136 - Wegens hun onwetendheid heb ik hen ver-vloekt

Deze woorden, gesproken door God in het Boek Henoch, zouden de mensheid tot nadenken moeten brengen met betrekking tot hun horigheid aan de autoritaire machten.  

Horigheid brengt onwetendheid; onwetendheid doet de mens daden begaan die hij niet kan verantwoorden. 

Daarom "wordt hij vergeven". 

"Vader, vergeef het hen want zij weten niet wat zij doen", maar  de vervloeking Gods woont reeds in deze mens.  

De vervloeking die hem in onwetendheid houdt aangaande de  God en zijn eigen goddelijke natuur en hem zo belet zelfkennis te verkrijgen. 

Daarom blijft deze mens horig, zowel aan zijn eigen natuur als  aan de natuur van zijn naasten.  

Ieder mens is op de één of andere manier horig, hetzij aan  dingen, hetzij aan instincten, hetzij aan sentimenten. 

Eva, de moeder der generaties, schenkt de mens geen inzicht, noch oerweten, zij schenkt hem de herhaling. 

Het rad van geboorte en dood zorgt ervoor dat de mens door herhaling leert. 

Herhaling is noodzakelijk om de mens uit de slaap der onwetendheid te wekken. 

Adam zal herhaaldelijk Eva moeten ontmoeten om tot inzicht te kunnen komen van beide naturen: de stoffelijke en de geestelijke. 

Daarom vindt in het menselijke leven alles bij herhaling plaats: hetgeen de mens ontvlucht komt hij even daarna wederom tegen, want er bestaat geen vlucht; het wiel der herhaling drukt de mens doorlopend op zijn levenslessen en dwingt hem tot een "weten" te komen. 

Niemand kan een fase overslaan op de weg tot verlossing van het rad; hetgeen men niet wilde leren herhaalt zich totdat men  door pijn en smarten MOET leren. 

Daarom is het slechts onwetendheid tegenover de wet der verborgen dingen wanneer men meent dat de mens kan vluchten uit zijn nood. 

De keuze tussen Eva, de moeder van het lagere levensvuur, en Hevah, de Moeder van het eeuwige Licht, is nooit te vermijden. 

Noch door zich te sterken in vriendenband, noch door zich veilig te stellen binnen een machtige religieuze organisatie. 

Het rad van geboorte en dood, het rad van Eva, draait verder zolang men Eva horig is. 

In alle religieuze vormen komt de angst voor deze keuze naar voren: zij neemt gestaltenis in de aanbidding van de vrouwelijke heiligen, de Maria's, de godinnen, de vrouw als moeder. 

Onwetendheid brengt de mens eveneens tot die belachelijke uiterlijke wedijver der sexen; Eva is de tegenpool van Adam,  maar Hevah is één met Adamas, zij is uit Adamas. 

Eva verwijderde zich van Adam op het moment van de scheiding tussen goed en kwaad, licht en duisternis, zoals SatanaÎl zich van zijn tweelingbroeder Christus verwijderde toen hij uit de hemel viel. 

De afgrond tussen Eva en Adam, tussen SatanaÎl en Christus wordt gevormd door de wereld, het universum der tijdelijke natuur. 

De wereld is het ontmoetingsveld der beide krachten, die zich willen meten, die elkander omwille van haar bezit bestrijden en waarin zoekende mensen, onwetende zielen worden vernietigd. 

Zo kan ook een overeenkomst tussen man en vrouw, Adam en Eva, een strijdperk worden waarbij slachtoffers vallen: kinderen, vrienden, goedbedoelende medemensen. 

Zodra Eva en Adam zich aan elkander binden door een ge-forceerde belofte, door dwang van buiten, toornen hun krachten tegen elkander op en vormen zo een spanningsveld dat anderen ontledigen, ontladen, dan wel opladen kan. Deze krachtmeting tussen Adam en Eva moet er zijn, opdat Adam zijn natuur en de goddelijke natuur zal leren kennen. 

Door het weten heen komt men tot niet-weten. 

Door de pijnen van de ervaring heen komt men tot erkenning, tot bevestiging van hetgeen men voorheen, als Adamas, reeds wist. 

Adamas was een wetende voordat hij de chaos binnenging, maar hij was geen ervaringsvolle ziel, en geen bezitter van de Materia Mater waaruit God de schepping schiep.  

Slechts daar waar de mens in alle dingen is, zoals God in alles is, daar is hij een volkomene, een Godsgelijke. 

U kunt weten zonder het te beseffen. 

U kunt een sluimerend weten met u meedragen dat door een smartelijke ervaring plotseling ontwaakt. 

Eva is degene die ontwaken doet: zij doet Adam ontwaken in de tijdelijke natuur en maakt hem bewust van de zich herhalende  dans van dood en leven. 

Eva leidt Adam door deze ervaring heen, dan wel zij benevelt  hem en speelt het spel der schijn-harmonie. 

Het gaat er slechts om in hoeverre Adam wetend is, in hoeverre hij nog een Adamas-herinnering bezit, zodat hij weet wanneer hij wordt misleid. 

Intuïtie en geweten spelen hierbij een belangrijke rol. 

Adamas weet intuïtief, hoewel hij ervaringsloos is, wanneer hij wordt bedrogen, maar de Adam die Eva zoekt luistert niet naar zijn intuïtie, hij begeert het tijdverdrijf der genietingen en is wars van elke zelfoverwinning, elke inspanning, elke doorzetting. 

De wetende Adamas behoort pijnen te lijden door de gedragingen van de Adam-in-hem; is dit niet het geval, dan is deze Adamas doof en blind, onwaardig een terugweg tot God te bewandelen.  

Er behoort die pijnlijke tegenstelling te zijn tussen Adamas en Adam, zij kunnen niet in elkander overglijden zolang Eva tussen hen staat. Door de verandering van Eva in Hevah wordt Adam wederom  een Adamas. 

En Adamas kent geen horigheid: hij is autonoom, want hij is en was de eerste, de ene, het individuum, de ongescheidenheid. 

Door de versmelting van Adamas met Hevah herstelt zich dit individuum, deze ongescheidenheid. 

Horigheid wil niet zeggen: in harmonie zijn met de medemens, maar het wil zeggen: knielen voor de wil van derden, voor de dwang van omstandigheden, voor de verleiding van tijdelijke vormen, voor de genietingen van de boom van goed en kwaad, waarin Eva woont. 

Adamas was zelfs zijn God niet horig, anders zou hij nooit tegen het Licht zijn gaan strijden. 

Dat is de betekenis van een koninklijke afstamming: dat men  nooit een slaaf wordt, hoewel men dienstbaar kan zijn. 

Is de mens uit deze 20ste eeuw niet de slaaf geworden van vele vormen? 

Wordt, via de nieuwsmedia, de religieuze middelaars, de lagere driften, zijn wil hem niet ontstolen? 

Hoe belachelijk en tragisch is hij die met zijn mond schone en autonome woorden spreekt, hoewel zijn daden getuigen van een fnuikende horigheid. 

Alle scheppingen van Eva, alle tijdelijke vormen, tijdelijke machten, dragen de magie in zich van de moeder des doods: zij ontkrachten Adamas-Adam. 

Zij zijn ingesteld op ontkrachting omdat zij willen heersen. 

U kunt dit verifiëren aan alle media, middelaars, regerende machten op elk gebied. 

Men is ingesteld op de ontkrachting van de medemens, van de massa, van het individu. 

Adam nam de appel van de boom der Kennis aan, omdat hij door de aanwezigheid van Eva werd ontkracht; zij ontnam hen zijn goddelijke Verbeelding, die hem boven de machteloosheid der natuur zou kunnen uit trekken. 

De vrouw werkt door middel van haar fluïdum, dat is haar in-geschapen. 

Adam tracht daar tegenover een tegenkracht te ontplooien door de rede, zijn intellectuele verzet, maar hij slaagt nooit omdat kracht  en tegenkracht in de wet van goed en kwaad, van het spel der tegengestelden besloten ligt: Adam maakt zichzelf ondergeschikt zolang hij Hevah nog niet bezit. 

Dat is zijn enige ontsnapping: zijn hoge, geïnspireerde en intuïtieve Verbeelding. 

Het lagere vuur overheerst de mens, de manas, zolang het hogere Licht niet in hem is. 

Zodra deze goddelijke Hevah in hem woont, houdt elke strijd tegen de lagere driften, waar zovele religies zich op baseren, volkomen op. 

In Adamas-Hevah woont geen strijd, geen zoeken naar Hevah, geen bevechten van Eva in al haar aanzichten; in hem keert wederom die stilte der eenheid terug, die harmonie met het oneindige, waarin God aanwezig is. 

Zulk een binding met God verliest men niet, zij IS er of zij is er niet, maar zij is nooit tijdelijk. 

Men kan niet nu eens Adam en dan weer Adamas zijn, hoogstens wordt men door Adamas geïnspireerd tot gedachten en daden. 

Het is daarom doorzichtig kinderlijk om prat te gaan op zijn eventuele mooie gedachten, op zijn verheven daden. 

Zodra men hierover spreekt heeft Adamas zich weer terug-getrokken in die nevelachtige onbewustheid waaruit de spirituele mens soms put. 

Op de zesde Tarotkaart, de beslissing, staan geen twee kandidaten die kiezen moeten, maar één: Adam, manas, de denkende mens. 

Het is onjuist om te menen: Ik ben twee in één en daarom denk ik zo dikwijls op tweeërlei manieren. 

De twee in één die wij zijn drukken zich uit in één van beide vormen: òf Adam-Eva òf Adamas-Hevah. 

Een van beide aanzichten is altijd overheersend. 

Wanneer u meent dat u ziel en mens bent, twee tegengestelden, vergist u zich dan niet: God schiep de mens als een volkomen zevenheid waarin de ziel, uit de geest Gods en de wind, is inbegrepen. 

Het is normaal dat u ziel en tegelijkertijd mens bent. 

Uw ziel zal niet protesteren tegen uw mens zijn. 

Mens-zijn wil echter niet zeggen gelijk worden aan de dieren. 

Uw mens-zijn zal een getuigenis moeten zijn van uw ingeschapen goddelijke ziel. 

Zelfs de dieren kennen niet dat ontwrichte spel zoals Adam en  Eva het spelen. 

De mens is onder het niveau der natuur uitgezakt en daarom gevoelt hij zich ongelukkig en ziek en psychisch gestoord, en bewandelt hij zulke vreemde wegen om tot die verloren eenheid terug te keren. 

De ziekten die de moderne mens teisteren zijn zielsziekten, d.w.z. verwondingen van de ziel, de ziel die door de vervloekte Adam niet wordt erkend, maar wordt genegeerd. 

De misleiding van Eva leidt tot een verzieking van de ziel, een stoornis van de ziel, omdat zij wordt overvleugeld door de Adam-Eva instincten. 

Uw ziel brengt u de verlossing, de oplossing, de gezondheid en de overtuiging.  

Maar dan moet de mens deze ziel wel terugvoeren op de plaats die haar toekomt: in het gulden midden van het schepsel, daar waar God spreekt door de trillingen van zijn etherische winden. 

De mens zou verlost zijn van al zijn problemen, zijn strijd, zijn ziekten, indien hij de knoop zou doorhakken en zijn keuze zou doen. 

Het land voorafgaande aan de keuze is vol van twijfels, ver-leidende aanbiedingen, genotzuchtige uitvluchten, frustraties, schuldgevoel, complexen. 

Het land na de keuze begint met de overwinningswagen van Osiris, de 7de Tarotkaart, de zonnegod, de Lichtzoon. 

Het is onbegrijpelijk dat de wetende mens, die geslagen werd door zovele ervaringen, doorgaat met zijn experimenten en zijn leven van schijnheiligheid voort zet, overgegeven aan ziekten, strubbelingen en pijnen, heen en weder slingerende tussen teleurstellingen en vreugden. 

Dit zou niet mogelijk zijn als hij niet totaal was vergiftigd door de appel, door de bemiddeling van Eva. Dit gif werkt als een verdoving en willoos wordt hij voortgesleept aan zijn ketenen. 

De machthebbers van deze wereld, de wilssterken die bewust voor Eva hebben gekozen, injecteren hem voortdurend via publiciteitsmedia, via de religies, via de sociale bewustwordingen en via de strijd om het bestaan en hun gif is uiterst doeltreffend:  de zoekende Adamas sterft en weldra wordt ook uit zijn as een Adam geboren, een welbewuste aanbidder van Eva, die zijn onwetendheid omtrent Hevah voortdurend belijdt. 

Dan sluiten zich de poorten tot het Hemelrijk boven zijn hoofd en blijft er slechts de wereld over, de maatschappij, de twisten omtrent goed en kwaad, de inspanningen om het recht te doen zegevieren en hij bemerkt niet dat hij krachteloos geworden is,  een Adamas die gestorven is in de modder van zijn dagelijkse, gezapige en lichtloze bestaan. 

Dan is het onbewuste, intuïtieve weten dat hij bezat bedekt door een dikke laag van onwetendheid en de vloek valt wederom over hem:  "Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren!" 

"Uit de aarde heb Ik u genomen en tot de aarde zult gij wederkeren totdat Ik voor de tweedemaal zal komen." 

Zo staat het in het Boek Henoch. 

Indien er dan iets van Adamas in u leeft, indien er dan ÈÈn zintuig uit Adamas levende is: Bewaar uw goddelijkheid, bewaar uw  ziel, die uit God en de wind is en sterk haar, opdat zij eens strale als de geboortester boven Bethlehems' stal.  

Dan is er wederom die diepe Vrede van Bethlehem in u, Bethlehem, het huis des Broods. 

Zie, alle dingen zijn wederom nieuw geworden! 

Hevah, de Moeder der Levenden toont mij dit vergezicht.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene