141 - Het kleine altaar in het woud

De beslissende keuze, zoals de zesde Tarotkaart symboliseert, die de materialistische mens en de spirituele mens van elkander scheidt, wordt genomen door het hart. 

In het hart, waar de twaalfbladerige lotus ligt, voltrekken zich de seizoenen van het microcosmische universum. 

In het hart van deze twaalfvoudige lotus zetelt de kernkracht des levens, maar de kernkracht des geestes bevindt zich in die kleine achtvoudige bloem, die verbonden is met het hart en waarin,  zoals de Indische leer zegt, het altaar der goden staat. 

Binnenin deze kleine achtbladige lotus woont de individuele God, hij daalt neder op het altaar dat in deze achtvoudige lotus staat opgesteld. 

En de reuk en de devotie uit deze kleine achtvoudige lotus stijgen direct op naar het hart en zo wordt het twaalfvoudige universum van de mens doortrokken van de innerlijke godendienst. 

"De reuk ligt in de ziel," zegt het boek Henoch.  

De Indische wijsbegeerte leert over de achtvoudige lotus onder aan het hart, waarbinnen het altaar der goden staat, dat de reinigende, welriekende godengeur verspreidt. 

De mens is een groot mysterie, maar het grootste mysterie ligt in het hart, dat wonderbaarlijke orgaan dat zijn eigen weg kiest, dat de zinnen belevendigt en dat hen de vernielingsweg kan opsturen. 

De twaalfbladige lotus des harten is het universum waarbinnen de herschapen mens geboren kan worden die in staat zal zijn dit universum te reinigen. 

God en godin beheersen het hart en zij zijn demonen dan wel waarachtige goden: Adam en Eva dan wel Adamas en Hevah. 

De geur die vanaf het altaar omhoogstijgt vergiftigt dan wel  heiligt hun denken. 

Zielloze mensen ontberen de welriekende godengeur der ziel, zielvolle mensen leven daaruit en hun goden zijn actieve bezielers. 

Intellect en emoties vullen het twaalfvoudige lotushart met spanningen en het vuur op het altaar blijft aldus gedoofd. 

Wanneer de mens de beslissing van de zesde kaart neemt is er voor hem geen terug meer, noch vervalt hij in twijfelmoedigheid, want dit besluit verandert hem werkelijk. 

In de achtbladige lotus staan eveneens de "heilige bomen van het heilige woud"; zegt de overlevering. 

Tussen deze heilige bomen kringelt de rook van het altaar omhoog en brengt God lof. 

De mens van de beslissende keuze is de mens van de heilige symbolische acht, het "zo boven zo beneden" en zijn acht heilige daden verspreiden een welriekende geur die God tot ere is. 

Symbool en praktijk ontmoeten elkander in dit beeld en niemand mag daarom de oude symboliek verwerpen; slechts de onbewust geïrriteerde mens doet dit. 

En waarom? 

Omdat het hem aan iets herinnert, een loochening, een vergeten beeld en hij wil daaraan niet herinnerd worden. 

De zesde Tarotkaart waarop Adam kiest tussen Eva en Hevah is een symbolische kaart en slechts de ernstige, toegewijde en diep doordenkende beschouwer herkent er zijn bestemming in. 

Hij die wil, bestudeert en onderkent; hij die NIET wil, uit laksheid of gemakzucht, gaat eraan voorbij of wordt geïrriteerd. 

Irritatie ontstaat door een doorn te drijven in het vlees of een  nagel in de ziel. 

Alle spirituele wetten worden irritant zodra deze Adam beletten zijn gewoonten te volgen. 

Dan gaat hij roepen om zijn vrijheid en gaat hij fulmineren tegen de geest. 

Niemand is vrij die zich niet vrijwillig kan onderwerpen aan een hogere Macht. 

Knielen is geen slaafsheid, het is slechts een gevolg van over-gave, de overgave die vanuit het hart komt en nooit uit de zinnen, zoals een overgave aan Eva voorschrijft. 

Voor het altaar in de achtbladige lotus knielt Adamas en zo opent zich zijn gehele innerlijke universum in een overgave aan de Schepper. 

Omdat het hart in onze moderne, harde en meedogenloze tijd verwaarloosd wordt zijn de mensheid en de wereld minder spiritueel geworden, niettegenstaande de ontelbare religies die  hen overspoelen. 

Daar waar de innerlijke godsdienst wegebt moet de uiterlijke godsdienst haar plaats gaan innemen, want de mens gevoelt wel dat hij iets mist. 

Zolang het hart toegesloten blijft is het twaalfvoudige universum des mensen toegesloten en geen zielegeur vermag de lotus open te breken. 

Openheid des harten is de voorwaarde tot zielegroei, zeggen de wijzen, en de mens verwart dit met exaltatie en mystieke, slaafse overgave. 

Een geopend hart is echter totaal iets anders en het schenkt de mens geen meegaandheid, integendeel, het schenk deze mens een scherpe blik, een helder verstand en een zuivere intuïtie. 

Al deze gaven worden pas geboren wanneer de geur van het  altaar der achtbladige lotus het hart bereikt. 

De zonnevlecht ligt op deze lotus en aandoeningen van de zonnevlecht bewijzen de verstoring binnen het woud der heilige bomen. 

Er zijn situaties, handelingen van uzelf en van uw naasten die u figuurlijk gesproken misselijk kunnen maken: uw zonnevlecht komt ertegen in opstand, niet uw maag. 

De zonnevlecht drukt op de maag en doet een wee en misselijk gevoel ontstaan. 

Wanneer dit zonnecentrum krachteloos wordt kan dit een bewijs zijn dat uw altaar en zijn heilige bomen reeds levenloos zijn geworden. 

Dan komt u innerlijk niet meer in verzet tegen provocatie en popularisatie en verkrachting der heilige dingen, zoals dit in onze tijd usance is. 

Het vertrappen van de heilige symboliek, het spelen met  magische normen, het te pas en te onpas gebruiken van heilige namen bewijzen dat de innerlijke tempel des mensen ledig staat en een handelshuis is geworden.  

Dan kan men honderdmaal om vergeving bidden of om de voorspraak van heiligen en adepten smeken, het helpt niets. 

Wat zou er te vergeven zijn? 

Vraagt een hond om vergeving omdat hij niet kan spreken of een kat omdat hij vogels vangt? 

Hij, die onder het peil van zijn waarachtige mens-zijn is uitgezakt krijgt geen vergeving, men telt hem niet meer, omdat hij niet meer tot de edelen der schepping behoort. 

De zinnen van de mens zijn zijn verleiders, maar zij zijn zijn werkelijkheden, want ook de ziel behoort bij hen. 

Hart en zinnen vormen de godin en haar dienaren. 

Eva woont in de zinnen, Hevah kan slechts het hart betreden. 

Adam is de slaaf van zijn zinnen, dan wel is hij de koning van  zijn hart-godin. 

De keuze tussen geest en stof wordt genomen door de godin des harten: Hevah. 

Als Adam voor de beslissende fase staat heeft de godin reeds besloten of zij hem wel dan niet aanvaardt. 

Aan alle uiterlijke daden gaat een innerlijke schepping vooraf, nietwaar? 

Niemand kan de innerlijke opbouw van het individu ontkennen: de zeven chakra's als zeven heilige gemeenten en de achtste lotus die deze gemeenten inspireert. 

Adam en Eva wonen in een dode stad dan wel bewonen zij het Heilige Jeruzalem, waarbinnen op het altaar van de tempel de vuren der goden branden. 

Het moment is aangebroken waarop symboliek en werkelijkheid elkander begroeten en slechts de onwetenden en de ledigen ontkennen dit en gaan voort op de ingeslagen weg, hun tempel uitruimende, hun heilige bomen ontwortelend. 

Zo trekt het licht uit hen weg, uit hun ogen, uit hun hart, uit hun denken en ook uit hun huid. 

Hun vlees luistert niet meer, het lichaam is teugelloos geworden en de zinnen bespelen dit voertuig en jagen het de afgrond in. 

"Het gehoor zetelt in het vlees," zegt het Boek Henoch, en het vlees, de huid, is nauw verbonden met het hart, omdat de tastzin, de intuïtieve tastzin daarin verborgen ligt. 

Als het hart gestoord is wordt de tastzin grof, reageert de mens niet zo sterk meer op trillingen. 

Vrees doet de huid rimpelen, kan de haren ten berge doen rijzen, geeft rillingen; wanneer het hart zich belaagd gevoelt wordt dit door het gehele lichaam waargenomen. 

Onze tijd van wetenschap, techniek, onderzoek en geweten-loosheid verziekt het hart, waardoor de zinnen hun meesteres  gaan missen. 

Zo is de weg vrij voor exaltatie, uitzinnigheden. 

Intellectualiteit, mediumschap, zenuwzwakte, religieuze exaltatie zijn vormen van een geestelijke hartaandoening. 

De lichamelijke hartzwakte komt meestal later. 

Men kan het hart niet buitensluiten, het zou zijn alsof men Hevah de deur wijst, terwijl men God wil dienen. 

Zonder Hevah is ieder mens echter slechts een half mens en kan hij God niet dienen. 

Het godenpaar bestond uit twee wezens, die in werkelijkheid één zijn. 

Adam en Eva worden nooit één en in hun afgescheidenheid kunnen zij God niet op de juiste wijze dienen. 

Hoofd en hart, Adamas en Hevah, god en godin, geven en nemen, Shiva en Satie zij allen vormen de symboliek van die Ène volmaakte mens die na zijn beslissende keuze voor het altaar der achtvoudige lotus knielt om daarop de godengeur vrij te maken. 

Men kan nooit zeggen: "Ik aanvaard deze symboliek niet." 

Wanneer de mens niet wil luisteren door de huid, via de trillingen die zijn hart bereiken, die zijn twaalfvoudige lotus beroeren, moet men hem bereiken via het oog. 

Het oog neemt op en het geeft af, het is een kwetsbaar zintuig. 

Het uiterlijke oog is de laatste fase waardoor de mens bereikt kan worden. 

Door het oog worden alle zinnen bereikt; er trekt een sensatie  door de zintuigen en de mens is of geschokt, of geroerd, dan wel verblind. 

De met de ogen waarneembare symboliek is voor de onwetende mens, die zijn zinnen het geestelijke voedsel onthouden heeft. 

Toen de priesters de heilige waarden aan de populariteit blootgaven werden deze prijsgegeven aan het oog. 

Iemand die Zijn uiterlijke oog sluit kan zijn zintuigen sterker ontwikkelen. 

Het uiterlijke oog kwam de mens te hulp toen hij zijn innerlijke gezicht verloor.  

Nu tracht dit uiterlijke oog de geest te zoeken, er zijn meestal  geen andere zinnen meer die de mens kunnen bijstaan bij deze speurtocht en daarom is er de zichtbare symboliek gekomen. 

De wereld en SatanaÎl pasten zich aan en Eva richtte haar aandacht eveneens op het oog van Adam. 

Doch nu wordt dit oog, het laatste gevoelige zintuig van de onwetende mens, eveneens vermoeid, afgestompt, overladen met misleidende vormen. 

De oude zeven werkelijkheden, zoals Henoch deze beschrijft, zijn ondergegaan in de strijd om het bestaan, die verafgode levensstrijd, die de mens tot een duivel is geworden.  

Wij leven in het tijdperk van het oog, het is het laatste tijdperk voordat de mens zichzelf vernietigt en hij opnieuw geschapen moet worden, niet als uiterlijke vorm, maar wel als abstract, geestelijk bouwwerk. 

Want God schiep de mens met inbegrip van een tempel, een ziele-altaar waarin de geest Gods woont en waarin de etherische wind verblijft die de geur der goden naar de hemelen voert. 

De vermoeidheid valt over de mensheid als een verstikkende deken nu dit oog hongert naar de Geest. 

Hij is niet zozeer lichamelijk vermoeit, maar zijn zeven werkelijkheden, zijn zintuigen, zijn afgeleefd, moegestreden, moegejaagd en nog is Satanaël-Saturnus niet tevreden, nog wil Eva haar heerschappij niet opgeven. 

Want waarlijk, Satanaël en Eva rusten niet alvorens Adamas gestorven is, zijn Licht heeft verloren en zijn tempel uitgeruimd. 

Niettegenstaande onwetende optimisten zich krampachtig vast-klemmen aan de hoop, dan is het werkelijk afgelopen met Adamas, een ledig huis wordt hij, een lichaam zonder ziel. 

Slechts de ziellozen nemen dit niet waar, omdat zij nooit geleefd hebben, maar slechts existeren. 

Slechts daar waar hoop en vertrouwen opstijgen uit de tempel der achtbladige lotus, daar stijgt de geur omhoog tot de hemelen en daar is reden tot vreugde. 

"Want hij die uit Mij is, Mijn Schepping en Mijn Werk, die vernietig Ik niet." 

De God van Liefde ruimt het puin rond de tempel, zodat er meer plaats zal zijn voor hen die tempels bouwen, niet uiterlijk, maar innerlijk. 

Zij worden tot tempels en op de achtste dag wordt de achtbladige lotus het symbool in het vaandel van de achtduizend, d.w.z. van hen die uit de heilige acht voortgekomen zijn, uit het: "Zo boven zo beneden." 

Want daar waar Gij zijt, Heer der Hemelen, daar is mijn ziel, het Ik Uwer schepping.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene