112 - De steen komt uit de hemel

Paracelsus vergelijkt de mens met de metalen, met hun ontstaan  en hun alchemische uitkomst. 

Ieder metaal kent twee aanzichten: positief en negatief, kristallisatie en abstractie. 

"De mens is gelijk de metalen, hij werd gevormd door de hemel en is in het begin als een arm ding, een steen. 

Dan komt de mijnwerker en hakt en bewerkt hem, bevrijdt hem. 

Hij breekt en beslaat het lichaam van het metaal. 

Daarna komt de metaalgieter en verstoort en smelt dit lichaam van het metaal door middel van het vuur. 

Door deze verbinding met het vuur neemt het metaal een andere geest, een andere kern aan, een betere inborst, het wordt soepeler, niet brokkelig en breekbaar. 

Tenslotte komt de alchemist en doodt en verbreekt dit metalen-lichaam, waardoor het metaal een edel lichaam, een volkomen ander lichaam tot zich trekt. 

Uiterlijk wordt het metaal dan zilver of goud en dan worden beiden, het metalenlichaam en de geest volkomen verenigd en zo kan geen enkel storend vuurelement het meer verbreken en zijn zij veilig en daarin absoluut onverteerbaar."

Aldus spreekt Paracelsus.  


Hierin vinden wij dan de twee spirituele processen die elkander aflossen. 

In de mens zijn zeven metalen die één lichaam gevormd hebben, de mens of de zevenvoudige steen. 

Hij is een armelijk ding, onwetend, gevallen uit de hemel. 

Maar dan komt de steenbewerker of de mijnwerker, de dienaar,  en deze gaat de steen bearbeiden. 

Herkent u hierin niet uw eigen levensproces? 

In het begin zijn wij als een steen, onwetend, onbewust, maar  dan gaan de gebeurtenissen zich onder leiding van een "dienaar" of onder leiding van de "Christus-in-ons" zich toespitsen en de steen, het ego, wordt bewerkt door de ervaringen. 

Het wordt gereinigd, gezuiverd van de afdekkende laag der onwetende lagere elementen, het wordt uit die grote massale materie te voorschijn gehaald en wordt tot een eenling, een waardevol stuk zevenvoudig metaal in de hand van de bewerker. 

Men moet allereerst te voorschijn worden gebracht uit de massa, de menigte, waarin de één aan de ander gelijk is, één armelijke materie, die de hand van de bewerker nog niet heeft ondergaan. 

Het is een pijnlijke ervaring om uitverkozen te worden door de "bewerker", want men wordt dan uit de beschermende massa getild. 

Het licht gaat directer op de uitverkozen steen vallen en de "bewerker" gaat er zijn speciale krachten op uitproberen, omdat hij meent dat deze steen de pure schat der alchemisten bevat. 

Zolang de mens zich nog veilig gevoelt in de schaduw van een menigte is hij nog niet voldoende gereinigd van de lagere, armelijke materie en zal de hand van de bewerker nog lang met hem bezig zijn. 

Zodra hij echter verarbeid is tot een metaal, dan wordt hij overgegeven aan de smeltkroes, de plaats des vuurs. 

Allereerst zijn er dus de ervaringen, de krachtige slagen om een individueel ego te worden; er komt dan geen vuur aan te pas, omdat het vuur het wezen der metalen, het wezen van de mens verandert. 

Het grijpt hem aan in zijn diepste kern, het wijzigt zijn denken en zijn gevoelen. 

Zolang de bewerker zijn arbeid nog niet heeft voltooid gaat het uitgegraven metaal niet naar de smelter. 

Al die tijd dat de mens zijn individuele ego nog niet heeft ge-vonden onder de aandrang der ervaringen en onder de bewerkingen van intuïtie en Ge-weten, is hij nog niet gereed om de proef des vuurs te ondergaan. 

Daarom behoeft niemand angst te hebben dat hij door de ervaringen, door zijn eigen intuïtie en Ge-weten zal worden geforceerd, of zal worden gedeformeerd tot een psychisch zieke. 

Het natuurlijke proces der omzetting, zoals Paracelsus dat beschrijft, kent geen dwang en is geen oorzaak van neurosen. 

De mens zelf legt zich een dwang op of accepteert de dwang van anderen. Binnen de natuur volgt alles een geleidelijke weg, steeds aangepast aan het schepsel of de schepping. 

Zou de mens zich afkeren van de geest doordat hij zijn intuïtie en zijn geweten negeert, dan zwakken intuïtie en geweten af. 

Binnen het organisme moet ieder detail met elkander in over-eenstemming zijn. 

Het lichaam moet de impulsen der ziel kunnen volgen, zo niet dan zwijgt de ziel en wacht een volgend gunstig moment af. 

Daarom duurt de weg-terug tot de Hoogten zo onbegrijpelijk lang. 

Het is een weg met vel bochten en met ontelbare rustpauzen. 

Binnen de Liefde Gods is het geduld een genade voor de schepping. 

In deze scheppingswet ligt nooit die jacht tot overwinning besloten die zo kenmerkend is voor de hoogmoedige en eerzuchtige Lichtzoon.

intuïtie en Geweten als dienaren van de ziel jagen de mens over zijn mogelijkheden heen. 

Het proces tot ik-wording moet voltooid zijn alvorens de ervaringen de ziel aangrijpen. 

Ziele-ervaringen zijn veel zwaarder dan ego-beproevingen en zij worden altijd tot intensieve gewetensconflicten. 

Een onvolwaardig ego wordt nooit een gewetensconflict binnen-geleid, omdat zijn constitutie dat niet zou kunnen verdragen. 

Daarom zegt de wijze: de droefheid is een vreugde. 

En Paracelsus voegt daaraan toe: Hij, die een kruis op zijn schouders krijgt gelegd is een begenadigde. 

Beiden bedoelen het kruis van de ziel. 

Het ego draagt geen kruis, het volgt slechts een groeiproces met alle kinderziekten die daar bij annex zijn. 

Als het ego tot individu is geworden, een eenling in de wereld, een eenzame onder velen, een vreemdeling op aarde, dan komen pas de ziele-ervaringen, want het Licht zoekt de eenling in de menigte, één op duizend, tien op tienduizend. 

Een ziele-ervaring is te herkennen doordat het denken nieuwe ideeën, nieuwe richtlijnen gaat volgen en zich los maakt uit de algemene denkwijzen. 

Het tegengesteld denken dan de massa brengt reeds een verzwaring in iemands leven en verscherpt de eenzaamheid en het wederzijdse onbegrip. 

Het hart trekt ook niet meer naar de geneugten der massa, maar volgt zijn eigen dromen, vreemd in de ogen der medemensen, en vooral onbereikbaar. 

Hoe langer de mens deze wegen binnen denken en hart volgt, des te eenzamer hij wordt, des te kleiner zijn vriendenkring en des te onbegrijpelijker hij is in de ogen van zijn medemensen. 

Daarbij worden de stem van intuïtie en Geweten sterker en deze bemoedigen hem op zijn smalle weg, en zo bevindt zich deze ziel, voordat hij het geheel omvatten kan, in de handen van de "smelter", in de instralingen van het vuur. 

De ego-steen gaat zijn edele metalen blootgeven; allereerst de metalen of de gaven die het eerste onder het vuur vrijkomen,  zoals het tin - de declaratie van het eigen wezen - daarna het koper - de verbinding met de geest - dan het ijzer - de moed tot door-zetting - vervolgens het lood - het ego wordt soepel - en tenslotte het zilver - de weerkaatsing der adeldom - en als allerlaatst het goud dat zichzelf etherisch maakt, hemels, en zijn kristallisatievorm achterlaat. 

Hij, die nog geen individueel ego is geworden zal zichzelf nooit kunnen declareren, want hij is altijd ten dele, omdat hij zichzelf niet kent. 

Hij kent dat onderdeel van zichzelf niet, dat nog verborgen gebleven is in die algemene, massale steenmaterie, één wezen met de menigte. 

U kunt dat bij uzelf verifiëren. 

Het zal u van tijd tot tijd verwonderen dat u toch nog - hoewel u uzelf een individu meent - mede kunt bewegen met de massa, wezens-één met haar kan worden.  Dat deel van u is u eigenlijk nog onbekend, u doorgrondt het niet. 

De behandeling van de steenbewerker heeft dat deel nog niet voldoende bearbeid, het nog niet uit zijn omhulling getild. 

U kunt dit vooral bemerken bij massale bewogenheid, emotionele golfslagen die de menigte teisteren en waardoor u mede bewogen wordt. 

Massahysterie is een oer-bewogenheid van de menselijke materie waarbinnen ieder individu gevangen ligt. 

De mensheid is één schepping, slechts de ziel is een individuum. 

Men zegt zo graag en zo dikwijls: "Ik ben individueel." 

Dat betekent meestal: "Ik ga mijn eigen gang." 

Maar men glijdt altijd af in de één of andere golfslag der mensenmaterie, binnen een groepsdenken, het doet er niet toe van welke groep. 

De ziel onderscheidt en selecteert; een menselijk individu protesteert slechts tegen de massale bewogenheden. 

Maar hij ziet nooit een oplossing of een verlossing, hij poneert altijd een tegenzijde, een opponent. 

Door deze uitschieters van menselijke individuen, die een tegenwicht scheppen blijft de massale mensheids-beweging in  een redelijk evenwicht. 

Het ziele-individuum stijgt daar bovenuit, het verlaat in denken en gevoelen het strijdperk der tegengestelden. 

De inwonende "bewerker" van het individu geeft hem over aan de "smelter" en dat is een beslissende fase. 

Daarom is het onzin om te zeggen: "Ga geen pad van omzetting, of volg de spirituele weg niet, want dat is gevaarlijk!" 

De mens schept het gevaar, God niet. 

De Schepper legt geen valstrikken voor zijn schepselen, zoiets komt slechts uit het denken van een falende Lichtzoon voort. 

Leringen, die ontstaan in het brein van kundige, intelligente, miskende Lichtzonen, kunnen gevaarlijk zijn. 

Maar de omzetting is geen lering, zij is een ingeschapen natuurlijk proces, slechts aanwezig bij de neergedaalde Lichtzoon. 

In het Henoch-boek staat, om het nog eens te memoreren: 

"De bliksem Gods trof de steen."

Wees niet beangst om een ego te zijn.  Zolang u geen ego bent, zweeft u boven een afgrond, noch ego noch ziel zijnde. 

Uw angst om een ego te zijn maakt u onevenwichtig, abnormaal egocentrisch, spiritueel ikzuchtig, zoals dit zoveel voorkomt bij sectarische groeperingen. 

In een evenwichtig ego dat de wetten van de Schepper beluistert leeft geen angst; angst is een verkramping van hoogmoed, en van onwetendheid. 

Indien men u wilt overheersen door enige vorm van angst, wil men u ziekelijk ego-loos zien te houden, opdat men u beheersen kan. 

U moet een individu worden om daarna een ziele-individuum te zijn dat het vuur kan verdragen. U kunt geen brede weg volgen, waarop een menigte zich ver-dringt om het doel te bereiken. 

De ziele-verlossingsweg is altijd een individuele weg, zo smal dat slechts één individuum daarop zijn voeten plaatsen kan. 

Zo mogelijk gaan er anderen naast u, maar dan op hun eigen smalle weg, die evenwijdig loopt aan de uwe. 

Maar u - als ziele-individuum - die uw metalen gaat omzetten in het individuele geestvuur, baant uw eigen weg. 

En met angst en wantrouwen kunt u deze weg beslist NIET  gaan, dan moet u nog bewerkt worden door de "ingeboren" bewerker, want angst en wantrouwen zijn een vorm van massahysterie. 

Als u dan zover bent dat uw ziele-ervaringen u teisteren - maar niettemin houdt u vol - dan vindt het alchemische proces pas plaats, want geen enkele alchemist neemt een onwaardig materiaal voor zijn proeven. 

Uw ego vormt zich in uw denken en in uw gevoelen. 

De ziel wordt bewust door de klaarheid van intuïtie en Ge-weten en de Geest komt over u wanneer deze beiden: intuïtie en Ge-weten een verbond sluiten in de spirituele inspiratie. 

Uit deze spirituele inspiratie straalt het goud, een etherisch goud; de adeldom van het Lichtwezen treedt naar buiten als een schepping.  Dit alkalisch proces, dat de Ouden als getuigenissen vastlegden, is geen leer: het is een praktijk. 

Zolang theorie en praktijk nog van elkander gescheiden blijven ontbreekt de verbindende schakel d.w.z.: de steen, het individuele waardige ego. 

Het ego wil dan nog niet.  En het kan zich excuseren op velerlei slinkse en intelligente wijzen. 

Maar in werkelijkheid wil het niet! 

Wordt daarom tot een steen, een armelijk ding, zoals Paracelsus zegt. 

Leer te beginnen bij het eenvoudige begin en verlang niet direct  de plaats van een leraar, want er zijn velen die leraar willen zijn, maar weinigen die wensen te leren. 

De zeven misvormingen der metalen wonen in ons als hoofdzonden, onder hen neemt de hoogmoed een belangrijke plaats in. 

Het ontbreken van de "moed" brengt echter de gemakzucht en de luiheid, maar het schenkt u nimmer de "deemoed". 

Slechts een volwaardig, puur ego kan de deemoed beërven, het angstige, laffe en onvolgroeide ego heeft zichzelf te verziekt om de grootsheid en de liefde van de Schepper te kunnen verstaan. 

Gedenk daarom de eenvoudige wet van de Schepper:

"De steen komt uit de hemel, de bewerker bearbeidt hem, de smelter legt hem in het vuur, de alchemist zet hem om in een Nieuwe Materia, dat alle vuur kan weerstaan, omdat het onvernietigbaar is." 

Dit is de oerwet van uw Vader-Moeder, die u liefheeft en u daarom de genade van dit proces betoont. 

Eert deze Vader-Moeder en aanvaardt zijn hulp!

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene