124 - De symbolische dieren

Wanneer de symbolische dieren in ons hun taak gevonden  zouden hebben, zouden alle leringen ter wereld geen enkel  geheim meer voor ons bevatten. 

Dan waren wij zelf DE leer geworden. 

Maar zolang deze dieren elkander bevechten blijven wij naar een uiterlijke leer zoeken, omdat wij innerlijk disharmonisch zijn en niet in staat zijn de symbolische dieren tot elkander te brengen. 

De raaf blijft brutaal en diefachtig, de leeuw blijft het roofdier der jungle dat lafhartig aanvalt, de pelikaan is geneigd zich emotioneel en impulsief te laten slachtofferen en de phoenix laat zichzelf verbranden om niets. 

Al deze dieren komen overeen met de instincten in onszelf: het saturnale ego let niet op het belang van anderen, maar werkt zich co˚te que co˚te vooruit in de wereld, anderen bestelende, spiritueel zowel als materieel. 

Dit instinct ligt in de natuur ingeschapen, het is altijd: vreten of gevreten worden. 

De lage saturnus-aard is het toppunt van egocentriciteit. 

Het is een instinct waardoor de wereld in stand gehouden wordt, maar waardoor de terugweg der ziel toegesloten blijft. 

Saturnus en de raaf vertegenwoordigen die zelfhandhavingsdrang waartegen geen enkele edele daad is opgewassen. 

Alle symbolische dieren - zo zij beroofd worden van hun spirituele symboliek - zijn ingesteld op zelfhandhaving. 

De natuur MOET in leven blijven en daarom is deze zelf-handhaving een vorm van lijfsbehoud. 

Lijfsbehoud baseert zich op angst; ieder dier is angstig, uit angst wordt het moedig; de leeuw is in werkelijkheid bang, daarom valt hij altijd van achteren aan. 

De Marsmens is ook in diepste wezen beangst, hoewel hij  moedig lijkt: de zelfhandhaving en de vrees voor het verlies van het eigen Ik schenkt hem die moed, zoals de leeuw louter vecht  uit zelfverdediging. 

De Venus-mens, gedragen door de impulsen van het hart, geeft zich gaarne weg en bemerkt niet dat hij zijn eigen persoonlijkheid daardoor verliest; hij wordt degene die anderen van hem maken. 

Hij wordt als een moederlijke, offergezinde pelikaan, die zonder overleg te werk gaat en vergeet dat hij allereerst rein, sterk en geadeld hartebloed moet bezitten voordat hij dit aan andere mag wegschenken. 

De pelikaan, symbool van Venus en het hart, wordt altijd gezien als de grootmoedig zichzelf offerende mens, die zich weggeeft  aan anderen. 

Maar alles heeft zijn goede en zijn slechte zijde. 

In de hermetische symboliek duidt men met deze dieren altijd de spirituele betekenis aan, maar wat maakt de mens ervan? 

In het edele hart leeft de neiging om zich dienstbaar te maken aan anderen. 

De tekening van de symbolische pelikaan laat echter zien hoe deze zeven jongen voedt uit zijn hartebloed. 

Deze zeven jongen zijn de zeven Werkelijkheden, de zeven Gemeenten, de zeven chakra, en hoe u hen ook noemen wilt: althans de zeven ingeschapen Werkelijkheden, waarover in het Boek Henoch gesproken wordt. 

Deze zeven werkelijkheden zijn het bezit van de pelikaan: het zich offerende en edele ego. 

Deze gaven liggen in hem besloten en zo hij hen niet uit zijn hartebloed laat drinken worden het hongerige, begerige, hem vernietigende jongen. 

Deze pelikaan moet voedzaam hartebloed bezitten, bloed waarin ziele-bestanddelen vrijkomen, want de pelikaan-jongen accepteren slechts dit. 

Er zijn in de wereld massa's mensen die zich offeren terwille van een ideaal, een goed doel, hun medemensen. Zij worden allen gedreven door het hart: soms door een emotioneel, onbevredigd hart, dan weer door een fanatiek, zelfzuchtig hart of door de honger naar liefde, die men op deze wijze tracht te voldoen. 

Het spirituele hart geïnspireerd door de lotus der ziel zoekt echter een andere offerande. 

Het wil de medemens voorgaan op een zielepad, zonder verder enige interesse te tonen voor de uiterlijke omstandigheden. 

Daartoe moet deze pelikaan-mens echter zelf een zielepad gevonden hebben, want zijn eigen weten en wijsheid, moet zich  in het hartebloed bevinden om de medemens waarlijk van dienst  te kunnen zijn. 

Allereerst moet hij zijn eigen "jongen" van voedsel voorzien voordat hij anderen daarmede kan helpen. 

In de spirituele mens leeft echter de adeldom van de vijf symbolische dieren: hij is bereid te veranderen van zwarte raaf in witte raaf; hij wil, hoewel het tegen de roofdierenaard van de leeuw indruist, zijn vleugelen aangorden; hij wil allereerst zijn eigen jongen voeden zoals de pelikaan, voordat hij de prooi is geworden van zijn offerinstincten en tenslotte is hij bereid als een phoenix te sterven, in zijn nest van specerijen, als hij in staat is geweest zulk een nest te bouwen. 

Een nest van specerijen bouwen is hetzelfde als zijn mineralen, zijn metalen of zijn eigen gaven tot een waardige woning te hebben opgebouwd, waarin het oude ego sterven kan. 

De geur die in de ziel ligt zal dan deze wonderbaarlijke reuk der specerijen waarnemen; dit nest wordt gelijk aan de gewijde olie, die vermengd wordt met specerijen. 

Dit specerijennest der phoenix is het symbool van u en mij: een innerlijke, geurende woning, waarin het proces van de ver-assing plaatsvindt. 

De phoenix is het symbool van Mercurius; Mercurius regeert de zenuwen en de zenuwen zijn gevormd uit de kruiden der aarde,  zo staat het in het Henoch-boek. 

Bemerk de overeenkomst.  

De leringen der wereld ontmoeten elkander. 

Alle symboliek - opgetekend door priesters en wijzen - vindt zijn oorsprong in het geheim der Lichtzonen, die terug moeten keren. 

En het grootste geheim ligt in onszelf. 

Wij zouden geen symboliek nodig hebben om de geheimen te kunnen ontraadselen, wanneer wij onszelf zouden kennen. 

Wij zijn niet meer degene die wij waren: de leeuw vecht tegen de pelikaan en de raaf vecht tegen de duif en de phoenix zoekt tevergeefs een nest om te sterven. 

En de wijzen en de priesters moesten het eerste geheim in de symboliek verbergen, omdat de mensheid doof en blind was geworden en hun Zeven Werkelijkheden onbekwaam geworden waren. 

Tot op de dag van vandaag trachten wij met onze stoffelijke zintuigen wederom achter het eerste geheimenis te komen en er ontstaat verwarring, omdat het ene ego niet gelijk is aan het  andere ego. 

Omdat het ene ego meer bereid is mede te werken aan een zielewording dan het andere ego, waardoor de Zeven Werkelijk-heden gevoeliger zijn dan bij het meer halsstarrige IK. 

Onze woorden, onze gedachten en onze daden bewegen zich  langs de wegen der stoffelijke zintuigen en daarom is de uitkomst altijd teleurstellend. 

Er zijn soms afgronden van onbegrip tussen het ene ego en het andere ego. 

En deze zijn niet te overbruggen, omdat dat alles overbruggende, alles harmoniserende vijfdo element der ziel ontbreekt. 

Twee ik-ken ontmoeten elkander nooit helemaal, hoogstens in  een enkel opzicht, slechts daar waar hun ego - gelijk de pelikaan - zijn zeven jongen voedt uit een bezield hartebloed, daar vallen alle barricaden weg. 

Het is een waarlijk koninklijke dienst om uit het eigen hartebloed de jongen te voeden; men geeft zijn leven voor Nieuw Leven. 

Maar wie is bereid zijn leven te geven voor de geest, voor een herboren worden in de geest? 

Wat heb ik daaraan, zo zegt het ego!

Wat koop ik ervoor, zegt de ongelovige mens. 

In hem is geen geloof in een hernieuwing, of een her-schepping. 

Waarom zou ik mij offeren voor de ziel, zeggen anderen, waarom juist ik? 

Is dit geen getuigenis van innerlijke onvolwassenheid en onwetendheid? 

Een ontkenning van een universele Religio? 

Voor het ego lijkt deze hermetische wijsheid onredelijk, want het ego doet niets voor niets. 

De natuur is gewend doelmatig te handelen en de resultaten vrijwel direct te realiseren. 

Het ego dat zich met deze mentaliteit tot de spiritualiteit wendt, komt bedrogen uit. 

Hoevelen hebben zich daarom reeds van deze spiritualiteit afgekeerd?  

Teleurgesteld, beledigd, verbitterd? 

Zodra het ego - de zwarte raaf - in het spirituele proces wordt ingeschakeld is het daartoe geadeld, dan is hij de Saturnus die de kandidaat reeds op de eerste dag herkend en aan zijn proces medewerkt. 

Ik-versterving, ik-verbreking, het endura zijn processen waartoe een geadeld ego geroepen wordt, een koninklijk ego, dus: een koninklijk mens. 

Daarom zijn deze koninklijken uiteindelijk met weinigen en vindt men hen her en der verspreid over geheel de aarde, maar nooit en masse in groeperingen. 

Zij worden uitverkoren en gekozen op de plaats waar zij op dat moment zijn: onverschillig waar, en onder welke naam zij leven. 

De phoenix bouwt het unieke specerijen-nest waarvoor hij de edele specerijen in zulk een mens moet aantreffen. 

Maar in allen leven dezelfde intuïtieve en gewetensvolle beroeringen; zij zoeken anderen te helpen, een taak in mensendienst; zij willen zich boven de eigen persoonlijkheid uitheffen op de vleugelen van intuïtie en Geweten; zij verjagen de zwarte raaf van het voedsel van de duif; zij zijn eerlijk, rechtschapen, 

geduldig en zielvol, zoals de blanke zwaan voortdrijvende op hun gedachtemeer der heerlijkheid; en zij zijn bereid - en tonen dit -  al hun gaven en bekwaamheden op te geven voor het specerijen-nest in het eigen wezen, en daarin te sterven. 

Deze mens dient nooit het oude dat sterven moet, maar altijd het nieuwe dat komende is; zoals de pelikaan en zoals de phoenix. 

In alle dieren leeft hetzelfde: zij leven terwille van hetgeen komen gaat. 

Daarom zou deze Aquarius-tijd een ideale tijd kunnen zijn voor deze mensen, want er wordt iets nieuws geboren. 

Zij behoren niet tot de conservatieve massa, die behouden wil hetgeen zij bezit, want in hen leeft die drang tot innerlijke verandering, die zich dikwijls ook naar buiten uitdrukt. 

Zij zijn niet te begrenzen door dogma's, omdat zij onderhevig zijn aan innerlijke groei: 

de zwarte raaf verliest zijn kleur 

de leeuw gevoelt zijn vleugels; 

de pelikaan ziet hoe zijn jongen groeien; 

de phoenix bouwt zijn specerijennest om te sterven 

en de zwaan gevoelt de stralen van het Aurora op zijn veren. 

En al deze innerlijke beroeringen veranderen de mens. 

Als het ego minder wordt, minder geprononceerd, en intuïtie en Geweten meer vat op ons krijgen en wij bemerken hoe wij innerlijk versterkt worden in onze Zeven Werkelijkheden en wij geen enkele vrees meer koesteren om onszelf te vergeten terwille van de geest en als tenslotte de blanke zwaan zich koninklijk voortbeweegt op de harmonie onzer ziel, dan zijn wij immers een veranderend mens? 

Wanneer wij bemerken dat wij minder aan onze instinctieve, karakteristieke neigingen toegeven en meer en meer tijd vinden voor de spirituele dingen, dan zijn wij aan het veranderen. En dit zullen wij bemerken in onze zintuigen, in onze zinnen. 

De zeven zintuigen gaan zich naar andere dingen wenden, vol-komen natuurlijk en vanzelfsprekend. 

Daarvoor behoeven wij geen komedie te spelen, geen glansrol in spiritualiteit weg te geven. 

Het verloopt alles heel natuurlijk, langs de geijkte wegen. 

Het tot zijn natuurlijke Ik teruggekeerde persoonlijkheidswezen heeft niet zo'n behoefte meer om zichzelf te handhaven, want het weet nu waartoe het dient.  

Het accepteert het. 

Dan is de zwarte raaf zuiver zwart, edel, in staat om zijn taak te aanvaarden. 

En die leeuw brult niet meer om zichzelf moed in te spreken en zijn omgeving te intimideren; hij aanvaardt het onmogelijke: de vleugels. 

De pelikaan - het hart - bedwingt zijn emoties en bewaart zijn zo onontbeerlijke bloed voor het schoonste proces des levens: het voedt de ziele-activiteit. 

De phoenix legt zich wetend ter ruste in zijn nest, heel het wezen weet nu: de omwending KAN geschieden. 

Dan komt de zwaan uit haar schuilhoek te voorschijn en drijft het Aurora tegemoet op deze reine, wijdse en door de geestzon verlichte wateren. 

Als u meent: dit is een idealistisch beeld, vergis u niet. 

In de bezielde, door de Vleugels van intuïtie en Geweten gedragen mens is dit ideaal komende werkelijkheid!

Want hetgeen geweest is zal wederkeren, ook voor de waarachtige oprecht thuiskerende Lichtzoon.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene