132 - Adams' rib

"En God nam Adam een rib uit zijn lichaam, terwijl hij sliep, en hij maakte daarvan een vrouw, opdat door de vrouw de dood tot hem zou komen."

Het Slavische Henochboek

Eva, de moeders des doods, die niettemin de moeder der generaties genoemd kan worden, is een moeder van het tijdelijke leven waarin de dood zijn scepter zwaait. 

Adam moest dit tijdelijke leven en de dood leren kennen, opdat hij zou weten wat een val in de chaos voor hem betekende. 

Eva moest de appel van goed en kwaad aan Adam voorhouden opdat zij door middel van een involutie tot evolutie zouden komen. 

"En Ik, God, nam de laatste letter van zijn naam: Adam, dat is de M, zodat zij genoemd kon worden, "moeder", de moeder van aarde en leven." 

Eva is de moeder van het leven op aarde en zij wordt geschapen uit Materia, de Materia van Mankara, het water. 

Op het moment van de schepping van Eva werden Eva - water - en Adam - vuur - van elkander gescheiden en hoewel water en vuur elkanders tegenpolen zijn worden zij onweerstaanbaar tot elkander aangetrokken, omdat water en vuur één moeten worden, tot de eenheid moeten terugkeren om de koninklijke mens Adamas-Hevah, de water-vuur mens te herstellen.  

De legendarische maagden die de geschiedenis kent komen allen voort uit de letter "M": de diepten der wateren, Miriam, Maria, Metis. 

Daar Eva een deel van Adam is heeft zij de mogelijkheid in zich om de Moeder der Levenden te worden, de reine, bezielde watersubstantie die Adamas, de vuurkracht, tot hernieuwde bezieling moet brengen. 

Blijft zij echter slechts de moeder des doods, dan is zij gelijk aan de modderige waterpoel waarin de slang huist, die de parel der wijsheid bewaakt. 

Zonder Hevah wordt Adam niet wedergeboren, zonder

Hevah zal Adamas zijn hoge verbeelding, de diepte der reine wateren missen en nooit volkomen worden. 

Er is dus geen andere oplossing dan dat Eva en Adam zichzelf herscheppen in Hevah-Adamas. 

Tot op de dag van vandaag roert Adam met zijn pelgrimsstaf in de ondoorzichtige waterpoel van Eva en er komt modder en gif boven, terwijl de slang zich briesend verheft om de parel te verdedigen. 

Niets is minder begrepen in deze wereld van wetenschappelijke onderzoekingen dan de man-vrouw verhouding, die doorgaat voor een liefdeverbintenis tussen twee geslachten. 

Adam ontving Eva opdat hij de dood zou kennen en de aarde leven, de generaties zou ontvangen. 

Eva had geen ander doel.  

De Adam-Eva verbintenis behoort bij de aarde en haar vermenigvuldigingen, de Adamas-Hevah verbintenis is de archaïsche eenheid, waarin de wijsheid der oernatuur haar diepten weder-vindt. 

Nu kan de mens door allerlei theorieën de Adam-Eva verhouding vergeestelijken, maar hun gescheidenheid der geslachten bewijst reeds dat in hen de val woont. 

Om deze val te niet te doen zullen zij beiden individueel tot een eenheid moeten komen.  

Adamas moet Hevah tot zich nemen en Hevah moet Adamas in zich opnemen, niet uiterlijk, maar als een innerlijke weder-geboorte. Alle uiterlijkheid behoort bij de uiterlijke, materiële wereld, slechts de innerlijke waarden kennen de 

geest.  

Daar waar Adam naar Eva zoekt en omgekeerd, daar drijft in hen de drang tot voortbrengen of tot zelfbevrediging. 

Slechts wanneer de wetenschap des geestes in hen woont kunnen zij tot een herschepping komen buiten de uiterlijke vereniging om. 

Doordat de spirituele realisatie de sexuele verbintenis uitsluit,  daar deze tot de aarde behoort, is het waanzin om de sexuele drift te verheerlijken in de spiritualiteit, zoals vrijwel alle occulte leringen en ook sommige yoga-leringen doen. 

Men moet een onderscheid maken tussen het stoffelijke en het geestelijke. 

Men bereikt het geestelijke met behulp van de stof, mits deze terugkeert tot haar eigen oermateria en niet tracht geest te worden. 

Indien de sexualiteit zichzelf een plaats wil bereiden in de geestelijke regionen wordt zij tegennatuurlijk, behoort zij noch tot de stof noch tot de geest en verandert in exaltatie, frustratie, vernietigende magie en zelfs misdadigheid. 

Zodra het sexuele vuur zichzelf opzweept tot een imitatie geestelijk vuur, komt er die loeiende vernietigingsdrift van de absoluut zwarte magie, waarin zielen sterven. 

Uit deze sexueel spirituele drift werden alle moorden op de "ketters en heksen" begaan. 

Niets is gevaarlijker, misdadiger en vernietigender dan de sexuele magie, die in onze tijden zulk een hoogtij viert en waaraan velen ten onder gaan. 

Hieruit kan wederom dat religieuze fanatisme uit vroeger eeuwen geboren worden, waardoor ontelbaren een wrede dood zullen sterven. 

"Ik vervloekte Eva niet om zichzelf", zegt God in het Boek Henoch, "maar ik strafte de onwetendheid." 

Adam werd zijn onwetendheid ontnomen door hem een vrouw te geven, zodat hij zou weten aan welk levensritme de aarde onderworpen was. 

Onwetendheid is de oorzaak van alle zonde, van alle lichtloosheid. 

De mens moet weten wil hij zich bewust worden van het goede en het kwade, van het eeuwige en het tijdelijke. 

Door het "weten" komt hij tot dat allerhoogste "niet-weten", waarbij hij ziet hoe de tijdelijke normen wegvallen in de apotheose van de eeuwigheid. 

Doordat Adam niet voldoende weten bezit omtrent de schepping en de taak van Eva, en hij het bestaan van Hevah slechts intuïtief vermoedt, geeft hij blindelings gehoor aan zijn dierlijke instincten en vergeet zijn opdracht van Gods' wege. 

De zesde Tarotkaart - de Beslissing - confronteert Adamas met Hevah om te zien of hij het onderscheid tussen Eva en Hevah nog onderkent. 

Zijn Hevah en Adamas te ver uit elkander gegroeid tijdens de existentie der generaties, dan kunnen zij elkander niet meer ontmoeten en zullen zij de Geest nooit zien en blijven zij dolenden op aarde. 

Tenslotte nemen zij genoegen met leringen, filosofieën en dogma's en verheffen de sexuele drift tot een geestelijk vuur, omdat zij onmachtig geworden zijn door hun onwetendheid. 

De weg tot het grote Weten is geblokkeerd, omdat Eva Adam  naar de dood leidde en niet naar de wijdse verten des Levens. 

Niemand die de materie aanbidt zal de Maagd Hevah ooit zien, want deze Maagd des Levens blijft onbezoedeld, zelfs voor profane blikken. 

Het is onmogelijk om door methoden en forcering deze Maagd - dit heilige der heiligen - te onthullen, want hij die onwetend en onvoorbereid een blik slaat op de heiligheid, hij wordt door de bliksem ter aarde geworpen. 

Wanneer de mens zijn sexuele vuur misbruikt, zoals b.v. in de zwarte magie, zal de bliksem der goden hem tot een levenloze materie maken, ongeschikt om de Moeder des Levens tot de zijne te maken.  

Magie was oorspronkelijk de goddelijke kracht die door een mens kan heenstromen, en waarmede hij "wonderen" kan verrichten. 

De goddelijke Kracht daalt in, de mens is de omzetter en zo declareert zij zich al naar de aard van de mens. 

Hetzij goddelijk-menselijk, helend, bevrijdend, zegenend, hetzij vernietigend, pervers, waanzin brengend, verslavend.  

Magie is de drug der occultisten, zij spelen met een kracht die zij niet kennen en hun eigen onwetendheid wordt hen tot een vloek. 

Alle zwartmagiërs werden en worden een vloek voor zichzelf en voor anderen. 

"Onwetendheid vervloek Ik", zegt God in het Boek Henoch. 

De onwetende moet zich niet inbeelden, zoals de Eva-des-doods hem voorhoudt, dat hij een wetende is. 

Zijn misleiding en zijn hoogmoed verlagen hem tot een intelligent dier, dat de bekroning van het allerhoogste schepsel Gods verloren heeft, zijn goddelijke oorsprong. 

Magie is de fluïdumkracht der persoonlijkheid, die zowel door God als door het ego geactiveerd kan worden. 

Een magiër kan zijn fluïdum uitdrukken in de stem, in de ogen, in de handen en in samenhang met zijn wezen, maar de magiër die zich van de oorspronkelijk goddelijke magie bedient maakt hier-door geen enkel schepsel tot zijn slaaf.  

De magiër dwingt niet, noch dreigt, noch verbreekt, hij IS. 

De oude Adam dwingt doordat hij Eva bekent en daardoor de zondeval, de misleiding en de verleiding doorlopend doorzet. 

Hij is voortdurend bazig zijn naasten te misleiden, hen de appel van de boom van goed en kwaad voor te houden, opdat zij de dood zullen kennen. 

Maar hij vergeet dat na deze handeling geen opstanding, noch eeuwigheid mogelijk is, want hij houdt de cirkelgang van leven  en dood in beweging en ontsnapt daaraan niet, noch laat hij zijn naasten daaraan ontsnappen. 

De magiër Adamas-Hevah brengt een verlossingsmogelijkheid uit de cirkel van leven en dood, de sfeer van Eva, de moeder der tijdelijkheid. 

de moeder van de dood. 

Hij, die in zichzelf geen eenheid schept kan en mag geen magie voortbrengen, want hij is onwetend en hierdoor de slaaf van Eva. 

Zijn innerlijke onvolkomenheid brengt verderf, zowel voor hem-zelf als voor anderen. 

Hij die Eva bemint kent noch zoekt Hevah, hij waadt door het moeras des doods en zal daardoor bewogen worden in zijn positie als slaaf van Eva, maar hij zal nooit zelf actief worden als een individuum, dat zich innerlijk ontvouwt. 

Niemand is achter onmachtig en niemand blijft onwetend, die zoekt en weten wil.  

"Ik gaf hem, Adamas, zijn wil", zegt God. 

"Zoekt en gij zult vinden", zei de Christus. 

Doch de Adam-Eva-mens zoekt niet, hij reageert slechts op de trillingen van zijn instinctieve drang, die hem altijd naar de zieledood voeren. 

Geen schepsel, wetende dat het uit God is, zoekt de dood, want in hem is die ziel, bestaande uit "de geest Gods en de wind". 

De wind, die reine etherkracht die de kosmos doordringt en die  de mens inspireert tot het goddelijke Leven, die hem voortjaagt  tot Hevah en hem doet voorbijgaan aan Eva. 

Door de eigenzinnigheid van de wil ging Adamas eens de wereld van ruimte en tijd binnen, zag hij de dood in het gelaat en verscholen Adam en Eva zich achter die belachelijke rokken van vellen, die dierlijke geaardheid. 

Door deze wil, opnieuw gedragen door de Wil van de Schepper, zullen zij zich uit deze cirkel der tijdelijkheid moeten bevrijden en hij die niet wil blijft gevangen, hoezeer zijn mond ook van vrijheid moge spreken.  

De dingen die hij liefheeft, die hij begeert, zij vormen zijn boeien. 

Zolang Adam geketend is aan Eva en zijn ketenen kust terwijl hij vrijheidsliederen zingt, keert God zich glimlachend af, omdat  deze mens zichzelf niet kent en de onwetendheid als een schild voor zich uitdraagt. 

Onwetendheid is een vloek, intelligentie is een last, kennis is een marteling en wijsheid brengt eenzaamheid. 

Om de vervloeking te beëindigen zal Hevah Adamas tot zich nemen zodra deze vrijwillig tot haar komt. Eva zal Adam een weten brengen door middel van de vrucht van goed en kwaad en Hevah zal wijsheid schenken door middel van de vrucht van de Levensboom. 

Adam-Eva zal van die Levensboom niet plukken, want hij is nog onwetend met betrekking tot HET Leven, Hevah; Adamas-Hevah verenigt zich met de Boom des Levens, die in het midden van het Paradijs staat en waar de Heer rust "als Hij ingaat en als Hij uitgaat". 

Adamas-Hevah is wederom Gode gelijk en ook kent hij nu het goede en het kwade, die hij niet kende voor zijn beet in de appel.  

Hiertoe ontving hij Eva, de moeder, de draagster der tijdelijkheid, en alles wat uit haar voortkomt is gedoemd te sterven. 

Hij, die Hevah bezit sterft niet, hoewel de uiterlijke dood hem zal aandoen. 

Hij is onsterfelijk in zichzelve, omdat hij deel heeft aan het Leven door de Logos: Mimra; 

door de goddelijke wijsheid: Metir; 

door Mithras, de Lichtzoon; 

door de Messias, die in hem gewassen is; 

en door de Moeder der Levenden: Hevah, die hij heeft bekend en waardoor hij wederom volkomen werd. 

Dit is de goddelijke Liefde: dat gij uw naaste, uw Hevah, liefhebt gelijk uzelf, opdat gij leve! 

De beslissing, de keuze tussen Eva en Hevah, is een zaak van Dood en Leven, maar slechts de wetende discipel onderkent dit  en hij kiest de weg ten Leven, zo hij uit God geboren is. 

Die het wete realisere het! 

Want zonder daden is het leven in werkelijkheid dood!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene