123 - De symboliek van de gevleugelde leeuw

Wanneer de mens de moed der herkenning bezit heeft hij zijn persoonlijkheids-leeuw omgezet in de gevleugelde leeuw. 

In de symboliek is de gevleugelde leeuw het zinnebeeld van de hogere Mars, de Michael die de draak verslaat. 

Van de martiale lagere driften is niets meer aanwezig, geen impulsiviteit, geen overmoed en geen onvoltooide dadendrang meer. 

De leeuw heeft zich boven zijn oude natuur verheven en durft vanaf zijn spirituele hoogte op de strijd, de chaos en de bitterheden neer te zien. 

Mars noemt men de god van de strijd en de oorlog, maar hij is ook de onoverwinnelijke, de spirituele strijder, die zich gedragen weet door zijn zes medestanders in de spiritualiteit: de zes bovenzinnelijke zintuigen. 

In een waarachtig spiritueel mens wordt de martiale moed tot een spiritueel leiderschap, die gebaseerd is op de her-ontwaakte Kennis. 

Na de strijd, komt de stilte en de verinniging met de geest. 

Wanneer de draak verslagen is treedt de rustperiode in, die ge-kenmerkt wordt door de zwaan, het zinnebeeld van de gereinigde ziel die zich spiegelt in de ethersche wateren des geestes. 

De strijd is nodig om de ziel een doorgang te bereiden en de meren des geestes helder te maken. 

De gevleugelde leeuw is het symbool van een ziele-denken, dat  de ziel de strijd binnenleidt en via haar kleine kracht de grootste gevaren moeiteloos laat overwinnen.  Er is geen spiritueel mens die strijdt met een zwaard in de hand, zijn wapenen zijn de innerlijke gaven die hij als een bescherming en een wapen voor zich uit houdt. 

Bezield door een spiritueel doel trotseert de mens van de gevleugelde leeuw alle materiële belemmeringen en laat zich nooit weerhouden door spot en haat. 

Hij laat zich geen wetten voorschrijven door de wereld, maar houdt zich strikt aan zijn eigen wetten die ingeboren principes bevatten. 

Zulk een mens is niet te onderwijzen door derden, hoewel hij bereid is doorlopend te leren. 

De zwaan is door de eeuwen heen een symbool geweest van  edele reinheid, van koninklijke individualiteit en daarom gebruikt men hem als kenteken van Jupiter, de Heer der nieuwe opgang.  Na een Saturnusjaar komt een Jupiterjaar, waarin de zwaan zijn regels schrijft en de mens een periode van rust binnenvoert. 

Zodra de zwaan zich spiegelt in het geestelijke meer heeft de  mens een innerlijke strijd achter zich gelaten en wacht hij op een Aurora, dat zich in deze wateren zal weerspiegelen. 

Saturnus, de Heer van de rotsachtige onverzettelijkheid en de halsstarrigheid regeert het gebeente, zo zegt Henoch. 

In het gebeente ligt het geduld. 

Door geduld wordt de Weg tot de Nieuwe Opgang geopend. 

Een saturnale bezetenheid kent het dubieuze geduld van de halsstarrigheid, de wil die zich nooit laat breken, maar die vastgeklonken is in de rots van een waandenkbeeld. 

In ieder mens krijsen en brullen de dieren der hermetische symboliek en geen enkele zwaan zal zich in zulk een mensenkind een nest toebereiden. 

Maar deze zwaan van Jupiter wacht totdat de andere dieren het inzicht hebben gekregen om neer te knielen voor de schoonheid van de koninklijke zwaan der ziel. 

In ons is een voortdurend gevecht aan de gang tussen de diersoorten, want zij bezitten allen hun lagere natuur die zich niet verloochenen laat. En de spirituele mens lijdt onder zulk een gevecht, omdat hij de kennis mist om zich op te heffen uit die arena die hij "leven" of "wereld" noemt.  Zolang wij ons levensdoel in deze wereldjungle zien bevinden wij ons in de innerlijke strijd, en zijn wij het slachtoffer van beurtelings al de dieren. 

Wij lijden mee met hun pijn en gevoelen ons getrapt in ons humanisme, gewond in onze hoogmoed, te kort gedaan in onze hebzucht, besmeurd in onze koninklijke reinheid en belemmerd in onze hunkering naar de hemelen. 

Door al deze tegenstanden geïrriteerd vechten de dieren in ons en wij janken, dan wel brullen onze onmacht uit. 

Een spiritueel mens is een en al verlangen, zo hij dit niet zou bezitten, dan ontbreekt hem de spiritualiteit. 

De zwaan van de reine ziel hunkert naar de geestelijke wateren, want hij verkommert op het droge land. 

Daarom brandt in een Saturnusjaar de strijd los tussen halsstarrigheid en geduld; de zwarte raaf van Saturnus blijft het voedsel van de duif des Vredes en der Wijsheid stelen en hij sluit zich toe voor ieder risico. 

Hij is brutaal, onverzettelijk en geen enkele methode is hem te hard om aan zijn hebzucht te voldoen. 

Daar tegenover moet de wijze mens, de mens van de gevleugelde leeuw, het geduld van een ervaren Saturnus plaatsen, een geduld in het wegjagen van de zwarte raaf, een geduld in het proberen van de leeuwenvleugels, en het geduld van een blanke zwaan die de oneindigheid van een meer voor zich ziet en zich toch niet haast. 

Geduld rekent niet met tijd, het rekent met de eeuwigheid, die grootse verten waarin de leeuw zijn vleugels breidt, het geduld waarmede de duif steeds opnieuw tracht haar eigen voedsel te bemachtigen. 

Het geduld is de eigenschap van de hogere dieren, de phoenix die het vuur tot as laat worden, de pelikaan die zijn jongen voedt met zijn hartebloed, de duif die wacht totdat de raaf door hebzucht sterft, de leeuw die zijn roofdierenaard verloochent en de zwaan die vredig voortdrijft zonder naar een kust te verlangen. 

Uit dit geduld van de wijze Saturnus, die de wake aan de poort nooit te lang wordt, wordt het voedsel tot omzetting geput. 

De lamp brandt omdat er olie in is, de ziel licht omdat het geduld haar voedsel blijft aanvoeren. 

Michael, de draak ziende, bezat het geduld om diens zwakke plek te zoeken. 

Voordat de zielemens zijn koninklijke afstamming beseft, moet  hij allereerst de jungle van de lagere eigenschappen doorleefd hebben, om te voelen hoe een hart kan bloeden, een denken zich kan te pletter stoten, een wil kan breken, en hoogmoedigheid zichzelf kan straffen. 

Er is geen andere weg dan door de rijstebreiberg heen te worstelen, zoals de middeleeuwse voorstelling toont, en alle om-wegen leiden terug tot in de jungle, tot in de berg. 

Hoe lang en hoe dikwijls verliezen wij tijd door deze omwegen  tot het einde toe te bewandelen? 

Daarmede pijn aan onze innerlijke strijd toevoegende en onszelf  de kracht onttrekkend een hoger doel waardig. 

Het instinct van de lagere dieren is sterk en het wijkt niet, noch voor rede, noch voor leringen; het is ingeboren, zoals de wijsheid en de adeldom in de ziel zijn ingeboren. 

intuïtie en Geweten hebben geen vat op de instincten van deze lagere dieren,  zij appelleren aan een kennis die verborgen is. 

Wie kan werkelijk luisteren naar intuïtie en Geweten? 

Toch slechts degene, die enigszins spiritueel is? 

Wat voor nut zou het hebben dat de lagere dieren zouden luisteren? 

Hun doel en hun begeerten liggen op een totaal ander vlak. 

Wanneer de symbolische dieren in u hun instinctieve strijd  strijden zijn uw oren gesloten voor de stemmen van intuïtie en Geweten; u wordt dan totaal geabsorbeerd door hun gevecht, uw zintuigen worden daardoor in beslag genomen en de spirituele klanken en waarschuwingen ontglippen u. 

Wanneer de raaf vreet, de leeuw op zijn prooi loert of brult, de pelikaan zich aan humanisme wijdt, de phoenix zichzelf te offeren zoekt, en de zwaan onrustig naar zijn wateren verlangt, zijn de zintuigen van de mens zozeer geboeid dat zij doof en blind zijn geworden. 

Dan zijn zij waarlijk een onrustig span paarden, zoals de oosterse leringen zeggen, en hebben zij een meester nodig om hen te temmen. 

Die meester zult u moeten zijn, spirituele mens. 

Er is voldoende kracht in u, er ligt een diepe Kennis in u, en er is een Liefde tot Uw Vader in u, die zich uitdrukt in een archaïsche Religio. 

Waarom rent u dan rond in die arena, het zwaard van de hoogmoed in de hand? 

Uw geloof zal u behouden, zegt de universele wijsheid. 

Dat geloof is Kennis, een weten dat verborgen is. 

En geloof dat een her-binding, een ingeboren Re-Ligio betekent. 

Omdat de spirituele mens beseft dat hij dit oer-geloof nodig heeft wendt hij zich tot het dogmatische geloof, imitatievoedsel, imitatiemeesters. 

Men vindt in deze maatschappij een imitatie van alles, van wijsheid en adel, van moed en offerande. 

Heel dit leven bestaat uit schijngaven, schijnmensen, en schijnspiritualiteit.  Wij leven als toneelfiguren op het podium van de wereld en kunnen niet meer uit onze rol vallen. 

Is er nog één begrip dat geen dubbele betekenis bezit? 

Is niet alles verborgen achter dikke voorhangsels, en gevoelen wij ons niet tevreden tussen deze draperieën?

Zodra de mens een schoon voorwerp, een schitterende idee ontdekt, wil hij deze gaan imiteren. 

Hoeveel imitatie-goden zijn er al? 

We sluiten ons op in een wereld vol onwerkelijkheid en menen  dat de werkelijkheid ons omringt. 

Omdat we de kennis der werkelijkheid verborgen achter dikke muren. Omdat we eraan gewend zijn geraakt met de leeuw en de raaf te leven en ons verzoend hebben met de gedachte aan de hongerende en voortvluchtige duif van vrede en wijsheid. 

Wij geloven niet meer aan een gevleugelde leeuw.   Het geloof is de gave die ons niet door anderen geschonken kan worden. 

U gelooft in de vleugels der leeuw of in de wijsheid en vrede van de duif of in de opstanding van de Phoenix, of u gelooft het niet en u vindt alles onzin, legendarische vertelsels. 

Het geloof aan deze dingen ligt in uw verborgen Kennis, die de vleugels van intuïtie en Geweten u ontsluiten kunnen. 

Daartoe moet u echter geloven in de adeldom van intuïtie en Geweten en deze niet als sentimentaliteit of bakerpraat van de hand wijzen. 

Men zegt wel eens dat deze maatschappij te hard is voor de stemmen van intuïtie en Geweten, en dat men geslachtofferd zou worden wanneer men aan hun roep gehoor zou geven. 

Is dit niet het verweer van de jungle-mens, die het geloof in zijn kleine, goddelijke kracht verloren heeft? 

De jungle-mens die slechts bouwt op de feiten die hij met zijn uiterlijke zintuigen kan waarnemen. 

Natuurlijk is deze maatschappij hard, keihard. 

Maar er is geen materie en geen tegenstand die niet wijkt voor het geduld, de liefde, het licht en de moed van de wijze mens, die  zijn Huis op de Rots bouwt, de rots van de wijze Saturnus, die glanst van het goud der adeldom. 

Wanneer u het gevoel hebt dat deze maatschappij u wurgt, u berooft van uw innerlijke adeldom, dan bevindt u zich middenin de jungle, en de poten der roofdieren zijn u aan het vertrappen. 

Dan hebt u uw vleugels niet gebruikt. 

Maar waartoe kreeg u hen anders? 

Voordat u hun kracht beproeft twijfelt u reeds aan hun soliditeit. 

Voordat de mens het waagt met zijn intuïtie en zijn Geweten veronderstelt hij reeds dat hij de prooi wordt van de jungle-horden. Maar het tegendeel is waar! 

Daar waar de spirituele mens zich krampachtig vastklemt aan de lianen in deze jungle om zo zijn leven te redden, daar zal hij tot bloedens en stervens toe worden vertrapt. 

Mits hij keihard wordt met de keiharden.  

Aangezien de spirituele mens dit nooit kan zijn, heeft hij de  keuze:  Úf te worden vertrapt door de horden, Úf zijn vleugels uit te breiden en weg te vliegen naar de Hoogten die hij eertijds heeft gekend. 

Aan u de keuze, spirituele mens.  Hij, die uit het Licht voortgekomen is, zoekt intuïtief het lichtende Aurora des geestes. 

Om dit terug te vinden zal geen weg hem te smal, noch enig gevaar hem te riskant zijn, want hij wordt gedragen door de moed der herkenning. Op de vleugelen van intuïtie en Oerweten kiest hij de vlucht tot de hemelen.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene