingen, interessante uiteenzettingen die berusten op waarheid; men biedt hem macht, overwicht en kennis aan, maar wat biedt men de ziel? 

Zoekt deze ziel al de genoemde bezittingen? 

De ziel zoekt haar Bron, de Vader-Moeder, haar Schepper en de religieuze bewegingen spelen daarom tegenover het verlaten, gepijnigde ego de vader-moeder, de beschermer. 

Een gerustgesteld ego is nooit in staat de ziel een kans op verlossing te geven, deze rust van het ego geeft gezapigheid, die gevaarlijke tevredenheid die de mens soms begeleidt van de wieg tot het graf. 

Deze tevredenheid is de vloek van onze welvaart waarbij de mens eveneens beschermd wordt van de wieg tot het graf. 

De verontrusting, die prikkel, die angel die in het vlees geslagen wordt, ontbreekt.  Een levende ziel kan niet voldaan worden door de beloften van inwijdingen, graden en materiële welstand of uiterlijk geestelijk aanzien. 

Een levende ziel zoekt zieletrillingen die hem tot voedsel dienen. 

Deze zieletrillingen verbergen zich niet in intellectuele leringen, noch in interessante uiteenzettingen, maar zij bevinden zich in de "fohat", de levenselixer. Deze "fohat" wordt via het hart omgezet in levenskracht voor het ego, dan wel levenskracht voor de ziel. Voordat goed en kwaad, god en satan in het denken gestalte nemen, beweegt het hart zich reeds in de "fohat", die het ego dan wel de ziel voedt. 

De ziele-fohat, geproduceerd door een rechtschapen en rein hart, verontrust het ego, zij kan dit ego nooit bevredigen, hoewel het mede existeert uit deze levenskracht. 

Het ego blijft onbevredigd, zoals de ziel onbevredigd blijft wanneer het egocentrische, door Jezebel verleide hart het ego dient. 

In deze redenering zult u die subtiele scheiding herkennen tussen zielsgenot en zinsgenot, de keuze ligt bij het hart. 

Een bevredigd ego zwemt in zingenot, religieuze extase is een wellust voor het ego; een bevredigde ziel kent zielsgenot die buiten de zinnen omgaat.  

Het wellustige ego zoekt binding met het bekken, de woning van de halsstarrige Satan-Saturnus: het vreugdevolle zielsgenot zoekt een verbinding met het hoofd, de omgezette Saturnus: Christus, de graal. 

Deze wellustige religieuze bevrediging vindt men in de hedendaagse emotioneel religieuze ontwikkeling, die saturnale bevrediging, waarbij hart en bekken nauw samenwerken in genot, ego-lust. 

Het is een teken voor het falen van de opdracht der mensheid, dat in een Aquarius-tijd, die onder Uranus een spirituele vervoering zou kunnen brengen, de mens afglijdt in een religieus zingenot, waarbij Saturnus-Satan zijn Vader Uranus afgunstig van zijn levenskracht berooft. 

Alom in de wereld kunt u zien hoe op het religieuze vlak Uranus, de mystiek, zuivere spirituele opgang, verkracht wordt door de wellustige afgunst van de saturnale degeneratie. Voor de mens is god te koop, de prijs is overal verschillend, maar hij IS te koop.  

Indien dit niet mogelijk zou zijn zou de mens zich waarlijk van god verlaten gevoelen, want hij zoekt godsbezit door middel van geldbezit; en als hij geen geld bezit biedt hij zichzelf te koop aan, want hij kan niet belangeloos denken. 

In de egocentrische mens is god als het ego: begerig, wraak-zuchtig, heerszuchtig of slaafs. 

Helaas! 

God is niet te koop!  Spiritualiteit is niet te koop! Spiritualiteit is zelfs geen verdienste, want zij is een gave - om  niet - uit God. 

Daarom kunnen twee mensen het woord van een wijze lezen; de ene begrijpt hem en is tot in de ziel geroerd, de andere vindt zijn woord lachwekkend en hemzelf een dromer.  

De spiritualist is in de ogen van de keiharde materialist een dromer, een fatalist, een idealist, omdat hij niet te koop is voor geld, goed en aanzien. 

Maar deze schijnbaar waardeloze dromer kan wijde verten binnentreden waarin zijn ziel het zo nodige voedsel vindt en zo wordt de dromer sterk daar waar de rijke materialist arm blijkt te zijn.  Dan is de strijd geboren: de saturnale drift zoekt wegen om zich   te wreken op de zielerijkdom van de eenvoudige maar wijze  dromer. 

De authentieke, mythische ontmoeting vindt wederom plaats, de zwarte raaf en de witte duif, het gevecht om het levenselixer. 

Het is een gevecht van een eeuwenoude mensheid, en van een archaïsche schepping, maar het wiel der generaties draait verder, vermalende hetgeen faalde, omhoog voerende hetgeen waarde bezit. 

En zij die vermalen worden stoten een doordringende doodskreet uit en zoeken medestanders en medelijden zoals het gedrag der "stervende sterren" in het heelal bewijst, maar het wiel draait verder.  Zij die wijs zijn klemmen zich vast opdat zij uit die put der versterving gered zullen worden voordat het deksel wederom wordt dichtgegooid. 

Denk er echter aan, pelgrim tot de Hoogten, dat uw weg nooit geplaveid mag worden met de lijken der verkommerden, maar slechts met uw eigen zielebloed dat zich vermengt met het zielebloed der voorgangers, want ook hieruit stijgt op die reddende levensstroom: "fohat". 

Zoals in de natuur alles omzetting is, alle wezens uit elkander en door elkander in leven blijven, zo wordt iedere oprecht strevende ziel gevoed uit de "fohat" van het zielebloed der voorgangers op het Pad en uit zijn eigen bloeds-fohat. 

Op deze wijze wordt die bloedsofferande waar waarover het Christendom spreekt: de Lichtzoon offert zich terwille van de mensheid. 

Van iedere Lichtzoon wordt dezelfde offerande gevraagd. 

En offerande gaat altijd vergezeld van miskenning en geen erkenning; van afgunst en niet van gunst; van eenvoud en niet  van rijkdom; van haat en niet van liefde. 

Hij, die de pijniging van zulk een wespennest wil riskeren, hij zette de eerste schrede. 

Vrede kome over hem!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene