115 - De vruchten komen tot schoonheid

"Het kleine onbelangrijke werk is vaak meer waard dan de grote werken die ieders aandacht vragen."  

Paracelsus 


Het alchemisch werk, zo zegt Paracelsus, moet gedaan worden in de aarde. 

De aarde, volgens Hermes, is van Saturnus, zoals het lichaam  van de mens de saturnale aarde is met het ego als koning. 

In deze saturnale aarde moet de alchemist naar de schat zoeken, zoals de gouddelver en de mijnwerker in de aarde zoeken naar de schat der edele metalen en der edelstenen. 

Ieder mens is een weergave der schepping. 

Zo hij tot de hemelen wil terugkeren moet hij allereerst de schitterende glans der sterren verwerven, die de aarde beheersen en zijn metalen en gesteente tot concretie brengen. 

De aarde-planeet is niet anders dan een uit de hemel in de ruimte gevallen steen; in het midden van het heelal kwam hij tot stilstand. 

De mens is vanuit de hemelen gevallen en is geworden tot een aarde, in hem bevinden zich edelstenen en metalen, kiezelstenen en giften. 

Hij is als een laboratorium dat onder invloed van de sterren zijn schatten te voorschijn brengt. 

Ons lichaam en ons ego worden geleid door de krachten binnen het universum; sterren, planeten, seizoenen, etherische stralingen, trillingen, zij allen vormen ons tot de mens die wij zijn, uitgezonderd de ziel, die vanuit het Lichtrijk zelve stamt en niet reageert op de krachten binnen dit besloten universum. 

Zoals de aarde de krachten des hemels tot zich trekt, zo trek de mens de om hem heen aanwezige krachten tot zich. 

Aarde en mens zijn vol van saturnale, egocentrische drift. 

Hij, die zich door deze aarde laat overheersen, wordt gelijk de mijnwerker, besloten in de mijnschacht, het zonlicht vergetende, jachtig zoekende naar edelstenen, hoewel hij behoort te weten dat het stralende zonlicht de adeldom en de schoonheid van iedere edelsteen volmaakt doet uitkomen. 

Neen, hij werkt driftig voort om meer schatten te vinden. 

Hij zou er beter aan doen een ogenblik in het zonlicht te treden  om hetgeen hij opgegraven heeft aan het ontdekkende licht bloot  te stellen, zodat hij de schoonheid van zijn schatten zal ontdekken, zegt Paracelsus. 

Hierin ligt dan wederom de lering van Paracelsus, overgedragen aan hen die door de geheimtaal van zijn aanwijzingen kunnen heendringen. 

Kijk naar de boom, zo zegt hij, hij is het lichaam waarin de vruchten besloten liggen. 

Alles werkt tezamen om deze vruchten te voorschijn te brengen  en op het juiste tijdstip, als de sterren en de planeten, de seizoenen, de elementen en de aard van de boom samenwerken, komen de vruchten tot openbaring. 

Zo is het ook met de mens. 

Hij moet zichzelve kennen, hij moet zijn gaven ontdekken, de  aard van zijn vruchten onderscheiden en dan niets anders doen dan zijn individuele, speciale vruchten, zijn metalen, zijn gaven  tot volle wasdom brengen. 

Er is een tijd van duisternis en er is een tijd van licht. 

Binnen het "zo boven zo beneden" is er nimmer blijvende duisternis of blijvend licht.  

Slechts boven deze tweeledige natuur kan dit zo zijn, daar waar  de ziel haar woning vindt. 

Een onevenwichtig mens, de rijkdom van de eigen aarde niet kennende, verstoort het ritme tussen duisternis en licht; dan wordt hij egocentrisch, zwartgallig, lichtloos, egoïstisch.  

Hij is niet geschikt om het alchemisch werk te verrichten, hij hunkert wellicht naar het hemellicht, maar hij begraaft zich in de duisternis van zijn eigen aarde, en weigert te voorschijn te komen om te zien wat er reeds in zijn handen ligt.  

Hij is de gepassioneerde egocentrische zoeker, de gulzigaard die nimmer genoeg heeft, en tevens de gierigaard, die altijd bang is zijn schat te verliezen. 

Treedt naar buiten, zegt Paracelsus, open uw handen en zie wat u reeds hebt opgegraven. 

Wel, treedt buiten uw ego, buiten dat enge denken en bezie, als een toeschouwer, hetgeen u in uzelf hebt opgegraven. 

Zijn er edele gaven bij, zijn er de koninklijke waarden der metalen, de gaven van het spirituele tin, van het edele, deemoedige lood, van het middelende kwikzilver, van de stralende devotie van het koper, van de zachtmoedige overgave van het zilver en tenslotte de adeldom van het koninklijke goud. 

De mens raast door de gangen en holen van zijn ego, voert strijd op strijd, vecht tegen de overmacht en hij beseft niet welke schatten er reeds in zijn handen werden gelegd. 

Velen dolen rond in de duisternis van de problematiek, terwijl in hun handen de verworven schatten wederom vergaan tot steen. 

Alles wordt tenslotte wederom tot steen, de steen, die het begin van alle wedergeboorte is. 

Het proces tot de omzetting gaat voort totdat alle steen. die uit de hemel neergevallen is wederom is omgezet in het licht des hemels. 

De natuur kent dit proces. 

Er is geen stilstand, er is slechts voortgang, opgang, indien nodig herhaling, totdat tenslotte aan de opdracht is voldaan. 

In de spirituele pelgrim bevinden zich de metalen, maar ook de edelstenen, kristallisaties van hemellicht, zegt Paracelsus. 

Iedere edele gave is als een edelsteen, waarin het licht des hemels zich weerkaatst, waaraan de medemensen vreugde beleven en die velen willen verzamelen om tot spirituele rijkdom te komen. 

Zij worden dan tot egoïstische zoekers, edelstenen zoekend in  hun individuele aarde, geen enkele methode schuwend om deze edelstenen omhoog te brengen, maar zij vergeten dat een eenvoudige kiezelsteen meer waard kan zijn dan een "koe", zegt Paracelsus, in zijn middeleeuwse taal. 

In de kiezelstenen, in al zijn eenvoud en helderheid, weerkaatst zich de schoonheid van bloemen, de puurheid van het gekristalliseerde licht. 

Waarom raast de zoeker voort zoekende naar meer waarden, vechtend voor meer schatten, terwijl hij de schoonheid en de adeldom van zijn eigen kiezelstenen niet kent? 

Het licht des hemels doet eenmaal de kiezelsteen wedergeboren worden in edelgesteente of in een schoon metaal. 

Het lood kan goud worden, werp het niet weg, want zonder lood of zonder steen is het zo begeerde transfiguratie-proces niet mogelijk. 

Er is geen intellectualiteit nodig om dit proces te bewerken,  slechts een zuiver zintuig, een doorzetting en een intelligent denken. 

Deze drie eigenschappen bezit ieder mens: de doorzetting ligt in het lood, de hardheid van de saturnale aarde, de zuivere zintuiglijkheid ligt in het astrale, etherische voertuig, het water, en het intelligente denken ligt in het door de ether geïnspireerde mercuriaanse denken. 

Elk schepsel is met deze gaven begenadigd. 

Zo hij meent deze niet meer te bezitten dan heeft hij hen achteloos weggegooid, Úf is er in onachtzaamheid aan voorbij gelopen, menende dat dieper in de schachten van de saturnale aarde nog kostbaarder schatten te vinden zouden zijn. 

Doch deze drie gaven, zegt Paracelsus, zijn de instrumenten van de alchemist. 

Uit de volwaardige saturnale aarde komt de hoge moraal voort, principieel, volhardend, compromisloos, offerbereid, nooit egocentrisch, maar altijd christocentrisch, zoals het een edele Saturnus betaamt. 

Het ego dat Christus aanvaardt geeft de leiding uit handen over de individuele saturnale aarde, het stoffelijke wezen en al zijn capaciteiten. 

En zie, deze aarde gaat vrucht voortbrengen, het zaad ontkiemt,  de bloesem ontvouwt zich, de vruchten komen tot schoonheid en zijn nuttig en voedzaam voor de mensheid. 

Geen mens ontloopt deze taak, en zo hij tijdelijk vlucht, eenmaal zal hij opnieuw voor deze opdracht worden geplaatst, want deze opdracht is ingeschapen, en daar waar de mens heenvlucht daar neemt hij de kiem van deze opdracht met zich mede. 

De mens ontvlucht zichzelve niet, zegt de wijze volksmond. 

Noch minder ontvlucht hij God, zijn individuele God. 

Hij ontmoet hem in de duisternis van zijn saturnale aarde, op  zoek naar meerdere rijkdom, en hij ontmoet hem in het stralende zonnelicht, wanneer hij zijn verworven schatten toont. 

In de duisternis lijk deze individuele god dikwijls een god der wrake, de schaduwen vervormen zijn gelaat, de lichtloze zinnen onderkennen de waarheid niet, maar in het zonlicht hervindt het Godengelaat zijn schoonheid in de glans van de edelstenen, liggende in de handen van de devote en erkenningsvolle zoeker. 

Men worstelt met de disharmonie in het eigen wezen, er is een doorlopend gevecht gaande tussen het ego en de schatgraver die de diepten van het ego doorzoeken wil en geen schatten vindt; hij valt over de stenen, hij verdwaalt in de gangen, hij vervloekt   zijn individuele saturnale aarde, die duisternis waarin geen rijkdom is te vinden. 

Hoeveel religies leren de mens zijn  te vervloeken, en hoe zwaar wordt het lot van zulk een mens, geketend aan deze vloek. 

Plaats uzelf, uw ego, heel dat gecompliceerde, maar met edele kwaliteiten begiftigde wezen, in het hemelse licht.  

Verzamel hetgeen licht aan u is, zoek uw edele metalen, uw gaven, want allen hebben gaven, zoals in de aarde alle metalen en edelstenen aanwezig zijn. Sta nooit stil bij wat u had kunnen hebben of vinden, maar waardeer hetgeen u bezit, en veredel dit door het zonlicht, het geestelijke licht erin te laten weerkaatsen. 

Hoewel de mens dikwijls meent dat de alchemie een kunst is voor de verstandelijken, meent Paracelsus: het is de kunst der natuur, ˘w natuur, en het is de kunst Gods, de kunst Uws Gods. 

Er is geen reden om teleurgesteld terneder te zitten, noch om wrok, bitterheid en melancholie te gevoelen. 

Treed naar buiten, kom uit die duisternis van dat bekrompen denken te voorschijn, verbreek die waan. 

In u, pelgrim, is dezelfde schat als in de boom die vruchten draagt. 

U bezit edele gaven, metalen, edelstenen, maar u bent te gierig om hen aan de buitenwereld te tonen, u wilt deze zelf behouden. 

Uw individuele nacht duurt te lang, zo lang reeds heeft het uur van het Aurora geslagen, maar gij hoorde het niet, druk doende als gij waart met het zoeken naar meerdere schatten. 

Van binnenuit komt uw schat naar boven, zo gij volhardt, zo uw zinnen rein blijven, zo uw denken de beweging kent van het "zo boven zo beneden". 

Uw zinnen, gaven van uw zenuwgestel en uw denken, wijzen u de weg naar de innerlijke schatten, terwijl de hoogste zinnen van alle: intuïtie en Ge-weten u regelrecht brengen tot de hoogste aller metalen: het goud. 

Doch zodra de volharding en de christocentriciteit der edele saturnale aarde aan kracht inboeten en de zinnen afstompen, slechts de grove vormen schouwen, en het denken zijn verfijnde etherische gaven verliest, worden intuïtie en Ge-weten ontkracht en herinneren zij zich de weg tot de adeldom van het goud niet meer. 

De goedheid en de genade van de Schepper maakte van ons een volkomen en harmonische schepping. 

Onwetendheid, hoogmoed en satanische egocentriciteit maakten deze edele schepping tot een chaotische wanorde, of een duivelse instelling. 

Ego en duivel, satan en Christus zijn tweelingbroeders. 

In deze natuurorde gaan de tegengestelden hand in hand, totdat zij in elkander overvloeien, één worden, de eenheid des lichts, het hemellicht. 

Egocentriciteit is de hamer die de spijkers in het kruishout van Christus laat en daarmede niet op kan houden, omdat het gaat om het: te zijn of niet te zijn. 

Spirituele egocentriciteit, die verfijnde saturnale geslepenheid, die zich achter de naam van Christus en God verschuilt, jaagt de  speer in het hemellichaam zodat het levenssap wegvloeit. 

Iemand, die zulk een spirituele egocentriciteit belijdt, wandelt  door het leven met het lijk van Christus in zijn armen. 

En hij zingt geboorteliederen die eigenlijk doodsliederen hadden moeten zijn. 

Slechts de toeschouwer, die het hemellicht kent, die de werkzaamheid van de christocentriciteit kent, ruikt de lijkenlucht en speurt de tragikomedie. 

De wereld is vol met zulke lijkendragers en de sfeer is bezwangerd door lijkenlucht, en de trilling van de doodsmelodie weergalmt tegen de rotsen der saturnale egocentriciteit. 

U zult bemerken hoe deze tragikomedie nog in omvang toeneemt, hoe velen hun dode Christus heen- en weerzeulen, omdat zij zijn dode lichaam aanbidden. 

In een wereld waar de mensheid schreit om licht en daarvan getuigenis geeft door de wanhopige pogingen der zoekers, zullen de lijkendragers straks geen plaats meer vinden, want de mensheid is moede geworden van het bedrog, van de misvattingen,  van de wanhoop. 

De egocentriciteit zal zichzelf opvreten, zal zichzelf vernietigen, want daar waar het duister geen licht meer vindt om zichzelve te voeden, daar vreet het zichzelve op, zoals Saturnus zijn kinderen opvrat. 

Plaats uzelf onder de straling van het Hemellicht, zoals de boom die gehoor geeft aan de wet van het universum, en beluister en bezie hetgeen IN u is. 

Volhardt! 

Open uw zintuigen! 

En herstel en bevrijdt uw denken. 

Dan is de tijd gekomen waarin ook uw vruchten zullen rijpen onder de werking van het ingeschapen alchemische proces. 

Ervaar het en wordt wijs, pelgrim!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene